Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4779

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
23-12-2014
Zaaknummer
HD 200.137.627_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur woonruimte. Hennepplantage. Is de contractant huurder of vertegenwoordigde hij achterman?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.137.627/01

arrest van 18 november 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. K.E.J. Dohmen te Venlo,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

in hoger beroep niet verschenen,

op het bij de exploten van dagvaarding van 22 januari 2013 en 20 juni 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, van 8 december 2010, 5 oktober 2011 en 24 oktober 2012, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerde] als eiser in conventie, verweerder in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnr. 3389826 CV EXPL 10/3387)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het vonnis van 23 februari 2011.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen in hoger beroep;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

Tussen [geïntimeerde] als verhuurder en [appellant] als huurder heeft een (schriftelijke) huurovereenkomst bestaan ter zake van het woonhuis [adres 1] te [woonplaats 2].

De huurovereenkomst is ingegaan op 1 juni 2009 en liep volgens het contract tot 31 mei 2010. Er gold een opzegtermijn van drie maanden. De huurprijs bedroeg € 1.500,- exclusief servicekosten e.d. per maand.

Op 3 april 2010 is door de politie een hennepplantage in de woning aangetroffen.

Onder het contract staat de volgende tekst, ondertekend door partijen:

Vandaag 19.04.2010, [woonplaats 2], zegt dhr [appellant] het huurcontract op in overleg met dhr [geïntimeerde]. Per 03.04.2010 wil dhr [appellant] het contract beëindigen.

3.2.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] in conventie, zakelijk weergegeven:

- de kosten voor het herstel van de (opleverings)schade aan het pand ad € 16.051,01;

- de huur over de opzegtermijn over de (vier) maanden april tot en met juli 2010 ad 3 maal € 1.500,- = € 4.500,-;

- de kosten voor illegaal afgetapte stroom ad € 5.518,42;

- buitengerechtelijke kosten ad € 1.000,-.

3.3.

In het tussenvonnis van 8 december 2010 heeft de kantonrechter in het door [appellant] opgeworpen vrijwaringsincident (in het dictum) het incidenteel gevorderde afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. De hoofdzaak is verwezen naar de rol om voort te procederen.

3.4.

[appellant] heeft een conclusie van antwoord genomen en daarbij tevens een eis in reconventie ingesteld. Hij vorderde een bedrag van € 6.000,- terug (stellende dat dit een borgsom betrof), te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

In het tussenvonnis van 23 februari 2011 heeft de kantonrechter partijen gelast het schriftelijk debat voort te zetten.

3.6.

Na voortgezet debat heeft de kantonrechter bij vonnis van 5 oktober 2011

in conventie (in het dictum):

- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] het ter zake van de illegaal afgetapte stroom gevorderde bedrag van € 5.518,42 te betalen te vermeerderen met wettelijke rente;

- ter zake van de twee andere vorderingen bewijsopdrachten verleend aan [geïntimeerde] (de schade) en [appellant] (de instemming met de opzegging);

- de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen;

in reconventie (in het dictum)

- de vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.

3.7.

In het eindvonnis van 24 oktober 2012 heeft de kantonrechter [geïntimeerde] in de hem opgedragen bewijslevering geslaagd geacht en [appellant] niet geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

[appellant] is veroordeeld om aan [geïntimeerde] de gevorderde bedragen van € 16.051,01 en

€ 4.500,- te betalen te vermeerderen met de wettelijke rente. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

3.8.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] (in conventie) en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen (in reconventie).

3.9.

Tegen het vonnis van 8 december 2010 (afwijzing vrijwaringsincident) zijn geen grieven gericht. [appellant] is in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

3.10.

De vordering in reconventie is (in het dictum) van het vonnis van 5 oktober 2011 afgewezen. Tegen deze (deel)beslissing stond hoger beroep open gedurende een termijn van drie maanden ná dat vonnis. Er was immers in het dictum onherroepelijk beslist op enig deel van het gevorderde. Hoger beroep kan dan niet meer worden ingesteld bij eindvonnis.

[appellant] is in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. Aan een beoordeling van grief 5 komt het hof derhalve niet toe.

3.11.

Hetzelfde geldt voor de in conventie toegewezen schade ter zake van de illegaal afgetapte stroom. Voor zover [appellant] tegen deze veroordeling wil opkomen (in grief 4) is hij niet-ontvankelijk.

3.12.

In grief 1 betoogt [appellant] dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard ‘nu sprake is van strijdigheid met de substantiëringsplicht ex artikel 111 lid 3 Rv’. Hij is van mening dat [geïntimeerde] zijn vorderingen onvoldoende onderbouwd heeft nu de verweren van [appellant] niet in de inleidende dagvaarding staan opgenomen.

De grief faalt. [appellant] heeft tegen alle vorderingen van [geïntimeerde] toereikend verweer kunnen voeren. Voor niet-ontvankelijkverklaring acht het hof geen plaats.

3.13.

In grief 4, die het hof eerst zal beoordelen, concludeert [appellant] dat niet hij, maar ene [feitelijk huurder] feitelijk huurder was van het gehuurde en in de woning een hennepplantage heeft aangelegd en geëxploiteerd. Er zou sprake zijn van een schijnconstructie om mogelijk te maken dat [feitelijk huurder] feitelijk huurder zou zijn. In punt 20 van de memorie van grieven beschrijft [appellant] de gang van zaken als volgt:

[feitelijk huurder] heeft tot november 2009 een hennepplantage gehad op zijn thuisadres in [woonplaats 3]. Hij wilde deze verplaatsen en heeft [appellant] verzocht om in dat kader op zijn naam een woning te gaan huren. In ruil daarvoor mocht [appellant] in de woning verblijven. [appellant] is nooit betrokken geweest bij de hennepplantage en alle aanverwante zaken.

In het tussenvonnis van 5 oktober 2011 heeft de kantonrechter op dit verweer beslist met betrekking tot de illegaal afgetapte stroom. De kantonrechter heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat [appellant] aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of met zijn goedvinden daarop bevinden. Dit aan artikel 7:219 BW ontleende oordeel is juist en geldt niet alleen voor de illegaal afgetapte stroom, maar ook voor de aan het gehuurde toegebrachte schade.

[appellant] is, als degene die de huurovereenkomst is aangegaan, derhalve aansprakelijk, niet alleen als contractant voor de betaling van de huurtermijnen, maar ook voor de door derden, die zich vanwege hem in het gehuurde een hennepplantage hebben ingericht, toegebrachte schade. Dat [appellant] de woning ten behoeve van de hennepplantage aan [feitelijk huurder] feitelijk ter beschikking heeft gesteld ([appellant] is er overigens zelf blijven wonen) – en dat [feitelijk huurder] daarmee als feitelijk (mede)huurder moet worden aangemerkt – maakt dit niet anders. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn gesteld noch gebleken. In het bijzonder blijkt niet van betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de exploitatie van de hennepkwekerij.

De grief faalt mitsdien.

3.14.

Grief 2, de schade

3.14.1.

De kantonrechter heeft in het vonnis van 5 oktober 2011 [geïntimeerde] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat de schade, zoals door hem gespecificeerd, is ontstaan in de periode dat [appellant] de woning huurde. In het eindvonnis heeft de kantonrechter hem geslaagd geoordeeld in de bewijslevering. Ten aanzien van de hoogte van de gevorderde schade heeft de kantonrechter overwogen dat [appellant] niet genoegzaam en gespecificeerd verweer tegen de samengestelde onderdelen van de schadevordering heeft gevoerd.

In de toelichting op de grief, in punt 10, stelt [appellant] dat op het moment waarop hij de woning verliet er geen sprake was van (nieuwe) schade en ‘alles zag er immers bij aanvang van de huur al zo uit’. De radiator zou bij de aanvang van de huur al hebben gelekt. In relatie tot de schuifpui werden kennelijk uitsluitend de glaslatten verwijderd. Het dubbelglas bevond zich nog intact en afgedekt op het balkon. De beukenhaag werd met toestemming van [geïntimeerde] enigszins teruggesnoeid.

Naar het oordeel van het hof is nog steeds geen sprake van een genoegzaam en gespecificeerd verweer. Op welke schadeposten [appellant] specifiek doelt, die niet verschuldigd zouden zijn, gaat het hof niet zelf op zoek in de producties.

De blote ontkenningen en betwistingen zijn ontoereikend. Dat de schade al bestond ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst wordt wel gesteld, maar niet onderbouwd, laat staan aannemelijk gemaakt.

Aan het slot van de memorie van grieven doet [appellant] nog een in algemene bewoordingen vervat bewijsaanbod. Het hof passeert dit aanbod nu in eerste aanleg getuigen zijn gehoord en [appellant] niet aangeeft wie hij als getuigen (in aanvullende contra-enquête) wil doen horen en wat deze getuigen dan anders of meer kunnen verklaren dan de reeds gehoorde getuigen.

3.14.2.

In de toelichting op de grief onder de punt 11, 12 en 13 van de memorie van grieven stelt [appellant] dat er geen gezamenlijk opname heeft plaatsgevonden, dat er geen inspectierapport is opgemaakt, dat hem geen gelegenheid is gegeven voor herstel van de schade en dat hij nooit in gebreke is gesteld. Naar het hof begrijpt leidt hij hieruit af geen schadevergoeding verschuldigd te zijn.

Anders dan [appellant] kennelijk meent, brengt de omstandigheid dat geen (gezamenlijke) inspectie heeft plaatsgevonden voor het einde van de huur echter niet met zich dat hij in het geheel geen schadevergoeding verschuldigd is. De verplichting van de huurder om na het einde van de huur de zaak in goede staat terug te geven kan naar haar aard slechts worden nagekomen op het tijdstip waarop de huurovereenkomst eindigt (daaraan heeft [appellant] dus niet voldaan). Bij niet-nakoming van deze verplichting is de huurder zonder ingebrekestelling in verzuim. De functie van een voorafgaande inspectie in aanmerking genomen, kan een verhuurder in dat geval niet alle door hem gemaakte herstelkosten als schadevergoeding vorderen, maar slechts die kosten die de huurder zelf had moeten maken om de woning in goede staat op te leveren (HR 27-11-1998, NJ 1999/380). Dat er sprake is van schadeposten die [appellant] niet zelf had moeten maken om in goede staat op te leveren wordt overigens door hem niet gesteld en daarvan is ook niet gebleken. Dat [geïntimeerde] op 19 april 2010 niet heeft gesproken over eventuele gebreken maakt dit niet anders. Daarin kan geen verlies van de aanspraak van [geïntimeerde] op [appellant] worden gevonden. De hier aan de orde zijnde stellingen kunnen [appellant] dus niet baten.

3.14.3.

De grief faalt.

3.15.

Grief 3 heeft betrekking op de huur over de maanden mei, juni en juli 2010, de opzegtermijn. [appellant] volhardt bij zijn stelling dat partijen op 19 april 2010 beëindiging van de huurovereenkomst zijn overeengekomen (zie hiervoor rov. 3.1). In de toelichting op de grief zet hij niet uiteen waarom het oordeel van de kantonrechter onjuist zou. Voor zover [appellant] een herbeoordeling verlangt overweegt het hof het volgende.

In de grief wordt niet geklaagd over de bewijslastverdeling, zodat het hof uitgaat van de verdeling en de gronden daarvoor (vonnis 5 oktober 2011).

Bij de waardering van het bewijs heeft de kantonrechter gelet op de verklaringen van beide partijen en de tekst (hiervoor geciteerd in rov. 3.1).

De kantonrechter heeft ten aanzien van de verklaring van [appellant] overwogen dat deze op zich staat en niet aanknoopt bij de overige bewijsmiddelen. Kennelijk heeft de kantonrechter acht geslagen op het bepaalde in artikel 164 Rv. Dit is juist.

Verder heeft te gelden dat de omstandigheid dat beide partijen de overeenkomst willen beëindigen, dus ook [geïntimeerde], nog niet mee brengt dat wordt afgezien van de huur over de opzegtermijn. Zo’n termijn heeft in de regel de bedoeling de verhuurder in de gelegenheid te stellen een opvolgend huurder te vinden zonder dat huur wordt gederfd. Dat dit hier anders is, blijkt niet (anders dan uit de verklaring van [appellant] zelf). Anders gezegd: voor het instemmen van een beëindiging per direct door [geïntimeerde] bestaat geen goede grond.

Ten slotte neemt het hof in overweging dat uit de tekst van de beëindigingsafspraak blijkt dat sprake is van opzegging van de overeenkomst. Daarin ligt besloten dat dit geschiedt met een opzegtermijn, temeer nu de tekst niet bepaalt ‘per direct’. Verder staat er dat [appellant] het contract per 3 april 2010 (met terugwerkende kracht) wil beëindigen. Er staat niet dat [geïntimeerde] hiermee instemt. Aan de tekst kan derhalve geen bewijs worden ontleend die de verklaring van [appellant] (voldoende) ondersteunt.

Het hof is op deze gronden met de kantonrechter van oordeel dat [geïntimeerde] niet is geslaagd in het door hem bij te brengen bewijs.

De grief faalt mitsdien.

3.17.

Nu de grieven falen dienen de vonnissen waarvan beroep te worden bekrachtigd, voor zover [appellant] ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Hij wordt in de proceskosten veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van 8 december 2010;

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk voor zover zijn hoger beroep betrekking heeft op kwesties die onherroepelijk zijn beslist in het tussen(deel)vonnis van 5 oktober 2011;

bekrachtigt de vonnissen van 5 oktober 2011 en 24 oktober 2012 voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.B. den Hartog Jager, N.J.M. van Etten en M. van Ham en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2014.