Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:494

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
HD 200.091.830
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:4061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

tussenarrest

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.091.830/01

arrest van 25 februari 2014

in de zaak van

[Houthandel] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. C.G.A. Mattheussens te Roosendaal,

tegen

[geïntimeerde], h.o.d.n. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats] (Frankrijk),

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 6 augustus 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda onder zaaknummer 220019/HA ZA 10-1030 gewezen vonnissen van 4 augustus 2010 en 23 maart 2011.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 6 augustus 2013;

- het proces-verbaal van de enquête en de contra-enquête van 21 oktober 2013;

- de memorie na enquête van [Houthandel] met producties;

- de antwoordmemorie na enquête van [geïntimeerde] met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [Houthandel] opgedragen te bewijzen dat zij op 5 november 2008 en/of op 12 november 2008 bij [geïntimeerde] heeft geklaagd (in de zin van artikel 39 CISG) over het feit dat [geïntimeerde] niet de kwaliteit(en) 27 mm-planken heeft geleverd die partijen zijn overeengekomen.

7.2.

[Houthandel] heeft in enquête vier getuigen voorgebracht, te weten [medewerker 1] (hierna: [medewerker 1] [Houthandel]), voormalig directeur van [Houthandel], [medewerker 2] (hierna: [medewerker 2]), directeur van [Houthandel], [medewerker 3] (hierna: [medewerker 3]), directeur van [Houthandel] en [medewerker 4] (hierna: [medewerker 4]), voormalig werknemer van [Houthandel].

[geïntimeerde] heeft in contra-enquête zichzelf doen horen.

7.3.

[geïntimeerde] heeft bij memorie na enquête producties in het geding gebracht waarop [Houthandel] niet meer heeft kunnen reageren. Het hof acht het met het oog op een goede procesorde van belang dat [Houthandel] alsnog op die producties zal reageren. Alvorens [Houthandel] daartoe in de gelegenheid te stellen dient [geïntimeerde] eerst de originele handgeschreven verklaringen, voorzien van de uitgetikte tekst in het Frans en een beëdigde vertaling in het Nederlands, ter griffie te deponeren.

7.4.

[Houthandel] heeft nagelaten zich in haar memorie na enquête uit te laten over de onduidelijkheden die het hof in het tussenarrest heeft gesignaleerd met betrekking tot haar vorderingen (zie 4.5. en 4.6.3.).

Verder hebben beide partijen nagelaten zich uit te laten over (een) eventueel door het hof in een later stadium te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen (4.6.3.).

7.5.

[Houthandel] wordt in de gelegenheid gesteld een nadere memorie te nemen met – uitsluitend – de in 7.3. en 7.4. omschreven doelen. [geïntimeerde] wordt nadien in de gelegenheid gesteld een antwoordmemorie te nemen met – uitsluitend – het in 7.4. omschreven doel.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat [geïntimeerde] de originele handgeschreven verklaringen van [getuige 1] (directeur Merranderie des Vosgues), [getuige 2] (accountant), [getuige 3] (advocaat), [getuige 4] (zoon van [geïntimeerde]) en [getuige 5] (in kopie overgelegd als prod. 6 bij antwoordmemorie na enquête), alle voorzien van de uitgetikte tekst in het Frans en een beëdigde vertaling in het Nederlands, uiterlijk op 25 maart 2014 ter griffie dient te deponeren onder toezending van een afschrift van deze stukken aan de advocaat van [Houthandel];

verwijst de zaak naar de rol van 22 april 2014 voor nadere memorie aan de zijde van [Houthandel];

bepaalt dat [geïntimeerde], nadat de nadere memorie is genomen, in de gelegenheid zal worden gesteld om een nadere antwoordmemorie te nemen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.G.W.M. Stienissen en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op

25 februari 2014.