Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4811

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
HV 200.140.855_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2890
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1460
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

De bestreden beschikking bestaat uit een gedeeltelijke eindbeschikking (deelbeschikking) en een tussenbeschikking. Nu de moeder grieven heeft gericht tegen het eindbeschikkingsdeel en het hof verzoekt het tussenbeschikkingsdeel in de behandeling te betrekken, is de moeder gelet op het bepaalde in HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306 alsmede HR 23 januari 2004, LJN AL 7051, NJ 2005, 510 eveneens ontvankelijk in haar appel tegen het tussenbeschikkingsdeel, waardoor de zaak volledig is overgeheveld naar het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0345
RBP 2015/6

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 november 2014

Zaaknummer: HV 200.140.855/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/126597 / S RK 08-136

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.R.Th.A. Luijten,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. S.L.G.M. Roebroek.

5 De beschikking d.d. 22 mei 2014

Bij deze beschikking heeft het hof:

de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoeken in hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 maart 2013 en tegen de beschikking van dit hof van 7 november 2013;

met instemming van partijen bepaald dat het hof de verdere behandeling van de zaak (voor wat betreft de verzoeken van de moeder en de vader) aan zich houdt;

de raad verzocht een onderzoek in te stellen conform hetgeen het hof onder rechtsoverweging 3.13. en 3.13.1 heeft overwogen;

de raad verzocht tijdig rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd onderzoek iedere verdere beslissing aangehouden tot 1 oktober 2014 pro forma.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 15 mei 2014;

- de brief met bijlagen van de raad d.d. 12 juni 2014;

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 16 juni 2014;

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 18 juni 2014;

- het V8-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 1 juli 2014;

- het incidenteel verzoek ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) met productie, ingediend door de advocaat van de moeder op 3 juli 2014;

- het V5-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 5 augustus 2014;

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 8 augustus 2014;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 8 juli 2014 in de procedure strekkende tot ondertoezichtstelling van de kinderen, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2014;

- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 21 augustus 2014;

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 27 augustus 2014;

- het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 9 oktober 2014;

- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 10 oktober 2014;

- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de vader op 20 oktober 2014.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- namens de moeder, mr. Luijten;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw[vertegenwoordiger raad].

6.2.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

6.2.2.

Mr. Roebroek heeft het hof bij voornoemd V6-formulier met bijlage ingediend op 20 oktober 2014 bericht dat hij en de vader niet ter zitting zullen verschijnen.

6.2.3.

Het hof heeft de toegang tot de voortgezette mondelinge behandeling aan mevrouw [grootmoeder moederszijde] (grootmoeder moederszijde) geweigerd, nu het een besloten zitting betreft en zij in de onderhavige procedure geen belanghebbende is in de zin van artikel 798 lid 1 Rv. Het hof heeft geen aanleiding gezien om mevrouw [grootmoeder moederszijde] als informante te horen.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Het hof stelt voorop dat de (bestreden) beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 29 oktober 2013 bestaat uit een gedeeltelijke eindbeschikking(deelbeschikking) en een tussenbeschikking. De rechtbank heeft in deze beschikking tussen de kinderen en de vader een voorlopige contact/omgangsregeling bepaald welke regeling, totdat daarover nader is beslist, zal plaatsvinden onder begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR niveau 3), waarbij de invulling van de begeleide contact/omgangsregeling wordt overgelaten aan de Mutsaersstichting. Deze beslissing is – naar het oordeel van het hof – aan te merken als een eindbeschikking, nu daarin een voorlopige omgangsregeling is bepaald, die, eenmaal tenuitvoergelegd, wat zijn gevolgen betreft, niet meer ongedaan kan worden gemaakt. De rechtbank heeft in voornoemde beschikking iedere beslissing omtrent het gezag aangehouden zodat de raad hierover nader kan adviseren naar aanleiding van de wijze waarop de begeleide omgang is verlopen, welke beslissing – naar het oordeel van het hof – is aan te merken als een tussenbeschikking.

7.2.

De moeder heeft ook in hoger beroep het hof verzocht te bepalen om aan haar het eenhoofdig ouderlijk gezag toe te kennen op de voet van artikel 1:251a, eerste en vierde lid BW. Het hof heeft in de tussenbeschikking van 22 mei 2014 geoordeeld dat de moeder ontvankelijk is in dit verzoek.

7.3.

Het hof heeft in voornoemde tussenbeschikking in rechtsoverweging 3.12. verder overwogen dat het hof met instemming van partijen de verdere behandeling van de zaak aan zich houdt, dus ook voor wat betreft de gezagskwestie waarop door de rechtbank nog niet is beslist.

7.4.

De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft nadien in een beschikking van 22 augustus 2014 overwogen dat het hof met die overweging niet het oog kan hebben gehad op prorogatie van rechtspraak als bedoeld in artikel 329 Rv, in die zin dat partijen bij het hof zouden zijn overeengekomen dat het verzoek van de vader tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken exclusief door het hof dient te worden behandeld en beslist. Voor zover die prorogatie in deze familierechtelijke aangelegenheid al tot de mogelijkheden zou behoren, kan zij namelijk door partijen niet worden afgesproken op het moment dat een verzoek reeds in behandeling is bij de rechtbank. Die laatste situatie doet zich, aldus de rechtbank, in deze zaak voor aangezien de rechtbank nog slechts tot een begeleide omgang voor een beperkte periode had beslist en in afwachting was van de resultaten van die begeleide omgang (BOR) waarover de raad de rechtbank diende te rapporteren zoals zij heeft gedaan met het rapport van 10 juni 2014.

De rechtbank verwijst in dit verband naar een arrest van het hof te 's-Gravenhage van 21 april 2010 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHSGR:2010:BN0755) waarin een vergelijkbare situatie tot eenzelfde oordeel werd gekomen.

7.5.

Het hof wijst echter op HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2306 alsmede HR 23 januari 2004, LJN AL 7051, NJ 2005, 510. In beide zaken was sprake van meerdere samenhangende geschilpunten in procedures tussen dezelfde partijen en ging het om een uitspraak die deels einduitspraak en deels tussenuitspraak was. Uit de beslissingen van de Hoge Raad vloeit voort dat indien een partij appel instelt en grieven richt tegen het gedeelte van de uitspraak dat een einduitspraak is, tevens grieven gericht mogen worden tegen het deel van de uitspraak dat een tussenuitspraak is.

In onderhavige zaak heeft de moeder grieven gericht tegen het eindbeschikkingsdeel. Uit het feit dat de moeder in hoger beroep verzocht heeft te bepalen om aan haar het eenhoofdig ouderlijk gezag toe te kennen op de voet van artikel 1:251a, eerste en vierde lid BW, leidt het hof af dat de moeder ook grieven heeft gericht tegen het tussenbeschikkingsdeel waarin de beslissing ten aanzien van het gezag is aangehouden en onderzoek van de raad is verzocht.

Het hof heeft de moeder dan ook ontvankelijk verklaard in haar appel tegen het tussenbeschikkingsdeel van de bestreden beschikking. Daarmee is niet alleen het eindbeschikkingsdeel maar ook het tussenbeschikkingsdeel van de bestreden beschikking aan het hof voorgelegd waartoe de moeder ook bevoegd was (en waarmee beide partijen ook ingestemd hebben) ten gevolge waarvan de zaak volledig (omgang/contact en gezag) is overgeheveld naar het hof.

Het vorenstaande brengt met zich dat de procedure bij de rechtbank zowel met betrekking tot de daarbij vastgestelde voorlopige contact/omgangsregeling alsmede met betrekking tot de gezagskwestie met de bestreden beschikking tot een einde is gekomen en het hof in beide kwesties zal beslissen. Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

7.6.

De raad heeft bij brief d.d. 12 juni 2014 het hof bericht dat de raad in de periode 6 maart 2014 tot 10 juni 2014 onderzoek heeft gedaan naar de invulling van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Gedurende dit onderzoek heeft de raad op 3 april 2014 ambtshalve besloten tot een beschermingsonderzoek met betrekking tot beide kinderen. De raad is van mening dat de onderzoeksvragen van het hof in het gecombineerde rapport van deze onderzoeken genoegzaam worden beantwoord.

7.7.

Het vorenstaande vormt voor de moeder aanleiding om in deze procedure een incidenteel verzoek ex artikel 223 Rv bij het hof in te dienen. De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van voorlopige voorziening te bepalen, dat de onderzoeksvragen zoals geformuleerd in de tussen partijen gegeven tussenbeschikking van 22 mei 2014 worden onderzocht door één of meer door het hof te benoemen deskundige(n), kosten rechtens.

De moeder heeft dit verzoek als volgt gemotiveerd.

De raad heeft zich niet beziggehouden met de onderzoeksvragen zoals geformuleerd in de tussenbeschikking van het hof van 22 mei 2014. De raad heeft op basis van een “ambtshalve” ingesteld onderzoek allerlei verrichtingen uitgevoerd die niet te rijmen zijn met de inhoud van voornoemde tussenbeschikking. Dit alles blijkt volgens de moeder onder meer uit het feit dat het rapport van de raad d.d. 10 juni 2014 (op een kleine wijziging na) gelijkluidend is aan het conceptrapport van 13 maart 2014, welke gereed is gekomen voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het hof op 27 maart 2014. De moeder is van mening dat bij deze stand van zaken het belang van de kinderen vordert dat de vragen die geformuleerd zijn in de tussenbeschikking van het hof onbevangen worden onderzocht en beantwoord door één of meer door het hof te benoemen deskundige(n).

7.8.

Het hof heeft naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de voortgezette mondelinge behandeling eveneens geconstateerd dat de raad, anders dan door de raad in de brief van 12 juni 2014 en tijdens de voortgezette mondelinge behandeling bericht, in de rapportage van 10 juni 2014 niet de door het hof in de tussenbeschikking van 22 mei 2014 geformuleerde vragen heeft beantwoord. Het hof stelt vast dat het erop lijkt dat de raad – ondanks de toezeggingen die door de zittingsvertegenwoordiger na de mondelinge behandeling van 27 maart 2014 zijn gedaan en waaruit de door het hof geformuleerde vragen zijn voortgekomen – lijkt te zijn voortgegaan op een reeds voor die mondeling behandeling ingeslagen weg, die uiteindelijk heeft geleid tot de ondertoezichtstelling van de kinderen op 11 juli 2014. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen, welk hoger beroep zal worden behandeld op 25 november 2014.

7.9.

Gelet op de feitelijke ontwikkelingen zoals die zich hebben voorgedaan na de tussenbeschikking van het hof van 22 mei 2014 (waaronder de ondertoezichtstelling van de kinderen en het vertrek van de moeder met de kinderen naar Duitsland) was het voor de advocaat van de moeder tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in hoger beroep lastig in te schatten hoe het hof op dit moment in de onderhavige zaak concreet verder zou moeten gaan. De advocaat van de moeder heeft – desgevraagd – verklaard het incidenteel verzoek d.d. 3 juli 2014 te handhaven. Hij beoogt door middel van dit verzoek dat door het hof wordt voorgegaan op de bij de tussenbeschikking geopende weg.

7.10.

Het hof zal thans iedere verdere behandeling van het geschil tussen partijen omtrent de door de rechtbank vastgestelde voorlopige contact/omgangsregeling aanhouden in afwachting van het verloop het hoger beroep tegen de door de rechtbank uitgesproken ondertoezichtstelling van de kinderen. Indien de ondertoezichtstelling door het hof wordt bekrachtigd, verzoekt het hof partijen en de gezinsvoogd te zijner tijd uitsluitsel te geven omtrent het verloop van de ondertoezichtstelling en hetgeen daarbij voor de door het hof te beslissen kwesties van belang is. In het geval dat de ondertoezichtstelling niet door het hof wordt bekrachtigd, zal het hof zich beraden omtrent de voortgang van de procedure met betrekking tot de voorlopige contact/omgangsregeling.

7.11.

Ten aanzien van het geschil omtrent het gezag acht het hof het in het belang van de minderjarigen om iedere beslissing hieromtrent aan te houden, mede gelet op het hiervoor onder rechtsoverweging 7.10. overwogene.

8 De beslissing

Het hof:

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 22 januari 2015;

verzoekt partijen het hof vóór 8 januari 2015 te berichten over de gewenste voortgang van deze procedure conform hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 7.10. en 7.11 is overwogen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en C.E.M. Renckens en in het openbaar uitgesproken op 20 november 2014.