Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4961

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
HD 200.139.771_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

deskundigenbericht, toereikend gemotiveerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.139.771/01

arrest van 25 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.P.M.M. Heijkant te Dongen,

tegen

[geïntimeerde] , hodn [handelsnaam] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H.J.W.A. van der Put te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 november 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Breda en -na de herindeling van de gerechtelijke kaart- Zeeland-West-Brabant van 1 december 2010, 16 februari 2011, 22 juni 2011, 5 september 2012, 12 december 2012 en 2 oktober 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/02/214508/HAZA 10-167)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven, tevens houdende incidentele conclusie tot schorsing van de executie, met 5 producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep, tevens akte tot vermeerdering/wijziging van eis, met 7 producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

De incidentele vordering tot schorsing van de executie is op gemeenschappelijk verzoek van partijen ingetrokken.

Partijen hebben arrest in de hoofdzaak gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Het hof gaat uit van de volgende feiten:

3.1.1.

Bij vonnis van de rechtbank [woonplaats 1] van 16 december 2009 (187530/HA ZA 08-583, productie 1 bij inleidende dagvaarding) is op vordering van [geïntimeerde] voor recht verklaard dat [appellant] aan [geïntimeerde] de onroerende zaak aan de [straatnaam 1][huisnummer 1] te [woonplaats 1] (hierna: het pand) heeft verkocht tegen een prijs van € 1.100.000,- k.k., dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst en dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] daardoor geleden schade, op te maken bij staat. Bij arrest van dit hof van 3 juli 2012 (HD 200.060.092) is dit vonnis bekrachtigd.

3.1.2.

In de onderhavige schadestaatprocedure vordert [geïntimeerde] veroordeling van [appellant] tot betaling van schadevergoeding, bestaande uit gederfde winst, zoals die blijkt uit het als productie 2 bij inleidende dagvaarding in het geding gebrachte schadetaxatierapport. [geïntimeerde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerd dat hij het pand, indien [appellant] dat hem overeenkomstig de tussen partijen op 29 september 2007 tot stand gekomen koopovereenkomst had verkocht en geleverd tegen een prijs van € 1.100.000,-, met een aanzienlijk winst had kunnen doorverkopen.

3.1.3.

Bij het tussenvonnis waarvan beroep van 1 december 2010 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de vraag wat de onderhandse verkoopwaarde van het pand in verhuurde staat was per 29 september 2007 (de peildatum). De bij het bestreden tussenvonnis van 22 juni 2011 vervolgens benoemde deskundige heeft in zijn deskundigenbericht d.d. 28 november 2011 de waarde van het pand per genoemde peildatum op € 1.265.000 getaxeerd.

In het tussenvonnis van 5 september 2012 is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het deskundigenbericht van 28 november 2011 niet bruikbaar is, omdat de deskundige de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De rechtbank heeft daarom een nieuw deskundigenbericht gelast.

De bij het tussenvonnis van 12 december 2012 benoemde nieuwe deskundige, [deskundige] , heeft de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat van het pand bij deskundigenbericht van 28 mei 2013 per peildatum getaxeerd op € 1.320.000,-.

Bij eindvonnis van 2 oktober 2013 heeft de rechtbank, die de conclusie van de tweede deskundige heeft overgenomen, de schade van [geïntimeerde] die het gevolg is van de toerekenbare tekortkoming van [appellant] in de nakoming van de koopovereenkomst vastgesteld op € 154.000,-, zijnde het verschil tussen de koopprijs vermeerderd met verwervingskosten (€ 1.166.000,-) en de door de deskundige vastgestelde onderhandse verkoopwaarde per de peildatum in verhuurde staat. [appellant] is veroordeeld tot betaling van dat schadebedrag, te vermeerderen met rente ad 4%, beslagkosten en de proceskosten.

3.2.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven (deels onderverdeeld in subgrieven) aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] -uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van beide instanties.

3.3.

[geïntimeerde] heeft in principaal appel verweer gevoerd en in incidenteel appel twee grieven aangevoerd en eveneens gevorderd de beroepen vonnissen te vernietigen en -na vermeerdering van eis- [appellant] te veroordelen tot betaling van de door [geïntimeerde] geleden schade, uitgaande van een waarde van het pand van € 1.676.345,--, althans een door het hof te bepalen waarde, te vermeerderen met primair de wettelijke handelsrente en subsidiair de wettelijke rente over de periode vanaf 1 januari 2008 tot de dag van de voldoening, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties inclusief nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het arrest, indien niet binnen acht dagen na betekening aan de veroordeling is voldaan.

eisvermeerdering

3.4

[appellant] heeft gesteld dat hem door de eiswijziging, die ziet op een hoger rentepercentage dan in eerste aanleg gevorderd, een instantie wordt ontnomen; bovendien acht [appellant] de eiswijziging in strijd met een goede procesorde omdat [geïntimeerde] eerder zelf van een rentepercentage van 4 is uitgegaan.

Het hof overweegt het volgende. Het verlies van een instantie is inherent aan het feit dat de wet toestaat dat een eis ook in hoger beroep kan worden vermeerderd. Slechts onder bijkomende omstandigheden kan dit feit het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van strijd met de eisen van een goede procesorde. Van dergelijke omstandigheden is niet gebleken.

[appellant] wordt door de eiswijziging niet bemoeilijkt in zijn verdediging en de behandeling van de zaak is evenmin onredelijk vertraagd. [appellant] heeft inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gewijzigde eis. Het verzet tegen de eiswijziging wordt derhalve ongegrond verklaard.

3.5.

Het hof stelt voorop dat in hoger beroep niet wordt opgekomen tegen de gehanteerde peildatum. Met de grieven komen beide partijen op tegen de door de deskundige gehanteerde uitgangspunten en waarderingsmethode.

3.6.

Alvorens de diverse bezwaren te bespreken, zal het hof eerst kort aangeven op welke wijze de deskundige [deskundige] de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat heeft getaxeerd.

De deskundige heeft de waarde van het winkelgedeelte van het pand vastgesteld door huuropbrengsten van soortgelijke objecten in de directe omgeving van het pand te vergelijken. Aan de hand hiervan is de deskundige in eerste instantie gekomen tot een bruto reële huurwaarde van € 64.789,56 per jaar (€ 55.929,56 netto). Na verwerking van commentaar van partijen, waaronder een door [geïntimeerde] ter hand gestelde tekening heeft de deskundige een groter aantal m2 verhuurbaar oppervlak in aanmerking genomen (in het conceptrapport 132 m2 en in het eindrapport 138 m2) en de huurwaarde per m2 aangepast (in het concept € 490,83 en in het eindrapport € 522,79). Als gevolg hiervan is de bruto reële huurwaarde van het winkelgedeelte aangepast en gesteld op € 72.145,-- per jaar (€ 62.470,-- netto).

De verkoopwaarde is vervolgens bepaald door te rekenen met het gemiddelde van enerzijds een netto rendementspercentage van 5 over de netto huurwaarde (en met correctie voor een contante minderwaarde wegens het verschil tussen de geschatte huurwaarde en werkelijk betaalde huur), en anderzijds een vermenigvuldiging van de berekende reële netto huurwaarde met factor 16,5. De gemiddelde onderhandse verkoopwaarde van het winkelgedeelte in verhuurde staat is op deze wijze door de deskundige berekend op € 1.152.000,-- k.k. De gemiddelde waarde in het conceptrapport bedroeg, op basis van dezelfde methodiek € 1.045.000,--.

Bij de waardebepaling van de verhuurde woondelen is de deskundige uitgegaan van de werkelijke huuropbrengsten voor de woondelen ad € 10.290,-- netto en een netto rendementspercentage van 5,75, hetgeen neerkomt op een onderhandse verkoopwaarde van

€ 168.000,-- k.k. Op grond hiervan heeft de deskundige de verkoopwaarde in verhuurde staat van het pand per 29 september 2007 bepaald op € 1.320.000,-- (€ 1.152.000,-- +

€ 168.000,--). In het conceptrapport was de waarde vastgesteld op € 1.213.000,--.

Grief 1 van [appellant]

3.7.1.

Grief 1 komt allereerst op tegen de overweging van de rechtbank - en de opdracht aan de deskundige- dat bij de waardering van het pand moet worden uitgegaan van de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat. Uit de toelichting op die grief blijkt echter niet welke bezwaren [appellant] heeft tegen deze maatstaf. De grief wordt derhalve in zoverre als onvoldoende onderbouwd verworpen.

3.7.2.

[appellant] voert voorts aan dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de deskundige in het licht van die opdracht bij de waardering uit zou gaan van de daadwerkelijke huuropbrengst van het winkelgedeelte per peildatum en niet van fictieve huurprijzen, en dat er geen valide reden is om niet uit te gaan van die daadwerkelijke huuropbrengst.

3.7.3.

Het hof overweegt hierover het volgende.

Door [appellant] is niet onderbouwd waarom de door de deskundige gekozen methodiek ten aanzien van het winkelgedeelte onjuist is en waarom gekozen dient te worden voor de door [appellant] voorgestelde methodiek. De door de deskundige gehanteerde methodiek is begrijpelijk, inzichtelijk en logisch. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de deskundige gemotiveerd heeft aangegeven welke vergelijkingsobjecten hij in aanmerking heeft genomen en waarom hij huurwaardes heeft gecorrigeerd op basis van onderlinge verschillen tussen het pand en de vergelijkingsobjecten. Tenslotte heeft de deskundige bij de taxatie via een “correctie” rekening gehouden met het feit dat de daadwerkelijke huuropbrengst lager was dan de door hem op basis van vergelijking vastgestelde huurwaarde. Ook dit onderdeel van de grief faalt.

Grief 2 van [appellant]

3.8.1.

Met grief 2 voert [appellant] aan dat de deskundige in het rapport ten onrechte is uitgegaan van 138 m2 verhuurbare vloeroppervlakte in het winkelgedeelte.

3.8.2.

De deskundige heeft hierover in het rapport het volgende opgemerkt:

“Door ons zijn in eerste instantie gehanteerd de maten, uitgaande van een tekening A4-formaat, zoals die aan ons verstrekt was. De door u (bedoeld is mr. Van der Put, advocaat van [geïntimeerde] , hof) aan ons ter hand gestelde tekening is duidelijker met maten die beter leesbaar zijn (zie bijlagen).

De door ons opgemeten oppervlakte ad 132 m2 dient gecorrigeerd te worden resulteert uiteindelijk in 138 m2 verhuurbaar oppervlak en wordt hierna in de uiteindelijke berekening van de waarde gecorrigeerd.”

3.8.3.

[appellant] voert specifiek aan dat de oppervlakte van het pand in werkelijkheid 130m2 bedraagt, zelfs inclusief de bovenruimte voor de winkelpui. De eerste deskundige heeft de oppervlakte in aanwezigheid van partijen gemeten en vastgesteld op 130 m2. De tekening waarop de deskundige [deskundige] zijn herziene berekening van de vloeroppervlakte baseert dateert uit 1996, nog voor de verbouwing van de winkeloppervlakte. Nadien zijn nog diverse veranderingen in het pand aangebracht. Alle relevante vloeroppervlakten per peildatum zijn ook nu nog na te meten, aldus [appellant] .

3.8.4.

Het hof stelt voorop dat de deskundige partijen in de gelegenheid heeft gesteld om opmerkingen te maken na het conceptrapport. In het eindrapport heeft de deskundige gereageerd op de gemaakte opmerkingen. Daarmee heeft de deskundige in beginsel aan zijn uit de opdracht voortvloeiende verplichting tot wederhoor voldaan.

Dat neemt niet weg dat [appellant] thans één van de voor de waardering van belang zijnde feiten (omvang van de verhuurbare vloeroppervlakte) gemotiveerd betwist. Hij kon dat feit niet eerder betwisten omdat de deskundige bij het conceptrapport nog van een kleinere oppervlakte is uitgegaan. Nu [appellant] tevens bewijs aanbiedt van het feit dat de verhuurbare vloeroppervlakte van het pand per peildatum geen 138 m2 bedroeg maar 130 m2, maximaal 132 m2 , zal het hof [appellant] toelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de door de deskundige berekende oppervlakte van 138 m2. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het weliswaar gaat om een verschil van slechts 6m2, maar dat dit verschil, gelet op de waarderingsmethode, leidt tot een substantiële wijziging van de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat.

3.8.5.

Ook omdat na bewijslevering niet valt uit te sluiten dat tevens de waardering moet worden aangepast, acht het hof het zinvol om in het kader van die bewijslevering een nadere opdracht te geven aan dezelfde deskundige, waarbij deze zich gemotiveerd uitlaat over de bezwaren van [appellant] ten aanzien van het door hem in het eindrapport gehanteerde aantal m2 en, indien mogelijk, een nieuwe meting in het bijzijn van partijen zal verrichten. Het hof is voornemens om de deskundige tevens te vragen om, indien de nadere gegevens met betrekking tot de verhuurbare vloeroppervlakte daartoe aanleiding geven, een enkel daarop aangepaste berekening te maken van de onderhandse verkoopwaarde in verhuurde staat. Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over de vraagstelling, de persoon van de deskundige(n) (waarbij het hof er voorshands van uitgaat dat [deskundige] zal worden benoemd) en het voorschot.

Grief 3 van [appellant]

3.9.

[appellant] stelt, zo begrijpt het hof uit de toelichting bij grief 3, dat de deskundige voor het bepalen van de huurwaarde van het winkelgedeelte enkel uit had moeten gaan van de huuropbrengst van het pand aan de [straatnaam 2][huisnummer 1] te [woonplaats 1] , omdat dit pand qua ligging, frontbreedte, uitstraling en verhuurbare oppervlakte zeer goed vergelijkbaar is met het pand [straatnaam 1][huisnummer 1] te [woonplaats 1] .

3.9.1.

Het hof verwerpt deze stelling. De deskundige heeft in het rapport gemotiveerd aangegeven waarom en op welke wijze de vergelijkingspanden in de waardering zijn betrokken. Daarmee heeft hij inzichtelijk en logisch aangegeven hoe de waardering tot stand is gekomen.

3.9.2.

Voorts voert [appellant] aan dat de deskundige ten onrechte de factor 16,5 heeft gebruikt om de huurwaarde te berekenen. In [woonplaats 1] lag die factor ten tijde van de peildatum op 12 tot 15, aldus [appellant] .

3.9.3.

De deskundige heeft in zijn rapport onderbouwd aangegeven waarom hij de factor 16,5 hanteerde. Voorts heeft de deskundige aangegeven dat de verkoopwaarde mede is bepaald aan de hand van de verkoopmarkt en de ervaring en intuïtie van de deskundige. Bovendien wijkt de door de deskundige gehanteerde factor van 16,5 slechts in beperkte mate af van de door [appellant] geraadpleegde deskundige die uitgaat van een factor van 16,1 (zie productie 6 bij antwoordconclusie na deskundigenbericht).

Het hof ziet derhalve geen reden om op dit punt de deskundige niet te volgen.

Grief 3 wordt verworpen.

Grief 4 en 5 van [appellant]

3.10.

Deze grieven zien op de proceskostenveroordeling. Het hof houdt de beslissing daarover aan in afwachting van de uitkomst van het deskundigenbericht/bewijslevering.

Grief 1 van [geïntimeerde]

3.11.1.

[geïntimeerde] voert -naar het hof begrijpt- aan dat met betrekking tot vergelijkingspand [straatnaam 2][huisnummer 1] ten onrechte een huurwaarde van € 450,-- per m2 in aanmerking is genomen. [geïntimeerde] voert met name aan dat de puibreedte geringer is dan die waarvan de deskundige is uitgegaan.

3.11.2

De deskundige heeft ten aanzien van de huurwaarde van dit pand het volgende overwogen:

De huuropbrengst van [straatnaam 2][huisnummer 1] heeft de door ons gecontroleerde oppervlakte van ± 130 m2 en € 433,64 per m2 geïndexeerde huur per peildatum, hetgeen naar de [straatnaam 1] huisnummer [huisnummer 1] een correctie behoeft met ± 10% naar beneden, hetgeen uitkomt op ± € 390,00 echter de stand is enigszins minder gelet op het feit dat de ligging aan het ons inziens grote markteffect van hoofdzakelijk horeca weer teniet wordt gedaan, zodat de huurwaarde ten opzichte van de [straatnaam 1] € 433,64 per m2 blijft.

De markthuur is op het tijdstip tot aan de peildatum echter nog enigszins harder gestegen dan de index, zodat uiteindelijk als volle vergelijking de € 450,00 als huurwaarde kan worden getaxeerd.

Nadat [geïntimeerde] naar aanleiding van het conceptrapport opmerkingen heeft gemaakt, ook over de puibreedte van [straatnaam 2][huisnummer 1] , heeft de deskundige in het eindrapport aangegeven:

Met betrekking tot [straatnaam 1][huisnummer 2] handhaaf ik evenals de vergelijking, [straatnaam 2][huisnummer 1] .

Ten aanzien van het front, de breedte van dit pand is hart op hart van de bouwmuur 6 m1 minus het trappenhuis dat uitkomt op ± 130 m1, hetgeen nagenoeg overeenkomt met het getaxeerde perceel.

3.11.3.

Naar het oordeel van het hof heeft de deskundige aldus voldoende inzichtelijk en deugdelijk aangegeven hoe de vergelijkingswaarde van het pand [straatnaam 2][huisnummer 1] tot stand is gekomen, waarbij hij uitdrukkelijk is ingegaan op de bezwaren van [geïntimeerde] ten aanzien van de puibreedte. De grief faalt.

Grief 2 van [geïntimeerde]

3.12.1.

[geïntimeerde] voert aan dat de deskundige de door hem gehanteerde uitgangspunten bij de waardebepaling niet afdoende onderbouwt.

[geïntimeerde] voert aan dat de deskundige bij de berekening van de verkoopwaarde van het woongedeelte ten onrechte is uitgegaan van een rendementspercentage van 5,75.

[geïntimeerde] heeft echter niet onderbouwd waarom in afwijking van het door de deskundige op basis van diens ervaring en intuïtie gehanteerde percentage, een ander percentage gehanteerd moet worden. De grief wordt derhalve in zoverre verworpen.

[geïntimeerde] voert voorts aan dat de deskundige van een hogere huur voor het woongedeelte had moeten uitgaan, dan de daadwerkelijke huur.

De deskundige heeft in dat kader het volgende overwogen:

(…) Hogere huren zonder dat het geheel aangepast zou zijn en zou voldoen aan de huidige eisen was gelet op de staat destijds ons inziens niet mogelijk. (…)

In samenhang met het winkeldeel was men verplicht dit deel mede te kopen en heeft men in het algemeen daar enigszins minder voor over dan voor het winkeldeel. De huren waren gelet op de gemelde afwerking en de staat van onderhoud ons inziens reëel en gelden dan ook voor de peildatum als maatstaf ter bepaling van de onderhandse verkoopwaarde en is gewaardeerd rekening houdend met alle factoren in verhuurde staat per peildatum.

3.12.2.

Hiermee heeft de deskundige gemotiveerd aangegeven waarom hij bij de waardering van het woongedeelte van de feitelijke huurprijs is uitgegaan. Het hof zal deze grief ook op dit punt verwerpen.

3.12.3.

Tenslotte voert [geïntimeerde] aan dat de huurprijs voor het winkelgedeelte moet worden vastgesteld op € 650,-- per m2 (het gemiddelde van de door [makelaardij] aangegeven boven- en ondergrens).

De deskundige heeft aangegeven dat de cijfers van [makelaardij] globaal zijn en dat zijn rapportage is geënt op de vergelijkingen, zoals in het rapport aangegeven.

Het hof heeft hiervoor al overwogen dat de vergelijkingsmethode van de deskundige begrijpelijk, inzichtelijk en logisch is. Dat de door de deskundige in aanmerking genomen huurwaarde per m2 afwijkt van door [makelaardij] gegeven algemene macro-cijfers is op zichzelf onvoldoende om de conclusies van de deskundige aan te tasten.

De grief wordt tenslotte ook op dit punt verworpen.

Eisvermeerdering [geïntimeerde]

3.13.

Bij het beroepen eindvonnis heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot betaling van € 154,000,--, vermeerderd met een rente van 4% over dat bedrag over de periode van 1 december 2007 tot en met 16 december 2009, een en ander conform de schadeberekening van [geïntimeerde] waarnaar in het petitum van de inleidende dagvaarding is verwezen.

In hoger beroep vordert [geïntimeerde] met ingang van 1 januari 2008 (zijnde de datum van de beoogde eigendomsoverdracht de wettelijke (handels)rente tot aan de dag der voldoening, en dat dan over de volgens hem juiste onderhandse verkoopwaarde van € 1.676.345,--, althans over de waarde die het hof zal vaststellen.

3.13.1

Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat de eisvermeerdering is toegelaten. De wettelijke handelsrente is niet van toepassing, nu geen sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in art. 6:119a BW. Indien en voor zover na bewijslevering mocht blijken dat [appellant] enig bedrag verschuldigd is ten titel van schadevergoeding, dan is de wettelijke rente ex art. 6:119 BW toewijsbaar. Als ingangsdatum zal het hof, overeenkomstig de stelling van [geïntimeerde] dat 1 januari 2008 als beoogde datum van eigendomsoverdracht heeft te gelden, die datum overnemen. Het had op de weg van [appellant] gelegen om gemotiveerd aan te geven dat eventuele schade aan de zijde van [geïntimeerde] later is ingetreden. Nu hij dat niet heeft gedaan, gaat de rechtbank ervan uit dat [geïntimeerde] eventuele schade als gevolg van het niet honoreren van zijn voorkeursrecht heeft geleden met ingang van 1 januari 2008.

3.14.

Het hof zal de zaak verwijzen naar de in de beslissing vermelde rolzitting teneinde partijen in de gelegenheid te stellen bij akte te reageren als in 3.8.5. is aangegeven.

3.15.

In afwachting daarvan zal iedere verdere beslissing in principaal en incidenteel appel worden aangehouden.

De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 6 januari 2015 ten einde beide partijen in de gelegenheid te stellen om bij akte te reageren als onder 3.8.5. bedoeld,

op het principaal en incidenteel hoger beroep

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M.A. de Groot-van Dijken, M.J.H.A. Venner-Lijten en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2014.