Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
HD 200.139.610_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

burengeschil, uitleg afspraken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.139.610/01

arrest van 18 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. N.P.J. Frijns te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. H.H.G. Theunissen te Leusden,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 11 maart 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg, locatie Maastricht onder zaaknummer C/03175041/HA ZA 12-384 gewezen vonnis van 4 september 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 11 maart 2014 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 10 april 2014 met de ter gelegenheid van die comparitie overgelegde stukken;

- de memorie van grieven tevens vermeerdering/wijziging van eis, met producties;

- de memorie van antwoord.

Vervolgens is arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

Het hof merkt op dat de door [appellant] overgelegde stukken (deels) voorzien zijn van markeringen en opmerkingen. Het hof heeft hiervan geen kennis genomen, maar dringt er bij de advocaat van [appellant] op aan, in het vervolg conform het bepaalde in het procesreglement, slechts “schone” stukken over te leggen.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1

Het gaat in deze zaak in hoger beroep om het volgende.

a. a) [appellant] en [geïntimeerde 1] zijn buren van elkaar. Tussen hen is een geschil gerezen over een zogenoemde paardrijbak, die [geïntimeerde 1] op zijn perceel had gerealiseerd en die grensde aan het perceel van [appellant]. Het betreffende perceel deel was omheind, voorzien van een drainage (via grind en drainagedoek) en bedekt met (zand)grond en werd gebruikt voor het berijden van paarden en een pony. [appellant] wenste verwijdering althans verplaatsing van de paardrijbak. Verder wenste hij (gedeeltelijke) verwijdering van een door [geïntimeerde 1] op diens perceel geplaatste houten schutting.

b) Tussen de toenmalige rechtsbijstandverlener van [appellant] - [rechtsbijstandverlener], verder: ‘[rechtsbijstandverlener]’ - en een bij de gemeente [woonplaats] werkzame ambtenaar - [gemeenteambtenaar], verder: ‘[gemeenteambtenaar]’- is over de paardrijbak, en later over onder meer de houten schutting, overleg en (e-mail-) correspondentie gevoerd.

c) Bij e-mail van 28 februari 2012 (prod. 5 inl. dgv) houdt [gemeenteambtenaar] aan [rechtsbijstandverlener] voor wat, voor zover [gemeenteambtenaar] bekend en thans hier relevant, de wensen van [appellant] met betrekking tot de inrichting van het perceel van [geïntimeerde 1] zijn, te weten:

- verplaatsing van de paardrijbak,

- het op de plek van de oude paardrijbak aanleggen van een weiland (al dan niet met fruitbomen),

- verwijdering van “een oude” schutting.

d) In een reactie bij (e-mail)bericht van 15 maart 2012 (prod. 3b inl. dgv.) meldt [rechtsbijstandverlener] aan [gemeenteambtenaar] onder meer het volgende:

“Zoals u aangeeft onder punt 1 van uw email is een paardenbak geheel achter de bestaande loods (…) acceptabel. Indien op een daartoe strekkende aanvrage een besluit is genomen zal de heer [appellant] daartegen geen rechtsmiddelen aanwenden, mits aan de heer [geïntimeerde 1] duidelijk wordt gemaakt dat het gaat om hobbymatig houden van maximaal 5 paarden en dat derden geen gebruik maken van de alsdan bestaande faciliteit.

De huidige paardrijbak en de uitbreiding daarvan dient te worden verwijderd (grind; plastic/zand, houten afrastering).

Het vrijkomende terrein kan zodanig worden ingericht dat geen paarden- of hondenactiviteit (of andere activiteit die niet past bij de beoogde woonbestemming) aansluitend aan het perceel van de heer [appellant], zal plaatsvinden. Beplanting met fruitbomen is prima. (…)

Ten aanzien van de houten schutting meldt [rechtsbijstandverlener] dat de voorkeur bestaat voor een meer natuurlijke markering van de erfgrens, waarmee gedoeld wordt op struiken en/of bomen.

e) In een e-mail van 22 maart 2012 (overgelegd bij de akte van [appellant] van 13 februari 2013), schrijft [gemeenteambtenaar] dat het (e-mail)bericht van 15 maart 2012 met onder andere [geïntimeerde 1] is besproken en dat deze, behoudens een tweetal punten, met het voorstel instemt. [geïntimeerde 1] zou slechts bereid zijn de schutting te verwijderen en te vervangen door een haag, indien [appellant] de kosten daarvan mede zou dragen.

f) In een brief van 3 april 2012 (prod. 1 inl. dgv ) aan [rechtsbijstandverlener] meldt [gemeenteambtenaar] onder meer dat gebleken is dat [appellant] akkoord is met een aangepast plan van [geïntimeerde 1] mits:

“1. de paardenrijbak (…) wordt verplaatst (…);

(…)

4. de bestaande buitenbak (…) wordt verwijderd en het betreffende perceel, passend in de omgeving, wordt heringericht, bijvoorbeeld als weiland met fruitbomen;

(…)

6. de bestaande schutting langs de perceelsgrens tussen uw cliënt en de heer [geïntimeerde 1] wordt verwijderd en vervangen door een haag of struiken”

en dat inmiddels verder is gebleken dat [appellant] niet eist dat de schutting volledig wordt vervangen, maar slechts over een afstand van enkele meters ter hoogte van zijn schuur.

g) Op 5 april 2012 heeft [geïntimeerde 1] een schriftelijke verklaring (prod. 2 inl. dgv) getekend waarin onder meer het volgende staat:

“Ondergetekende, [geïntimeerde 1], (…) verklaart hierbij volledig te kunnen instemmen met de afspraken zoals vastgelegd in de brief van (…) 3 april (…).

[geïntimeerde 1] verklaart voorts de in voornoemde brief bedoelde, bestaande paardenrijbak vóór 1 juni 2012 te zullen (laten) verwijderen, met dien verstande dat de aanwezige zandlaag conform overleg met medewerkers (…) van de gemeente [woonplaats] in de ondergrond zal worden verwerkt teneinde op een verantwoorde manier een weiland te kunnen (laten) aanleggen. (…).”

h) In reactie schrijft [rechtsbijstandverlener] bij brief van 5 april 2012 (prod. 3 inl. dagv.) onder meer het volgende:

“1. Opschuiven paardrijbak: akkoord.

(…)

5. Het gebruik van de nieuwe paardrijbak: akkoord. (…)

6. Schutting: zie mijn mail van 15-3 en 29 maart. De schutting van enkele meters achter de stal van de heer [appellant] wordt verwijderd en er komt niets nieuws (…).

(…)

Paarden of hondenactiviteiten dienen niet ter plaatse van de opgeruimde paardenbak plaats te vinden.

Punt 6 is met de toezegging dat de schutting achter de loods van de he(e)r [appellant] zal worden verwijderd en dat daar laurierstruiken worden geplant, opgelost.”

i. i) Bij e-mail aan [rechtsbijstandverlener] van 6 april 2012 (prod. 4 inl. dgv.) reageert [gemeenteambtenaar] onder meer als volgt:

“Ik kan u, mede namens de heer [geïntimeerde 1], berichten dat wij, onder de navolgende nuanceringen, akkoord gaan met de inhoud van uw mail/(fax)brief d.d. 5 april 2012.

(…)

Wat de huidige paardrijbak betreft, wordt opgemerkt dat deze als paardrijbak buiten werking zal worden gesteld en dat er uiteraard geen oneigenlijke bodemmaterialen in de grond zullen worden gebracht. Zoals eerder opgemerkt, zal de bestaande zandlaag op advies van collega’s (groendeskundigen) worden verwerkt/ondergewerkt om de locatie geschikt te maken om met gras in te zaaien en een weiland te creëren. De palen van de bestaande afrastering zullen blijven staan, de dwarsliggers zullen worden verwijderd. Dit om de mogelijkheid in stand te houden om het nieuwe weiland periodiek als graasweide te kunnen benutten en het weiland dan met linten te kunnen afbakenen. Ik merk uitdrukkelijk op dat het nieuwe weiland niet voor paarden- of hondenactiviteiten zal worden gebruikt. De paarden zullen alleen worden bereden in de nieuwe paardrijbak. Dit kan in de vergunning worden geregeld.

Gelet op het voorgaande alsook aard en strekking van uw mail/(fax)brief van gistermiddag concludeer ik dat we overeenstemming hebben bereikt.”

j) Namens [appellant] reageert [rechtsbijstandverlener] per e-mail van 10 april 2012 (prod. 4 inl. dgv.) en schrijft onder meer het volgende:

“In uw (…) mail komt u voor wat betreft de bestaande paardenrijbak terug op eerdere afspraken zie o.a. de bijlage bij mijn mail d.d. 15 maart 2012.

(…)

In uw bovenvermelde mail wordt de te verwijderen paardenrijbak in effectu in stand gelaten door de afrastering maar gedeeltelijk te verwijderen (de dwarsbalken). Met het aanbrengen van linten ontstaat er dan een paddock. De heer [appellant] komt dan van de regen in de drup met twee paardenvoorzieningen op het belendende perceel. De toezegging dat in die paddock geen paarden worden bereden maakt dat niet anders. Dat was en is niet de bedoeling.

Ik wil klip en klaar de toezegging conform de bewoordingen zoals ik hiervoor heb herhaald (zie mail 15 maart jl) dat de huidige paardenrijbak ongeschikt wordt gemaakt voor dat gebruik. De gehele houten afrastering; zand; grind; plastic dient te worden verwijderd. (…)”

k) In zijn reactie per e-mail van 10 april 2012 (prod. 4 inl. dgv.) schrijft [gemeenteambtenaar] het volgende:

“Een van onze toezeggingen betreft de verwijdering van de huidige paardrijbak. Deze bak zal conform onze toezeggingen worden verwijderd en in de nabije toekomst niet meer voor paardrijdoeleinden en aanverwante activiteiten worden gebruikt. Het staat de heer [geïntimeerde 1] ons inziens vrij om de betreffende locatie, die conform afspraak in een weiland zal worden omgezet, in de toekomst periodiek als graasweide te gebruiken voor zijn hobbymatig gehouden paarden. Daarmee komen wij niet terug op eerdere toezeggingen of afspraken zoals door ons opgetekend.”

l) [geïntimeerde 1] heeft op zijn perceel een nieuwe paardrijbak gerealiseerd en op de plek waar de paardrijbak grenzend aan het perceel van [appellant] was gesitueerd een weiland aangelegd.

7.2.1.

[appellant] heeft [geïntimeerde 1] in rechte betrokken en gevorderd - samengevat - veroordeling van [geïntimeerde 1] tot het op straffe van een dwangsom verwijderen van:

a. a) de paardrijbak op zijn perceel (inclusief zand, grind, plastic folie en houten afrastering) en deze niet meer te gebruiken voor honden- en/of paardenactiviteiten,

b) de houten schutting gelegen achter de schuur van [appellant],

c) de laurier, geplant binnen een afstand van 50 cm van de erfgrens,

met veroordeling van [geïntimeerde 1] in de proceskosten.

[geïntimeerde 1] heeft als verweer gevoerd dat tussen partijen geen overeenkomst ten aanzien van de verwijdering van de paardrijbak tot stand is gekomen, waarbij hij aanvoert dat partijen het, blijkens de correspondentie, steeds op een of meerdere punten oneens zijn geweest. De rechtbank heeft dit verweer verworpen. Subsidiair verweerde [geïntimeerde 1] zich met de stelling dat hij deze overeenkomst – indien deze wel zou zijn gesloten - nagekomen is. Daartoe verwees hij naar het feit dat op de plaats van de oude paardrijbak nu een weiland is aangelegd.

De rechtbank heeft dit subsidiaire verweer gehonoreerd en de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. Tegen dit oordeel zijn de grieven van [appellant] gericht.

7.2.2.

In hoger beroep heeft [appellant] zijn eis gewijzigd. Hij vordert thans – kort gezegd – dat [geïntimeerde 1] zal verwijderen de plastic folie en/of het drainagedoek en hij heeft de te verwijderen houten afrastering nader omschreven. Voorts heeft hij de honden-en of paardenactiviteiten nader omschreven door te vermelden “waaronder het laten verblijven van honden en het stallen, laten grazen of berijden van paarden”.

7.3.

Vooruitlopend op de devolutieve werking van het appel die bij de gegrondbevinding van een van de grieven van [appellant] aan de orde zou komen, zal het hof thans eerst in appel het door de rechtbank verworpen verweer van [geïntimeerde 1] beoordelen, dat – samengevat – inhoudt dat partijen in het geheel geen volledige overeenstemming hadden bereikt over de verwijdering van de paardrijbak, althans van dat wat [appellant] daaronder verstaat. In hoger beroep heeft [geïntimeerde 1] niet uitdrukkelijk verklaard dat hij afstand heeft genomen van dit verweer, noch heeft hij daar uitdrukkelijk afstand van genomen. Indien dit verweer in hoger beroep zou slagen, zouden de grieven 1 tot en met 4, die zien op het niet verwijderd zijn van dat wat [appellant] verstaat onder “paardrijbak”, falen.

7.4.1.

Bij conclusie van antwoord heeft [geïntimeerde 1] gesteld dat er weliswaar veelvuldig overleg is geweest tussen partijen, maar dat dit niet tot volledige wilsovereenstemming heeft geleid. Als voorbeeld wijst [geïntimeerde 1] op de opmerking van [gemeenteambtenaar] in zijn e-mail van 6 april 2012 aan [rechtsbijstandverlener] dat er sprake is van overeenstemming, waarop [rechtsbijstandverlener] bij e-mail van 10 april 2012 reageert met de opmerking dat voor wat betreft de paardenbak wordt teruggekomen op eerdere afspraken.

7.4.2.

Het hof constateert dat [rechtsbijstandverlener] namens [appellant] in genoemde e-mail voorts heeft geschreven: “In uw bovenvermelde mail wordt de te verwijderen paardenrijbak in effectu in stand gelaten (..) De heer [appellant] komt dan van de regen in de drup (..) Dat was en is niet de bedoeling.

Ik wil klip en klaar de toezegging conform de bewoordingen zoals ik hiervoor heb herhaald (zie mail 15 maart jl) dat de huidige paardenrijbak ongeschikt wordt gemaakt voor dat gebruik. De gehele houten afrastering; zand; grind; plastic dient te worden verwijderd”. Met “plastic” doelde [rechtsbijstandverlener] op het drainagedoek, zo staat tussen partijen vast.

[gemeenteambtenaar] heeft namens [geïntimeerde 1] geantwoord dat de paardrijbak conform de toezeggingen zal worden verwijderd en dat het voorts [geïntimeerde 1] vrijstaat om in de toekomst het nieuw aan te leggen weiland periodiek te gebruiken als graasweide voor zijn paarden. Vervolgens heeft [geïntimeerde 1] weggehaald wat volgens hem de bedoeling was dat hij zou weghalen, en waartoe hij zich in zijn opinie had verbonden. Een deel van de omheining is gebleven, alsmede een deel van het grind in de grond en een deel van het drainagedoek (namelijk dat deel van het doek waarmee de drainagegaten waren ingelegd). Uit de reactie van [appellant] hierop, en in het bijzonder uit de (stellingen in de) onderhavige procedure, blijkt dat [appellant] van mening is dat [geïntimeerde 1] veel meer zaken zou verwijderen dan hij thans heeft gedaan.

7.4.3.

Naar het oordeel van het hof is tussen partijen overeenstemming bereikt over de verwijdering door [geïntimeerde 1] van de “paardrijbak” (of paardenrijbak of paardenbak). Elke partij heeft echter vervolgens een eigen inhoud gegeven aan welke zaken allemaal verwijderd moeten worden bij de overeenkomst “verwijderen van de paardrijbak”. Dit betekent dat het hof een en ander zal moeten uitleggen. Deze uitleg zal moeten plaatsvinden aan de hand van hetgeen beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen, overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten toekennen hebben afgeleid. De correspondentie tussen partijen - in het bijzonder de e-mails van 6 en 10 april 2012 - laat op dit punt geen andere conclusie toe dan dat zij geen overeenstemming hebben bereikt over het weghalen van meer dan wat [geïntimeerde 1] thans heeft verwijderd. Eerst bij deze e-mailwisseling werd het [appellant] duidelijk wat [geïntimeerde 1] onder het verwijderen van de paardrijbak verstond, en werd het [geïntimeerde 1] duidelijk wat [appellant] wilde dat hij zou weghalen. Eerder hadden zij uit de wederzijdse correspondentie die standpunten onvoldoende duidelijk kunnen begrijpen. Dat betekent dat [geïntimeerde 1] zich niet tot meer heeft verbonden dan het weghalen van wat hij onder paardrijbak verstond en er dus ook niet meer tussen partijen is overeengekomen, zodat zijn verweer op dit punt slaagt.

7.4.4.

Nu niet gebleken is dat [appellant] uit verklaringen en/of gedragingen van [geïntimeerde 1] heeft mogen afleiden dat deze instemde met het weghalen van dat wat [appellant] onder paardrijbak verstond, passeert het hof de bewijsaanbiedingen van [appellant]. De grieven 1 tot en met 4 falen derhalve en voorzover [appellant] zijn eis in hoger beroep heeft gewijzigd/vermeerderd, zal deze ook worden afgewezen.

7.5.1.

Grief 5 ziet op de vraag waartoe [geïntimeerde 1] zich heeft verbonden jegens [appellant] ten aanzien van de toezegging om geen paarden-en hondenactiviteiten te laten plaatsvinden op de plaats waar de paardrijbak zich bevond (hierna: het weiland). De rechtbank was van oordeel dat [appellant] op dit punt onvoldoende had gesteld. [appellant] stelt thans dat partijen waren overeengekomen dat op het weiland in het geheel geen honden en paarden meer zouden komen, en dat de rechtbank deze afspraak heeft miskend. [appellant] wijst hierbij op de brief van [rechtsbijstandverlener] van 3 april 2012 (bedoeld is: 5 april 2012, zie r.o. 7.1 sub h, hof), waarin [rechtsbijstandverlener] schrijft: “Paarden of hondenactiviteiten dienen niet ter plaatse van de opgeruimde paardenbak plaats te vinden.” Uit de context van deze zinnen zou blijken dat de bedoeling van partijen was om “de paarden en honden, met al hun bijkomende activiteiten” te verplaatsen. [appellant] wijst daarbij op de brief van [gemeenteambtenaar] van 3 april 2012, die aan [rechtsbijstandverlener] aangeeft dat het [appellant] er bij de wens tot verplaatsing van de paardrijbak erom gaat dat zijn woon-en leefklimaat niet onacceptabel door de activiteiten van [geïntimeerde 1] mag worden aangetast. Hieruit blijkt volgens [appellant] dat paarden niet meer op het weiland mogen grazen en honden daar niet meer los mogen lopen.

7.5.2.

Partijen hebben afgesproken dat er op het weiland geen paarden- of hondenactiviteiten meer zouden plaatsvinden (vgl de e-mail van [gemeenteambtenaar] van 6 april 2012). Volgens [geïntimeerde 1] betekent die afspraak dat er geen paarden meer bereden worden op het weiland en dat er geen paardrijles meer gegeven wordt. Voor het overige heeft [geïntimeerde 1] niet bewilligd in het verder inperken van zijn eigendoms-en gebruiksrechten van het weiland.

Over honden hebben partijen volgens [geïntimeerde 1] niets afgesproken, zo leidt het hof af uit zijn stellingen.

7.5.3.

De vraag wat onder “het niet laten plaatsvinden van paarden-of hondenactiviteiten” moet worden verstaan moet, nu daarover tussen partijen geen overeenstemming bestaat, worden vastgesteld aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Het hof is met [geïntimeerde 1] van oordeel dat uit de tussen (de vertegenwoordigers van) partijen gevoerde correspondentie nergens blijkt dat [geïntimeerde 1] zich er met zoveel woorden toe heeft verbonden in het geheel geen paarden op zijn nieuw in te richten weiland te laten grazen. Hetzelfde geldt voor het niet los laten lopen van honden op het eigen terrein van [geïntimeerde 1] (inclusief het weiland in kwestie). [geïntimeerde 1] heeft (bij monde van [gemeenteambtenaar] in zijn email van 6 april 2012) toegezegd dat het weiland “niet voor paarden of hondenactiviteiten zal worden gebruikt.” Daaraan heeft hij toegevoegd dat de paarden alleen zullen worden bereden in de nieuwe paardrijbak.

[appellant] wilde niet dat een “paarden- of hondenactiviteit (of andere activiteit die niet past bij de beoogde woonbestemming)” op het weiland zou plaatsvinden (e-mail van [rechtsbijstandverlener] van 15 maart 2012). In een e-mail van 4 april 2012 aan [gemeenteambtenaar] schreef [rechtsbijstandverlener] dat [appellant] bij zijn e-mail van 15 maart 2012 bleef: “Het zal toch duidelijk zijn dat vanaf het begin de heer [appellant] het erom te doen is hetgeen illegaal is aangebracht en hinder veroorzaakt, wordt weggenomen” (prod. 3a [appellant]). Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde 1] hieruit niet kunnen afleiden dat [appellant] wenste dat er in het geheel geen paarden of honden in het weiland mochten zijn, temeer nu de illegale paardrijbak zou worden verplaatst en het niet illegaal is om op eigen - afgebakend - terrein paarden en honden te laten lopen. Daar komt nog bij dat in de correspondentie geen enkele aanwijzing te vinden is dat het [appellant] ging om iets anders dan de met paarden (en kennelijk honden) uitgevoerde activiteiten, omdat juist die activiteiten- het berijden van paarden in een paardrijbak naast zijn perceel – voor hem hinder opleverde. Niet heeft [appellant] in de correspondentie gewag gemaakt van hinder in verband met dierlijke uitwerpselen of vliegen, waarover hij thans spreekt. Nog los van de vraag of men bij buren in een rurale omgeving niet enige hinder van die aard zou moeten accepteren, en los van de onbetwiste stelling van [geïntimeerde 1] dat hij regelmatig het weiland opruimt, heeft te gelden dat partijen over het voorkomen van dergelijke hinder niet gesproken hebben en dit derhalve niet valt onder datgene wat zij hebben afgesproken. De thans gestelde hinder kan dan ook geen reden zijn om op grond van de overeenkomst tussen partijen aan [geïntimeerde 1] het laten grazen van paarden en het loslopen van honden op het weiland te verbieden.

De grief faalt en ook de vermeerderde eis zal worden afgewezen.

7.6.1.

Het hof zal thans de grieven 6 en 7 behandelen. Grief 6 ziet op de door [geïntimeerde 1] geplaatste laurierstruik [of “laurierstruiken”, zie de eerste alinea na “Grief VI” in de memorie van grieven, toev. hof], die te dicht bij de erfgrens staat [staan], en waarvan [appellant] op grond van art. 5:42 BW verwijdering vordert. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen omdat deze laurierstruik daar is geplaatst ter vervanging van de daar voorheen geplaatste schutting en dat dit is gebeurd op grond van een daartoe tussen partijen gemaakte afspraak, waarmee [appellant] heeft bewilligd in een situatie die niet overeenstemt met art. 5:42 BW.

Grief 7 ziet op het feit dat [geïntimeerde 1] de verwijderde schutting achter de schuur/stal op 50 centimeter achter die laurierstruiken heeft herplaatst. Volgens [appellant] is dat in strijd met de afspraken van partijen en heeft de rechtbank dit niet onderkend, omdat de afspraak over het verwijderen impliceerde dat er niet mocht worden herplaatst.

7.6.2.

[appellant] voert aan dat het hem thans gaat om de schutting achter en aansluitend aan de stal. De correspondentie waarnaar de rechtbank in haar vonnis verwees, ziet niet op dit stuk schutting, aldus [appellant] (maar, zo begrijpt het hof, op de schutting aan de voorkant van het perceel). Ten aanzien van de schutting achter de schuur/stal heeft te gelden dat [appellant] niet heeft bewilligd in het planten van laurierstruiken op de erfgrens, aldus [appellant].

7.6.3.

Over de schutting is – voor zover van belang - het volgende tussen (de vertegenwoordigers van) partijen geschreven.

- [gemeenteambtenaar] schreef op 28 februari 2012 aan [rechtsbijstandverlener] dat het hem niet duidelijk is welke schutting “en waar precies” [appellant] verwijderd wil hebben. “Wellicht dat u dit concreter kunt aangeven”, aldus [gemeenteambtenaar].

- [rechtsbijstandverlener] antwoordde namens [appellant] aan [gemeenteambtenaar] over het schuttingdeel achter de schuur/stal op 15 maart 2012: “De houten schutting achter en aansluitend aan de stal van de heer [appellant] is geen erfafscheiding van de buren (dit is iets dat de heer [geïntimeerde 1] kennelijk wil). De heer [appellant] vindt dat zo’n schutting afbreuk doet aan het open landschap (..) Bij voorkeur zou een dergelijke schutting – los van het antwoord op de vraag of dit vanuit de vigerende regelgeving kan – (…) niet moeten worden opgericht.

Over het andere deel van schutting – links voor op het perceel - schrijft [rechtsbijstandverlener] op 15 maart 2012 dat dit een erfafscheiding is en dat [appellant] daar liever laurierstruiken wil.

- Op 3 april 2012 heeft [gemeenteambtenaar] (namens [geïntimeerde 1]) de afspraken over de schutting als volgt bevestigd: “6. de bestaande schutting langs de perceelsgrens tussen uw cliënt [[appellant], hof] en de heer [geïntimeerde 1] wordt verwijderd en vervangen door een haag of struiken (..)

(..) heeft u (..) aangegeven dat de vervanging van de schutting geen eis is maar een wens en daarom, behoudens enkele meters achter de stal/schuur van [appellant], geen breekpunt vormt”

- Hierop antwoordde [rechtsbijstandverlener] op 5 april 2012 “6. Schutting: zie mijn mail van 15-3 en 29 maart. De schutting van enkele meters achter de stal van de heer [appellant] wordt verwijderd en er komt niets nieuws. De schutting aan de voorkant van het perceel: zie mail 15-3 en dit is ter discretie van de heer [geïntimeerde 1] (..)

Punt 6 is met de toezegging dat de schutting achter de loods van de he[e]r [appellant] zal worden verwijderd en dat daar laurierstruiken worden geplant, opgelost.”

7.6.3.

[geïntimeerde 1] heeft niet ontkend dat de laurierstruiken achter en aansluitend aan de stal te dicht bij de erfgrens zijn geplaatst. Hij wijst echter op de hierboven gememoreerde correspondentie, in het bijzonder de laatst geciteerde zin uit de email van [rechtsbijstandverlener] van 5 april 2012. Ook wijst [geïntimeerde 1] op de verklaring van [appellant] tijdens de comparitie bij de rechtbank, die onder meer luidde: “Met betrekking tot de schutting was de afspraak dat deze zou worden weggehaald en dus niet dat deze iets verder op zou worden teruggeplaatst. (..) Weliswaar is afgesproken dat de schutting zou worden vervangen door een haag of struiken, maar nergens is afgesproken dat [geïntimeerde 1] toestemming wordt gegeven de struiken binnen 50 cm van de erfgrens te plaatsen.” Hieruit blijkt volgens [geïntimeerde 1] dat het oordeel van de rechtbank juist is.

7.6.4.

Uit de correspondentie tussen parttijen valt af te leiden dat [appellant] erg hechtte aan het verwijderen van de schutting achter de schuur/stal (mede, zo begrijpt het hof, vanwege het uitzicht). Door [geïntimeerde 1] is terecht ook begrepen dat dit een breekpunt was. Uit de correspondentie heeft [geïntimeerde 1] daarnaast ook begrepen dat de vervanging van dat schuttingdeel door laurierstruiken gewenst was. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde 1] dit ook inderdaad zo uit de mails/brieven van [rechtsbijstandverlener] kunnen afleiden, in het bijzonder uit diens constatering dat de kwestie van de schutting was opgelost “met de toezegging dat de schutting achter de loods van de he[e]r [appellant] zal worden verwijderd en dat daar [onderstreping hof] laurierstruiken worden geplant”. Tussen partijen staat vast dat de schutting van [geïntimeerde 1] nagenoeg op de erfgrens stond. In die context heeft [geïntimeerde 1] met het planten van laurierstruiken dicht bij de erfgrens, voldaan aan de afspraak tussen partijen en kan [appellant] thans, zoals de rechtbank terecht overwoog, zich er niet op beroepen dat de laurierstruiken te dicht bij de erfgrens staan. Het beroep op verwijdering daarvan is terecht verworpen.

7.6.5.

Anderzijds is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat het verwijderen van de schutting achter de schuur/stal en het in plaats daarvan planten van laurierstruiken, impliceert dat de schutting niet pal achter die laurierstruiken mag worden herplaatst. Door [rechtsbijstandverlener] is aangegeven dat [appellant] vindt dat de schutting afbreuk doet aan het open landschap en, zo begrijpt het hof, het liefst in het geheel geen afscheiding zou willen (anders dan het lage open hekje dat op [appellant]’s terrein staat). Die wens is in strijd met het recht van [geïntimeerde 1] zijn terrein af te bakenen, hetgeen met genoemde laurierstruiken is geschied. Maar met het herplaatsen van de schutting juist op die plaats gaat [geïntimeerde 1] in tegen de afspraak dat de schutting zou worden weggehaald.

De grief slaagt en de vordering tot verwijdering van dit deel van de schutting zal worden toegewezen. Het hof ziet termen aanwezig om de gevorderde dagelijkse dwangsom te matigen en daaraan een maximum te verbinden.

7.7.

Het hiervoor overwogene brengt het hof tot de conclusie dat [appellant] in hoger beroep voor het overgrote deel in het ongelijk is gesteld, zodat het vonnis van de rechtbank – op het punt van de schutting na, waaromtrent het hof opnieuw zal oordelen als in het dictum te melden – zal worden bekrachtigd. Terecht is [appellant] door de rechtbank in de proceskosten van de eerste aanleg veroordeeld. Grief 8 faalt derhalve.

In hoger beroep zal het hof de proceskosten compenseren, nu [appellant] voor een deel in het gelijk is gesteld.

8 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het beroepen vonnis, doch slechts voor zover daarin de vordering tot verwijdering van de schutting (achter de schuur/stal en geplaatst achter de laurierstruiken) is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde 1] tot het verwijderen binnen 14 dagen na de betekening van dit arrest, en verwijderd houden, van de houten schutting, geplaatst achter de schuur/stal van [appellant] en achter de aldaar geplante laurierstruiken; op straffe van een dwangsom van € 200,- per dag dat [geïntimeerde 1] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 10.000,-;

bekrachtigt het beroepen vonnis voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep zodanig, dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, P.M. Arnoldus-Smit en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2014.