Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4986

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-11-2014
Datum publicatie
28-11-2014
Zaaknummer
20-002915-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal met geweld (woningoverval).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-002915-13

Uitspraak : 28 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, van 27 augustus 2013 in de strafzaak met parketnummer

12-700477-12 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1990],

thans verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught.

Hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is verdachte ter zake van – kort gezegd – diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank beslist over schadevergoeding voor de benadeelde partij en de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen (te weten, een trainingspak en een GSM) verbeurd verklaard.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaar (54 maanden), met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof de vordering van de benadeelde partij geheel zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel, en de onder verdachte in beslag genomen voorwerpen, conform de rechtbank, verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft het hof verzocht de strafoplegging te beperken tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren. Voorts heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof met betrekking tot het beslag en de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en met aanvulling van de bewijsmiddelen met de ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 14 november 2014, afgelegde bekennende verklaring van verdachte.

Op te leggen straf en motivering

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft zich, samen met een vriend, schuldig gemaakt aan een gewelddadige diefstal. Het hof acht het bewezen verklaarde een zeer ernstig feit, te meer nu het slachtoffer daarbij is geconfronteerd met een (op een vuurwapen gelijkend) wapen en door verdachte op een stoel is vastgebonden. Verdachte en zijn mededader hebben niet stilgestaan bij het persoonlijke leed dat zij hierdoor bij het slachtoffer teweeg hebben gebracht en hebben hun persoonlijke en financiële belangen vooropgesteld.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 14 november 2014 uiteindelijk een volledig bekennende verklaring afgelegd en zijn verantwoordelijkheid voor zijn daden genomen. Hiermee heeft verdachte aangetoond het laakbare van zijn handelen in te zien.

Hoewel naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, ziet het hof aanleiding de duur van de in eerste aanleg opgelegde straf te matigen. Mede rekening houdend met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, zal het hof verdachte in hoger beroep veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren. Een verdere matiging van de strafduur, zoals door de verdediging is verzocht, acht het hof, gelet op de ernst van het feit, niet passend.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 4.915,00. Deze vordering bestaat uit

€ 2.665,00 aan materiële schade en € 2.250,00 aan immateriële schade. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 4.315,00. Voor het overige is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot het oorspronkelijk gevorderde bedrag van € 4.915,00.

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij geheel kan worden toegewezen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep opgemerkt dat verdachte geen bezwaar heeft tegen het vergoeden van de door de benadeelde partij geleden schade en heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof, anders dan de rechtbank, voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van € 4.915,00. Verdachte heeft deze vordering ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist en hij is tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet voorts aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 4.915,00 (vierduizend negenhonderdvijftien euro) bestaande uit € 2.665,00 (tweeduizend zeshonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormelde toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 16 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 4.915,00 (vierduizend negenhonderdvijftien euro) bestaande uit € 2.665,00 (tweeduizend zeshonderdvijfenzestig euro) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 59 (negenenvijftig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichtingen ter zake van de materiële en immateriële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 16 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. O.M.J.J. van de Loo, voorzitter,

mr. J.J. van der Kaaden en mr. T.A. de Roos, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 28 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. T.A. de Roos is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.