Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4866

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
20-003471-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:387, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Art. 8 WVW 1994. In strijd met artikel 21 van het Besluit alcoholonderzoeken kan een verdachte op grond van artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek een laboratorium aanwijzen uit een lijst van slechts twee door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende laboratoria. Dat leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en evenmin tot vrijspraak.

Volgt veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 dagen en een rijontzegging voor de duur van 18 maanden.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/50
JWR 2015/8 met annotatie van C.J. van Eekelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003471-13

Uitspraak : 21 november 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2013 in de strafzaak met parketnummer
96-066699-11 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van “Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994” werd veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen van

18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

De verdediging heeft bepleit:

  • -

    primair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging;

  • -

    subsidiair dat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde;

  • -

    meer subsidiair dat de geëiste ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen te hoog is;

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 februari 2011 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 3,7 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs op of na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging, omdat er sprake is van een doelbewuste schending en grove veronachtzaming van de belangen van verdachte en voorts omdat de beginselen van een behoorlijke procesorde zijn geschonden. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de officier van justitie bewust in strijd met het Besluit alcoholonderzoeken – in welke regeling wordt voorgeschreven dat de verdachte de mogelijkheid moet hebben om te kiezen uit ten minste drie laboratoria voor tegenonderzoek – en de Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed heeft gehandeld door verdachte een keuzemogelijkheid uit slechts twee laboratoria te geven voor het tegenonderzoek;

  • -

    door de officier van justitie de verwachtingen die door de overheid in wet- en regelgeving en de Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed zijn gewekt, niet zijn nageleefd.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

A.2.1

Artikel 21, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken luidde tot 1 januari 2013 als volgt:

“De verdachte kan de officier van justitie de wens kenbaar maken dat een tegenonderzoek naar het alcoholgehalte van bloed of urine wordt verricht. Hij kan hiertoe een laboratorium aanwijzen uit een lijst van ten minste drie door Onze Minister van Justitie erkende laboratoria.”

A.2.2

Met ingang van 1 januari 2013 luidt artikel 21, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken als volgt:

“De verdachte kan de officier van justitie de wens kenbaar maken dat een tegenonderzoek naar het alcoholgehalte van bloed of urine wordt verricht. Hij kan hiertoe een laboratorium aanwijzen uit een lijst van ten minste drie door Onze Minister van Veiligheid en Justitie erkende laboratoria.”

A.2.3

Artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek luidde tot 1 mei 2011 als volgt:

“1. De verdachte, die de wens kenbaar heeft gemaakt dat een tegenonderzoek wordt verricht, kan, behoudens het bepaalde in artikel 11, hiertoe een van de volgende laboratoria aanwijzen:

a. het Laboratorium van de Apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, te Amsterdam;

b. het Laboratorium der Apotheek, Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt, te Rotterdam;

c. het Laboratorium der Apotheek, Academisch Ziekenhuis Groningen te Groningen.”

A.2.4

Met ingang van 1 mei 2011 luidt artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek als volgt:

“1. De verdachte, die de wens kenbaar heeft gemaakt dat een tegenonderzoek wordt verricht, kan, behoudens het bepaalde in artikel 11, hiertoe een van de volgende laboratoria aanwijzen:

a. het Laboratorium van de Apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, te Amsterdam;

b. het Laboratorium der Apotheek, Academisch Ziekenhuis Groningen te Groningen.”

A.2.5

Artikel 12 van de Regeling bloed- en urineonderzoek is per 1 mei 2011 gewijzigd bij regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 16 maart 2011, nr. 5689991/11, tot wijziging van de Regeling bloed- en urineonderzoek in verband met een verandering in de aan te wijzen laboratoria voor tegenonderzoek. De toelichting bij deze regeling houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“Artikel 21, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken bepaalt dat de verdachte de officier van justitie de wens kenbaar kan maken dat een tegenonderzoek naar het alcoholgehalte van bloed of urine wordt verricht en dat hij daartoe een laboratorium kan aanwijzen uit een lijst van ten minste drie door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende laboratoria. Deze laboratoria zijn genoemd in artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek. Eén van deze laboratoria betreft het Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzigt in Rotterdam, thans Erasmus Medisch Centrum geheten. Het Erasmus Medisch Centrum heeft mij aangegeven dat het zijn aangewezen laboratorium niet langer meer als laboratorium voor het tegenonderzoek wil laten fungeren en mij daarom verzocht dit laboratorium uit artikel 12, eerste lid, te schrappen. De reden van dit verzoek is dat het laboratorium jaarlijks slechts een gering aantal aanvragen van tegenonderzoeken ontvangt en het een (te) forse investering vergt om een goede kwaliteit te kunnen blijven leveren.

Bij de afweging van het verzoek van Erasmus Medisch Centrum heb ik betrokken dat artikel 21, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken voorschrijft dat de verdachte moet kunnen kiezen uit ten minste drie erkende laboratoria voor tegenonderzoek. Indien het laboratorium van dit ziekenhuis zou wegvallen, zouden er nog maar twee laboratoria resteren voor tegenonderzoek en zou dus niet worden voldaan aan het vereiste uit dat artikellid. In de nota van toelichting bij het Besluit alcoholonderzoeken zijn, evenals in de nota van toelichting bij de voorganger dat besluit, het Bloedproefbesluit (Stb, 1974, 596), geen argumenten gegeven voor de minimumeis van drie laboratoria. De achtergrond van het stellen van die eis is vermoedelijk geweest dat de verdachte voldoende mogelijkheden dient te hebben om een tegenonderzoek te laten verrichten. Uit informatie van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat in 2010 maar 15 tegenonderzoeken zijn aangevraagd en dat dit een normaal aantal is. Gelet hierop kan het standpunt worden verdedigd dat met twee laboratoria voldoende gewaarborgd is dat de verdachte een tegenonderzoek kan laten doen. Daarom heb ik besloten om bij deze regeling, vooruitlopend op de aanpassing van artikel 21, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken, aan de wens van het Erasmus Medisch Centrum te voldoen en het aangewezen laboratorium van dit ziekenhuis uit artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek te schrappen. Bij het nemen van mijn beslissing heeft tevens een rol gespeeld dat het verwijderen van het laboratorium van de lijst van aangewezen laboratoria duidelijkheid voor de verdachte schept. De verdachte weet dat hij met zijn verzoek om tegenonderzoek niet langer bij dit laboratorium terecht kan. Het schrappen van dit laboratorium heeft bovendien voor de resterende twee laboratoria het voordeel dat zij meer tegenonderzoeken kunnen verwerken en aldus meer expertise kunnen opbouwen hetgeen weer in het belang van de verdachte is.”1

A.2.6

De Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed houdt met ingang van 1 juni 2011 – voor zover hier van belang – het volgende in:

“2.3. Tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek

Het Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek kent de verdachte het recht toe een tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek te laten verrichten na het onderzoek door het NFI bij een van de drie daartoe aangewezen laboratoria (zie bijlage 4). (…) Het NFI bewaart voor dit doel, conform de bepalingen, gedurende één jaar (te rekenen vanaf de datum bloedafname of het verzamelen van de urine) het bloed- of urinemonster. De wens tot het laten verrichten van een tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek dient dus binnen dat jaar kenbaar te worden gemaakt.

De praktische uitvoering van de organisatie rond het tegenonderzoek is niet tot in detail wettelijk geregeld, maar wordt overgelaten aan de afdeling Toxicologie van het NFI. Deze afdeling heeft de onderstaande procedure opgesteld:

a. De verdachte of diens raadsman geeft de betreffende officier van justitie kennis van de wens een tegenonderzoek te laten uitvoeren. De officier van justitie deelt de verdachte schriftelijk mede welke laboratoria zijn aangewezen om tegenonderzoek uit te voeren. De verdachte of diens raadsman deelt aan de officier van justitie schriftelijk mede welk laboratorium hij heeft gekozen. De verdachte of diens raadsman neemt tevens contact op met het uitgekozen laboratorium.

(…)

BIJLAGE 4

Laboratoria

Laboratorium der Apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis

1e Oosterparkstraat 179

1091 HA Amsterdam-Oost

Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen

Oostersingel 59

Postbus 30001

9700 RB Groningen”2

A.3

Het hof stelt met de politierechter, de advocaat-generaal en de verdediging vast dat in strijd met artikel 21 van het Besluit alcoholonderzoeken een verdachte thans op grond van artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek een laboratorium kan aanwijzen uit een lijst van slechts twee door de Minister van Veiligheid en Justitie erkende laboratoria. Daaraan kan niet afdoen hetgeen de minister in de toelichting bij de regeling van 16 maart 2011 dienaangaande heeft opgemerkt.

Blijkens zich in het dossier bevindende e-mailberichten heeft de officier van justitie overeenkomstig artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek de verdediging de mogelijkheid geboden het laboratorium van de apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam, dan wel het laboratorium van de apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen aan te wijzen voor het verrichten van het tegenonderzoek.

Er kan bezwaarlijk staande gehouden worden dat dit handelen van de officier van justitie zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Daarvoor is immers alleen plaats ingeval met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Zulks is uit het onderzoek ter terechtzitting geenszins aannemelijk geworden.

A.4

Uit de inhoud van het procesdossier blijkt dat de verdediging eerst ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 augustus 2012 heeft kenbaar gemaakt dat zij wenste dat een tegenonderzoek werd verricht. Artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek hield toen reeds in dat een verdachte het laboratorium van de apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam dan wel het laboratorium van de apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen kon aanwijzen. Gelet daarop kon de wet- en regelgeving bij verdachte niet het gerechtvaardigde vertrouwen opwekken dat hij een laboratorium kon aanwijzen uit een lijst van drie laboratoria.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat paragraaf 2.3 van de Aanwijzing onderzoek rijden onder invloed inhoudt dat “[h]et Besluit Alcoholonderzoeken en de Regeling bloed- en urineonderzoek (…) de verdachte het recht toe [kent] een tegenonderzoek bij bloed- en urineonderzoek te laten verrichten na het onderzoek door het NFI bij een van de drie daartoe aangewezen laboratoria (zie bijlage 4)”. Immers, bijlage 4 bij de Aanwijzing noemt enkel het Laboratorium van de Apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam en het Laboratorium der Apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen.

A.5

Naar ’s-hofs oordeel kunnen op grond van het bovenoverwogene de stellingen van de verdediging op zich, noch in samenhang met elkaar bezien, leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Evenmin zijn overigens gronden daartoe aannemelijk geworden.

Bijgevolg wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

Het bewijs 3

1. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 februari 2011, omstreeks 23.05 uur, kregen wij de melding dat er een bestuurder van een personenauto achter een andere personenauto aanreed en dat die personenauto tegen het verkeer op de Sint Teunislaan, gelegen in ’s-Hertogenbosch, reed. De personenauto welke tegen het verkeer reed was voorzien van het kenteken [kenteken].

De meldkamer gaf ons vervolgens door dat de personenauto voorzien van het kenteken
[kenteken] over de Sint Teunislaan reed en rechtsaf het Wielsem opreed. Hierna reed de personenauto volgens de melder, die er nog steeds achter reed, vanuit het Wielsem rechtsaf de Bokkelaren op.

Op 27 februari 2011, omstreeks 23.10 uur, kwamen wij ook net aan op de Bokkelaren en zagen vlak voor ons een tweetal auto’s stil staan op de weg.

Wij zagen uit de bestuurderszijde van de personenauto, voorzien van het kenteken
[kenteken], een donkere manspersoon uitstappen. De donkere manspersoon zat op dat moment alleen in de personenauto. De donkere manspersoon bleek later te zijn genaamd:

[verdachte]

Geboren [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats]

Woonachtig [adres] te [woonplaats]

Wij zagen dat [verdachte] onvast ter been was, bloed doorlopen ogen had, met dubbele tong sprak en dat zijn adem riekte naar het inwendig gebruik van alcohol.

Ik, verbalisant [verbalisant 2], besloot [verdachte] te onderwerpen aan een blaastest. Ik vorderde dat [verdachte] medewerking moest verlenen aan een blaastest en daarbij mee moest werken. Ik nam bij [verdachte] een blaastest af door middel van het blaasapparaat wat ons is toegekend. Wij zagen dat [verdachte] daar geen goed gevolg aan gaf en blies daarbij meerdere malen langs het blaasapparaat heen waardoor er geen uitslag kwam. Wij hebben [verdachte] meerdere malen uitgelegd hoe de blaastest in zijn werking ging maar hij gaf daar meerdere malen geen goed gevolg aan. Verdachte [verdachte] heeft in totaal een vijftal keer geprobeerd te blazen maar met geen goed gevolg waardoor geen resultaat vastgesteld kon worden.

Hierop hebben wij verdachte [verdachte] aangehouden omdat hij werd verdacht van het rijden onder invloed, artikel 8 van de Wegenverkeerswet.

De verdachte is hierop overgebracht naar het bureau van politie te ’s-Hertogenbosch waar hij is voorgeleid aan een hulpofficier van justitie.

Na de voorgeleiding heeft collega [verbalisant 3] de verdachte bevolen medewerking te verlenen aan een ademanalyse middels een ademanalyse apparaat. Collega [verbalisant 3] heeft hierop de verdachte [verdachte] meerdere malen uitgelegd hoe een ademanalyse in zijn werk gaat. Wij zagen dat collega [verbalisant 3] de verdachte een achttal keer heeft laten blazen waarbij bij elke poging de verdachte geen goed resultaat kon blazen waardoor er later geen resultaat uitkwam.

Op 28 februari 2011, omstreeks 01.05 uur, heeft de [GGD-arts] bloed afgenomen van de verdachte [verdachte], middels het bloedblok.4

2. Het proces-verbaal misdrijf, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Verdachte

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedag] 1977

Geboorteplaats/land : [geboorteplaats]

Adres : [adres]

Postcode plaats : [woonplaats]

Op 27 februari 2011 te 23.48 uur heeft de verdachte zich onder leiding van mij, verbalisant [verbalisant 3], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit alcoholonderzoeken, onderwerpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Er werd gebruik gemaakt van een ademanalyse apparaat dat ingevolge het Besluit alcoholonderzoeken is aangewezen door de Minister van Justitie. Ik verklaar dat is voldaan aan het bij dit apparaat behorende gebruikersvoorschrift. De verklaring van goedkeuring behorende bij dit apparaat is geldig tot 22 juni 2011.

Dit heeft, ondanks verdachtes medewerking, niet geleid tot een voltooid onderzoek doordat de verdachte ten gevolge van zijn lichamelijke conditie niet in staat was naar behoren te blazen. Ik zag dat de verdachte bij elke poging te kort blies waardoor er te weinig lucht in het apparaat komt om een goede meting te kunnen doen. Tevens zag ik dat de verdachte meerdere malen tijdens het blazen zijn tong uit zijn mond deed waardoor er geen lucht in het apparaat geblazen kon worden. Verder zag ik dat de verdachte zodanig onder invloed was van alcohol dat de verdachte mijn aanwijzingen niet tot zich nam en deze niet opvolgde.

Ik, verbalisant [verbalisant 1], heb de verdachte gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming.

Op 28 februari 2011 te 01.05 uur heeft de arts,[GGD-arts], in aanwezigheid van mij, verbalisant [verbalisant 1], de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Ik heb het bloedmonster gewaarmerkt en verpakt, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde identiteitszegel met het nummer TAAB2011NL. Ik heb mij ervan vergewist dat het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloed- en urineonderzoek verzonden is naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag.

De verdachte was in het bezit van een op zijn naam staand Nederlands rijbewijs AM en B, afgegeven op 26 november 2008, door de burgemeester van de gemeente ’s-Hertogenbosch, behaald op 26 november 2008.5

3. Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 februari 2011 is verdachte [verdachte] aangehouden in verband met rijden onder invloed. Ik zag toen ik ter plaatse kwam op de Bokkelaren te ’s-Hertogenbosch dat de auto van de verdachte reeds stil stond. Ik zag dat op dat moment dat ik aan kwam rijden, de verdachte uit zijn personenauto stapte. De verdachte stapte uit aan de bestuurderszijde. Ik zag verder dat er niemand anders in het voertuig van de verdachte zat en dat er niemand in de directe omgeving aanwezig was.

Ik zag dat de bestuurder een manspersoon was met een negroïde uiterlijk. Ik heb vervolgens de melding terug gelezen en de melder heeft doorgegeven aan de meldkamer dat er in het voertuig wat over de weg slingerde en tegen het verkeer reed, een mannelijk persoon zat met een negroïde uiterlijk. De verdachte voldeed volledig aan deze omschrijving die de melder doorgaf aan de meldkamer.6

4. Het rapport Alcohol in het verkeer van het Nederlands Forensisch Instituut, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Naam bloedgever [verdachte], geb. datum: [geboortedag]

Op 2 maart 2011 werd op het NFI ontvangen een bloedblok voorzien van het SIN TAAB2010NL. Het buisje bestemd voor analyse werd voorzien van het SIN TAAB2011NL.

De bepaling van het alcoholgehalte in het bloed geschiedde door twee onafhankelijk van elkaar werkende analisten volgens de ADH methode. Het resultaat van de analyse bedroeg, na aftrek van de wettelijk voorgeschreven correctie, 3,70 milligram ethanol per milliliter bloed.7

5. Het proces-verbaal invordering rijbewijs beginnend bestuurder, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 februari 2011 is van betrokken bestuurder, genaamd:

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedag] 1977

Geboorteplaats/land : [geboorteplaats]

Adres : [adres]

Postcode plaats : [woonplaats]

ingevorderd het op zijn naam staand rijbewijs:

Datum eerste aangifte : 26 november 2008

Categorie : B8

6. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 23 augustus 2012, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 27 februari 2011 heb ik in een personenauto gereden. Ik reed in de personenauto met het kenteken [kenteken]. Toen de politieauto voor mijn auto stopte ben ik uitgestapt en naar ze toegelopen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

B.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

C.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, aangezien in deze kwestie geen sprake is van een onderzoek in de zin van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 vanwege nalatigheid van de minister en de officier van justitie om het Besluit alcoholonderzoeken op juiste wijze toe te passen. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  • -

    de verdediging herhaaldelijk en tijdig aangegeven heeft dat tegenonderzoek gewenst is;

  • -

    de wijziging van artikel 12, eerste lid, van de Regeling bloed- en urineonderzoek door de minister in strijd is met artikel 21 van het Besluit alcoholonderzoeken;

  • -

    de officier van justitie de verdediging in strijd met artikel 21 van het Besluit alcoholonderzoeken een keuzemogelijkheid uit slechts twee laboratoria heeft gegeven.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Ingevolge artikel 21, eerste lid, eerste volzin, van het Besluit alcoholonderzoeken kan de verdachte de officier van justitie de wens kenbaar maken dat een tegenonderzoek naar het alcoholgehalte van bloed wordt verricht. Het aldus toegekende recht om een tegenonderzoek te doen verrichten moet worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte heeft omringd.

De enkele omstandigheid dat verdachte ten gevolge van een verzuim van de wetgever niet overeenkomstig artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van het Besluit een laboratorium kan aanwijzen uit een lijst van ten minste drie laboratoria brengt naar het oordeel van het hof niet met zich dat geen sprake is geweest van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. Immers, dat enkele verzuim staat niet eraan in de weg dat het met artikel 21 van het Besluit beoogde doel wordt bereikt.

C.3

Uit de omstandigheid dat het recht om een tegenonderzoek te doen verrichten moet worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de wetgever het onderzoek ter bepaling van het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte heeft omringd, volgt dat, indien een verdachte overeenkomstig artikel 21 van het Besluit te kennen heeft gegeven van dat recht gebruik te willen maken, het onderzoek van diens bloed in beginsel niet kan gelden als een 'onderzoek' in de zin van artikel 8, derde lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, indien een zodanig tegenonderzoek niet is verricht. Dit is slechts anders indien deze kennisgeving meer dan een jaar na de datum van de bloedafname is gedaan, de verdachte alsnog blijk heeft gegeven van gebruikmaking van genoemd recht op een tegenonderzoek af te zien, dan wel het aan zichzelf te wijten heeft dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgehad.

C.4

Uit het dossier blijkt hieromtrent onder meer het volgende.

De officier van justitie, mr. J.M. Kramer, heeft bij e-mailbericht van 12 juni 2013 de raadsman bericht dat hij een keuze kan maken uit twee laboratoria, te weten: het laboratorium der apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam en het laboratorium der apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen.

De raadsman heeft de officier van justitie bij e-mailbericht van 17 juni 2013 bericht dat hij namens verdachte het laboratorium der apotheek, Academisch Ziekenhuis Rotterdam-Dijkzicht aanwijst.

De officier van justitie heeft bij e-mailbericht van 21 juni 2013 de raadsman verzocht binnen twee weken aan te geven bij welk laboratorium het onderzoek wil laten verrichten, het laboratorium der apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam of het laboratorium der apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen.

De raadsman heeft de officier van justitie bij e-mailbericht van 2 juli 2013 naar aanleiding van het e-mailbericht van 21 juni 2013 verzocht de zaak zo spoedig mogelijk te appointeren.

C.5

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte:

  • -

    vanwege levensbeschouwelijke redenen ernstige bezwaren heeft tegen het laboratorium der apotheek van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis te Amsterdam, vanwege de katholieke oorsprong van het laboratorium;

  • -

    ernstige bezwaren heeft tegen het laboratorium der apotheek van het Academisch Ziekenhuis Groningen vanwege de grote hoeveelheid klachten en ernstige misstanden die onder andere zijn vastgesteld door de Nationale ombudsman.

C.6

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat de door de verdachte opgegeven bezwaren tegen voornoemde laboratoria van dusdanige aard waren, dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden dat hij een van deze laboratoria zou aanwijzen voor het tegenonderzoek. Nu de verdediging een laboratorium heeft aangewezen dat niet meer als zodanig door de Minister was aangewezen en dat, gelet op het hiervoor onder A.2.5 weergegeven, het Erasmus Medisch Centrum geacht kan worden niet meer in staat te zijn het tegenonderzoek te verrichten, is het hof van oordeel dat verdachte het aan zichzelf te wijten heeft dat het tegenonderzoek niet heeft plaatsgehad. Het hof is dan ook van oordeel dat het onderzoek van verdachtes bloed geldt als een onderzoek in de zin van artikel 8, derde lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

C.7

Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende.

Uit het dossier blijkt onder meer het volgende:

  1. De bloedafname van verdachte heeft plaatsgevonden op 28 februari 2011;

  2. De brief d.d. 13 juni 2011 van de raadsman aan het CVOM houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:
    “Cliënt wenst mogelijk een tegenonderzoek te laten verrichten. Ik verzoek u mij te informeren omtrent de kosten van een dergelijk tegenonderzoek, waarna ik aan u kenbaar zal maken of het tegenonderzoek door de verdediging gewenst is.”

  3. De brief d.d. 15 december 2011 van de raadsman aan het CVOM houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:
    “[verdachte] heeft er belang bij dat wordt vastgesteld of het betreffende bloedmonster wel van hem afkomstig is. Wellicht kan als eerste onderzoek volstaan de vaststelling welke bloedgroep en rhesusfactor voor het bloedmonster van toepassing zijn. Ik verzoek u om het NFI deze vraag voor te leggen. Indien komt vast te staan dat bloedgroep en rhesusfactor in het bloedmonster wel overeenstemmen met die van [verdachte], zal aanvullend onderzoek naar het DNA in het bloed moeten worden gedaan.”

  4. De brief d.d. 13 januari 2012 van de raadsman aan het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank ’s-Hertogenbosch houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:
    “Ik verzoek u om een onderzoek te verrichten naar het afgenomen bloedmonster en de daarbij behorende uitslag. Het is hierbij van belang dat er onderzocht wordt of het bloedmonster daadwerkelijk afkomstig is van cliënt. Daarnaast wordt de juistheid van de uitslag van het bloedonderzoek betwist.”

  5. De brief d.d. 19 juni 2012 van de raadsman aan het kabinet van de rechter-commissaris in de rechtbank ’s-Hertogenbosch houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:
    “Cliënt heeft er belang bij dat wordt vastgesteld of het betreffende bloedmonster wel van hem afkomstig is. Wellicht kan als eerste worden onderzocht of het bloedmonster is verwisseld. In dit kader verzoekt cliënt om te onderzoeken of de bloedgroep en rhesusfactor van het bloedmonster overeenkomen met de bloedgroep en rhesusfactor van cliënt. Ik verzoek u om het NFI deze vraag voor te leggen.
    Indien komt vast te staan dat bloedgroep en rhesusfactor in het bloedmonster wel overeenstemmen met die van cliënt, dan is cliënt van mening dat er fouten met betrekking tot het bloedonderzoek zijn gemaakt. In dat geval verzoekt cliënt om een geheel nieuw onderzoek van het bloedmonster.”

  6. De raadsman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 23 augustus 2012 aangevoerd – zakelijk weergegeven –:
    “Ik blijf bij mijn verzoek tot het vaststellen van de bloedgroep en de resusfactor van het bloedmonster, alsmede een DNA-onderzoek. Cliënt betwist het door het NFI vastgestelde alcoholpromillage en wil hoe dan ook een tegenonderzoek laten verrichten, maar dat is wel afhankelijk van de kosten voor zo’n onderzoek.”

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet eerder dan op 23 augustus 2012 namens verdachte aan de officier van justitie de uitdrukkelijke wens kenbaar is gemaakt dat een tegenonderzoek naar het alcoholgehalte van bloed wordt verricht. Aldus is deze kennisgeving niet binnen een jaar na de bloedafname gedaan, zodat – ondanks dat geen tegenonderzoek is verricht – ook om die reden het onderzoek van verdachtes bloed geldt als een onderzoek in de zin van artikel 8, derde lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994. De brief van de raadsman d.d. 13 januari 2012 doet daaraan niet af. Immers, de raadsman heeft zich toen niet gewend tot de officier van justitie, terwijl van een rechtsgeleerd raadsman mag worden verwacht dat hij de wettelijke vormen in acht neemt.

D.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken omdat het bloedonderzoek geen onderzoek is in de zin van de wet, omdat geen sprake is geweest van een ademonderzoek in de zin van de wet, zodat de situatie van artikel 163, vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 zich niet heeft voorgedaan en de toestemming van verdachte niet bevoegdelijk kon worden gevraagd. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat:

  1. verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hebben gerelateerd dat zij zagen dat verbalisant [verbalisant 3] de verdachte een achttal keer heeft laten blazen, waarbij de verdachte bij geen enkele poging een goed resultaat kon blazen;

  2. een blaassessie uit ten hoogste viermaal blazen bestaat, waarbij het blazen kan worden beëindigd zodra twee meetresultaten verkregen zijn;

  3. uit dossierpagina 19 kan worden afgeleid dat tijdens de eerste sessie drie keer fout is geblazen, zodat – als het relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] juist zou zijn – verdachte gedurende de tweede sessie vijf keer geblazen heeft, waardoor artikel 8, tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken niet correct zou zijn nageleefd;

  4. de overzichten op dossierpagina’s 19 en 21 er evenwel op duiden dat het relaas van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet juist is, aangezien daaruit blijkt dat er twee sessies hebben plaatsgevonden en dat verdachte gedurende de eerste sessie drie keer en gedurende de tweede sessie twee keer heeft geblazen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

D.2

Artikel 8, tweede lid, van het Besluit alcoholonderzoeken luidt als volgt:

“Op aanwijzing van de opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 7, blaast de verdachte, zo nodig viermaal, ononderbroken een zodanige hoeveelheid ademlucht in het ademanalyse-apparaat als voor het onderzoek nodig is. Het blazen kan worden beëindigd, zodra twee meetresultaten verkregen zijn.”

D.3

Artikel 9, van het Besluit alcoholonderzoeken luidt als volgt:

“Indien de medewerking van de verdachte niet heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, kan het onderzoek met toepassing van artikel 8 eenmaal worden herhaald.”

D.4

Anders dan de raadsman ziet het hof geen enkele aanleiding om te twijfelen aan het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende dat zij zagen dat verbalisant [verbalisant 3] de verdachte een achttal keer heeft laten blazen, waarbij bij de verdachte bij geen enkele poging een goed resultaat kon blazen. De omstandigheid dat de geschriften opgenomen op dossierpagina’s 19 tot en met 21 vijf mislukte pogingen vermelden, doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af. Immers, verbalisant [verbalisant 3] relateert dat hij zag dat de verdachte bij elke poging te kort blies, waardoor er te weinig lucht in het apparaat kwam om een goede meting te kunnen doen, en voorts dat verdachte meerdere malen tijdens het blazen zijn tong uit zijn mond deed waardoor er geen lucht in het apparaat geblazen kon worden. Zulks brengt naar het oordeel van het hof met zich dat niet kan worden uitgesloten dat pogingen van verdachte om te blazen niet door het ademanalyse-apparaat zijn geregistreerd en derhalve niet zichtbaar zijn op voormelde geschriften.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts in het geheel niet aannemelijk geworden dat het ademonderzoek meer dan één maal is herhaald dan wel dat er tijdens een van de ademonderzoeken door verdachte meer dan vier keer is geblazen.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

D.5

Ten overvloede overweegt het hof nog dat ook indien de verdachte tot driemaal toe zijn medewerking aan een ademonderzoek zou hebben verleend, zulks niet zou hebben afgedaan aan de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar om de verdachte te vragen of hij zijn toestemming geeft tot het verrichten van een bloedonderzoek. Het hof verwijst dienaangaande naar rechtsoverweging 5.4 van het arrest van de Hoge Raad van
11 oktober 1994, NJ 1995, 83.

E.1

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, aangezien niet vast te stellen is in hoeverre de uitslag beïnvloed is door het gebruik van ethanol bij de venapunctie. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte heeft verklaard dat de arts die zijn bloed heeft afgenomen zijn arm met alcohol heeft schoongemaakt, zodat zijn bloed mogelijk verontreinigd is.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

E.2

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [GGD-arts] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Ik ben tot 2011 GGD arts geweest voor de politie. U vraagt mij of ik nog kan herinneren dat ik op 28 februari 2011, omstreeks 01:00 uur, bloed heb afgenomen, aan de Vogelstraat 41 te ’s-Hertogenbosch, bij een verdachte van het rijden onder invloed van alcohol.

Ik kan u vertellen dat ik in die maanden meerdere malen op het hoofdbureau van politie, gelegen aan Vogelstraat 41 te ’s-Hertogenbosch, ben geweest. Ik kan me niet meer specifiek deze dag en verdachte herinneren.

Ik kan u vertellen dat ik met zekerheid de desinfectans heb gebruikt die in het bloedblok zit dat ik gebruik voor het afnemen van het bloed. Dit bloedblok krijg ik altijd van de politie en ik gebruik alleen de spullen die in het bloedblok zitten. Er zit in het bloedblok altijd een swabstick en deze gebruik ik dan ook altijd.”9

E.3

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 28 februari 2011, omstreeks 01.05 uur, heeft de [GGD-arts] bloed afgenomen van de verdachte [verdachte], middels het bloedblok.”10

E.4

Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] houdt – zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang – het volgende in:

“Op 21 oktober 2014 heb ik telefonisch contact opgenomen met het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag. Ik sprak hier met dr. K.J. Lusthof, toxicoloog van het Nederlands Forensisch Instituut en opgenomen in het Nederlands register voor gerechtelijk deskundigen. Ik vroeg dr. K.J. Lusthof of hij mij kon vertellen wat voor desinfectans er gebruikt wordt in een bloedblok en of dit invloed kan hebben op de uitslag van de vastgestelde promillage.

Ik hoorde dat dr. K.J. Lusthof zei: “Als de arts de betreffende desinfectans uit het bloedblok heeft gebruikt, dan heeft dit geen invloed op de uitslag. Het is namelijk zo dat de desinfectans, die in het bloedblok zit, op basis is van jodium en water. Er zit dus geen alcohol in de desinfectans van het bloedblok.”11

E.5

Gelet op het hiervoor weergegevene stelt het hof vast dat de GGD-arts de desinfectans uit het bloedblok heeft gebruikt, welke desinfectans geen alcohol bevat en geen invloed heeft op het resultaat van het bloedblok. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de verklaring van [GGD-arts] kan daaraan niet afdoen.

E.6

De verdediging heeft voorts gesteld dat, nu het bloedblok in kwestie niet door dr. Lusthof is onderzocht, er niet zomaar vanuit kan worden gegaan dat er geen alcoholhoudende desinfectans in het bloedblok aanwezig was, omdat bijvoorbeeld een fout gemaakt zou kunnen zijn bij het productieproces van het bloedblok en er mogelijk een desinfectans met alcohol aan het bloedblok is toegevoegd. Gelet op het ontbreken van een nadere onderbouwing van deze stelling, schuift het hof deze als louter speculatief ter zijde.

E.7

Gelet op het vorenstaande ziet het hof in hetgeen namens de verdachte is aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van het resultaat van het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut. Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij dit onderzoek 3,7 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

F.

De verdediging heeft voorwaardelijk, te weten voor het geval dat het hof het onder E. besproken verweer met betrekking tot de venapunctie niet volgt, verzocht de
[GGD-arts] als getuige te horen.

Uit hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht, is het hof de noodzaak van het horen van deze getuige niet gebleken. Daarbij heeft het hof in het bijzonder gelet op de hiervoor onder E.2 weergegeven verklaring van de getuige. Aangezien van de noodzaak ook overigens uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken, wijst het hof het verzoek af.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (als hierboven genoemd), in onderling verband en samenhang en tijdsverband bezien, acht het hof het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2011 te 's-Hertogenbosch als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn, verdachtes, bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 3,7 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs was afgegeven nog geen vijf jaren waren verstreken en de eerste afgifte van het rijbewijs na 30 maart 2002 heeft plaatsgevonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin de door de wetgever gestelde norm van hoeveelheid alcohol per milliliter bloed door het bewezen verklaarde is overschreden;

  • -

    de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde de verkeersveiligheid ernstig in gevaar is gebracht.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 oktober 2014, waaruit blijkt dat hij niet eerder door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van het als beginnend bestuurder rijden onder invloed van alcohol.

Genoemde oriëntatiepunten geven gelet op het bloedalcoholgehalte als indicatie voor de op te leggen straf, een taakstraf voor de duur van 80 uren alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman naar voren gebracht dat verdachte niet zonder meer bereid is om een taakstraf uit te voeren. Gelet daarop kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt om de verdachte de onjuistheid van de bewezen verklaarde handelwijze te doen inzien.

Het hof acht gelet op het onderzoek ter terechtzitting in het onderhavige geval een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen alsmede een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden passend en geboden.

Het verweer van de verdachte dat afgezien zou moeten worden van een ontzegging van de rijbevoegdheid waardoor hij zijn rijbewijs opnieuw zou kwijtraken na teruggave van het rijbewijs door het CBR wordt verworpen omdat:

  • -

    het belang van de bescherming van de verkeersveiligheid zwaarder weegt dan de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht;

  • -

    het hof onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid noodzakelijk acht om de verdachte de onjuistheid van de bewezen verklaarde handelwijze te doen inzien.

De tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 ingevorderd is geweest, zal op de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid in mindering worden gebracht.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof evenwel aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 27 februari 2011, de dag waarop verdachte is aangehouden.

Het vonnis in eerste aanleg is gewezen op 25 oktober 2013. Alzo is er sprake van een tijdsverloop van meer dan twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn tot aan de afronding van de behandeling in eerste aanleg, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die deze overschrijding rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen in casu moet leiden tot strafvermindering.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.

Het hof ziet in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn aanleiding de gevangenisstraf te verminderen, in die zin, dat deze komt te luiden: een gevangenisstraf voor de duur van 36 dagen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 8, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) dagen.

Ontzegt de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mr. J. Huurman-van Asten en mr. R.M. Peters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 21 november 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J. Huurman-van Asten en mr. R.M. Peters zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Stcrt. 2011, 5009.

2 Stcrt. 2011, 9415.

3 Hierna wordt – tenzij anders vermeld – verwezen naar dossierpagina’s betreffende ambtsedige
processen-verbaal van politie en andere bescheiden, opgenomen in het proces-verbaal van
Politieregio Brabant-Noord, district Meijerij, D1 – team Den Bosch Noord-West, registratienr. PL21X2 2011020407.

4 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnr. PL21X2 2011020407-11, d.d.
2 maart 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, en [verbalisant 2], agent, dossierpagina’s 4-6.

5 Het ambtsedig proces-verbaal misdrijf, proces-verbaalnr. PL21X2 2011020407-1, d.d.
2 maart 2011, opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent, [verbalisant 1], hoofdagent, [verbalisant 2], agent, en [verbalisant 4], inspecteur, dossierpagina’s 12-15.

6 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnr. PL21X2 2011020407-12, d.d.
4 maart 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, dossierpagina 7.

7 Het rapport Alcohol in het verkeer van het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 3 maart 2011, zijnde een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, opgemaakt door K.S. Kruseman, NFI-deskundige forensische toxicologie.

8 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnr. PL21X1 2011020407-9, d.d.
28 februari 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, dossierpagina 22.

9 Het ambtsedig proces-verbaal verhoor getuige, proces-verbaalnr. PL2100 2011020407-14, d.d.
21 oktober 2014, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie.

10 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnr. PL21X2 2011020407-11, d.d.
2 maart 2011, opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, en [verbalisant 2], agent, dossierpagina 6.

11 Het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnr. PL2100 2011020407-15, d.d.
21 oktober 2014, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van politie.