Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4868

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
F 200.153.642_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing

Ondertoezichtstelling

De vader zonder gezag is in een procedure tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van een minderjarige geen belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. De vader is niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 798
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 20 november 2014

Zaaknummer : HV 200.153.642/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/279962 / JE RK 14/920

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader],

wonende te[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.S. Krol,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven en tevens kantoorhoudende te Eindhoven,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder).

Als betrokkene in de zin van artikel 810 Rv kan worden aangemerkt:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2014, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling af te wijzen en subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren. Het hof begrijpt het petitum van de vader aldus dat de vader eveneens verzoekt het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing af te wijzen en subsidiair niet-ontvankelijk te verklaren.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 augustus 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting 1] en mevrouw [vertegenwoordiger stichting 2];

- de moeder, bijgestaan door mr. N. Vinke.

2.3.1.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.3.2.

De vader en diens advocaat zijn, met bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het V2-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 15 september 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de vader op 29 oktober 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – geboren:

- [de zoon] (hierna: [de zoon]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (België).

De moeder en de vader zijn na de echtscheiding aanvankelijk gezamenlijk het ouderlijk gezag over [de zoon] blijven uitoefenen.

3.2.

[de zoon] staat sinds 6 augustus 2012 onder toezicht van de stichting.

3.3.

Bij beschikking van 1 juli 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd en de moeder voortaan alleen belast met het gezag over [de zoon].

3.4.

[de zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 26 juli 2013 uit huis geplaatst in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs.

Hij verblijft sedert 26 augustus 2013 op de behandelgroep De Widdonck van de Combinatie.

3.5.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de zoon] met ingang van 6 augustus 2014 verlengd voor de duur van één jaar alsmede de aan de stichting verleende machtiging om [de zoon] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 6 augustus 2014 verlengd tot uiterlijk 6 februari 2015.

3.6.

De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.

Nu de vader niet (langer) belast is met het ouderlijk gezag over [de zoon], heeft het hof alle partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling in hoger beroep bericht dat tijdens deze mondelinge behandeling slechts de ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep zal worden behandeld.

3.8.

De vader heeft met betrekking tot zijn ontvankelijkheid in het door hem ingestelde hoger beroep – kort samengevat – het volgende standpunt ingenomen.

De vader is belanghebbende nu hij door de rechtbank als zodanig is aangemerkt.

De vader voert verder aan dat een ouder op grond van artikel 1:254 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) om een ondertoezichtstelling kan verzoeken en in dit artikel niet expliciet staat vermeld dat deze ouder een gezaghebbende ouder dient te zijn. Nu de vader als ouder van de minderjarige bevoegd is zelf een ondertoezichtstelling te verzoeken, is hij ook gerechtigd zich, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, te verweren tegen een dergelijk verzoek van een (andere) op grond van artikel 1:254 lid 4 BW bevoegde persoon of instelling. De vader verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:5710) waarin het hof conform het vorenstaande heeft beslist.

3.9.

De moeder heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep. De moeder kan zich verenigen met de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de zoon].

3.10.

De stichting heeft zich ter zitting in hoger beroep bij het standpunt van de moeder – omtrent de niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn hoger beroep – aangesloten.

3.11.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van de verlenging van de ondertoezichtstelling:

3.11.1.

De vader stelt dat hij ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep en verwijst daarbij naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2014:5710). Nadien heeft de Hoge Raad op 12 september 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2665) in een andere procedure van het hof 's-Hertogenbosch antwoord gegeven op de navolgende door het hof gestelde prejudiciële vraag: “Dient in een procedure tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling de ouder zonder gezag, indien het verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling niet van hem/haar afkomstig is, als belanghebbende te worden aangemerkt?”

3.11.2.

De Hoge Raad heeft op 12 september 2014 deze vraag ontkennend beantwoord en, voor zover ten deze relevant, het volgende overwogen:

“3.3.4. De ondertoezichtstelling van minderjarigen is geregeld in de vierde afdeling van titel 14 van Boek 1 BW, welke titel ziet op het gezag over minderjarige kinderen. Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van de ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (art.1:247 lid 1 BW). De maatregel van ondertoezichtstelling beperkt het gezag. De met het toezicht belaste stichting kan ter uitvoering van haar taak zo nodig schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen (art. 1:258 BW). Dergelijke aanwijzingen kunnen op verzoek van de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder vervallen worden verklaard (art. 1:259 lid 1 BW). Het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden gedaan door een ouder, een ander die de minderjarige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, de Raad voor de Kinderbescherming of het openbaar ministerie (art. 1:254 lid 4 BW). Zij die bevoegd zijn tot het indienen van een verzoek tot ondertoezichtstelling zijn tevens bevoegd tot het indienen van een verzoek tot verlenging van die maatregel; voorts komt de bevoegdheid om verlenging te verzoeken toe aan de met het toezicht belaste stichting (art. 1:256 lid 2 BW).

De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling opheffen indien de grond daarvoor niet langer bestaat. Het verzoek tot opheffing kan worden gedaan door de stichting die met het toezicht is belast, de met het gezag belaste ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder (art. 1:256 lid 4 BW).

3.3.5.

Uit het voorgaande volgt dat de maatregel van ondertoezichtstelling ingrijpt in de rechtsbetrekking tussen de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige en aldus rechtstreeks betrekking heeft op de uit het ouderlijk gezag voortvloeiende rechten en verplichtingen. De rechten en verplichtingen van de niet met het gezag beklede ouder worden daardoor niet rechtstreeks geraakt in de zin van art. 798 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Hiermee strookt dat, wanneer een ondertoezichtstelling eenmaal van kracht is geworden, slechts de met het gezag beklede ouder(s) en de minderjarige zelf (mits twaalf jaar of ouder) tegen de door de met het toezicht belaste stichting gegeven aanwijzingen kunnen opkomen en – naast de stichting – om opheffing van de maatregel kunnen vragen en dus niet de niet met het gezag beklede ouder. Aan dat laatste ligt blijkens de parlementaire geschiedenis de gedachte ten grondslag dat het niet wenselijk is dat een beperking van het gezag van de ouder, die zowel door de ouder die de beperking moet dulden als door de stichting die met het toezicht is belast wordt aanvaard respectievelijk gewenst, op verzoek van een niet met het gezag belaste derde zou kunnen worden opgeheven (Kamerstukken II 1992-1993, 23 003, nr. 3, p. 33).

3.3.6.

Gelet hierop kan de niet met het gezag beklede ouder in het kader van een ondertoezichtstelling niet worden beschouwd als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1 Rv en dus evenmin als belanghebbende in de zin van art. 806 lid 1 Rv. Hem komt daarom niet uit dien hoofde de bevoegdheid toe hoger beroep in te stellen van een beslissing tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling. De omstandigheid dat de wetgever aan de niet met gezag beklede ouder wel de bevoegdheid heeft toegekend een (verlenging van de) ondertoezichtstelling – een beperking van het gezag van de andere ouder – te verzoeken doet daaraan niet af. In dit verband is van belang dat de wetgever een onderscheid heeft gemaakt tussen diegenen die een verzoek kunnen doen en degenen die als belanghebbenden worden beschouwd”.

3.11.3.

In lijn met voornoemde beslissing van de Hoge Raad is het hof van oordeel dat de vader, nu hij geen gezagdragende ouder van [de zoon] (meer) is, voor wat betreft de verlenging van de ondertoezichtstelling van [de zoon] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv.

Ten aanzien van de verlenging van de uithuisplaatsing:

3.11.4.

Voor zover de vader mede heeft beoogd hoger beroep in te stellen tegen de verlenging van de uithuisplaatsing van [de zoon] overweegt het hof dat uit de uitspraak van de Hoge Raad van 21 mei 2010, LJN BL7043 volgt dat als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv in een procedure tot verlenging van een machtiging uithuisplaatsing naast de instellingen en organen die ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW de uithuisplaatsing van een minderjarige kunnen verzoeken , ingevolge artikel 1:263 lid 2 BW slechts kunnen worden aangemerkt de met gezag belaste ouder(s) en een ander die het minderjarige kind als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt en het kind zelf, mits dit kind twaalf jaar of ouder. Vast staat dat de vader na de echtscheiding [de zoon] niet langer meer heeft verzorgd en opgevoed als een kind behorende tot zijn gezin en inmiddels ook niet meer met het ouderlijk gezag is belast. Het hof is derhalve van oordeel dat de vader, voor wat betreft de verlenging van de uithuisplaatsing van [de zoon], evenmin als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv kan worden aangemerkt.

3.12.

Nu de vader niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 798 Rv lid 1 zal het hof de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep. Hetgeen de vader in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het hof merkt daarbij nog op dat, anders dan de vader stelt, hij in de procedure bij de rechtbank evenmin als belanghebbende in de zin artikel 798 lid 1 Rv is aangemerkt, nu uit de bestreden beschikking volgt dat de vader door de rechtbank als informant is aangemerkt.

4 De beslissing

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 1 augustus 2014.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, C.A.R.M. van Leuven en C.E.M. Renckens en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.