Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4774

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
HD 200.131.258_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

opzegging na 104 weken ziekte en met toestemming van het UWV, kennelijk onredelijk ontslag? Is sprake van bijkomende omstandigheden op grond waarvan ontslag kennelijk onredelijk moet worden geoordeeld?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0991
AR 2014/870

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.131.258/01

arrest van 18 november 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. I.A.W. van den Broek te Veldhoven,

tegen

Lindeboom Bierbrouwerij B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna: Lindeboom,

advocaat: mr. H. Barrahmun te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 17 september 2013 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 362431/CV EXPL 13-208 gewezen vonnis van 8 mei 2013.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 17 september 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 14 oktober 2013;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- de akte van [appellante];

- de antwoordakte van Lindeboom.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de vier grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1.

Bij de beoordeling kan worden uitgegaan van de volgende door de kantonrechter vastgestelde feiten, waartegen geen grieven zijn aangevoerd:

7.1.1.

[appellante] is op 10 mei 1999 bij Lindeboom in dienst getreden en verrichtte werkzaamheden als administratief medewerkster.

7.1.2.

In november 2009 (in het beroepen vonnis is abusievelijk 2010 vermeld) heeft [appellante] Lindeboom verzocht om in te stemmen met een vermindering van haar arbeidsuren met ingang van het einde van haar zwangerschaps- en bevallingsverlof. Partijen hebben dienaangaande geen overeenstemming bereikt.

7.1.3.

[appellante] heeft zich op 16 november 2009 ziek gemeld en is sindsdien arbeidsongeschikt gebleven, met dien verstande dat zij van 15 januari 2010 tot en met 3 mei 2010 zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft genoten.

7.1.4.

Lindeboom heeft op 25 maart 2011 bij de kantonrechter een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ingediend. Dit verzoek heeft de kantonrechter bij beschikking van 23 mei 2011 afgewezen.

7.1.5.

Bij beschikking van 2 februari 2012 is aan [appellante] een uitkering ingevolge de Wet WIA toegekend, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%.

7.1.6.

Op 13 april 2012 heeft het UWV Werkbedrijf het verzoek van Lindeboom om toestemming om de arbeidsovereenkomst met eiseres op te zeggen, gehonoreerd.

7.1.7.

Lindeboom heeft het dienstverband met [appellante] tegen 1 juli 2012 opgezegd.

7.2.

[appellante] vordert in eerste aanleg (na eisvermindering), bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat de opzegging van het dienstverband door Lindeboom kennelijk onredelijk is;

- Lindeboom te veroordelen aan [appellante] te betalen een vergoeding op grond van art. 7:681 BW ter hoogte van € 12.090,85 bruto, althans een door de kantonrechter te bepalen vergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente;

- Lindeboom te veroordelen aan [appellante] te betalen de vergoeding wegens te late betaling (wettelijke verhoging) en de wettelijke rente over het op 3 april 2013 alsnog ontvangen netto-equivalent van het bruto-bedrag van € 3.570,74 ter zake de niet genoten vakantiedagen;

- Lindeboom te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van de procedure.

7.3.

Bij het beroepen vonnis heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellante] afgewezen met uitzondering van de hiervoor onder de derde gedachtestreep weergegeven vorderingen. De proceskosten heeft de kantonrechter gecompenseerd.

7.4.

Tegen de door de kantonrechter toegewezen vorderingen zijn geen (incidentele) grieven gericht, zodat dat onderdeel van het vonnis niet in hoger beroep aan de orde is. In hoger beroep gaat het enkel om de vragen of de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Lindeboom kennelijk onredelijk is en Lindeboom uit dien hoofde schadeplichtig is.

7.5.

Met de grieven I, II en III komt [appellante] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging.

7.6.

Lindeboom heeft verweer gevoerd. De nadere stellingen van partijen komen, voor zover relevant, hierna aan de orde.

7.7.1.

In deze zaak beroept [appellante] zich op het zogenaamde “gevolgen-criterium” van art. 7:681 lid 2 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek.

7.7.2

Het hof stelt daarbij het volgende voorop. Of een opzegging kennelijk onredelijk is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien.

In deze zaak is de arbeidsovereenkomst door Lindeboom opgezegd na 104 weken van aaneengesloten ziekte van [appellante], met inachtneming van de geldende opzegtermijn en na verkregen toestemming van het UWV. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een dergelijke opzegging op zichzelf niet kennelijk onredelijk is. Bijkomende omstandigheden kunnen leiden tot een ander oordeel. Dergelijke bijkomende omstandigheden kunnen zijn gelegen in het verband tussen het werk en de arbeidsongeschiktheid, de verwijtbaarheid van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid en de opstelling van de werkgever met betrekking tot de re-integratie. De stelplicht en bewijslast van die bijzondere omstandigheden rusten op de werknemer.

Verband tussen werk en arbeidsongeschiktheid

7.8.1.

Uit de stellingen van partijen en de stukken waarnaar zij verwijzen blijkt het volgende. Op 3 november 2009 heeft [appellante] een gesprek gehad met dhr. [leidinggevende 1] van Lindeboom over de duur van het dienstverband na haar zwangerschapsverlof. [appellante] heeft toen aangegeven dat zij graag de ene week 32 uur en de andere week 24 uur wilde gaan werken. Bij brief van 8 november 2009 reageert [leidinggevende 1] als volgt naar [appellante]:

In een gesprek hebben wij aangegeven dat Lindeboom dit verzoek moet afwijzen op grond van zwaarwegende bedrijfsbelangen en roostertechnische problemen op de afdeling facturatie. Een en ander hebben wij u uitvoerig toegelicht. Wij hebben u vervolgens een 32-urige werkweek met op iedere dinsdag verlof aangeboden. Gaarne vernemen wij van u of u zich hierin kunt vinden.

Vervolgens hebben partijen kennelijk nader gesprekken gevoerd op 9 en 11 november 2009. Naar aanleiding van die gesprekken heeft [leidinggevende 1] bij brief van 12 november 2009 het volgende aan [appellante] bericht:

Op 9 november jl. hebben wij een gesprek met jou gehad. In dit gesprek hebben wij aangegeven dat Lindeboom jou, op grond van bedrijfsbelangen en roostertechnische problemen op de afdeling facturatie, alleen een 32-urige werkweek met op iedere dinsdag verlof kan aanbieden (…)

In het gesprek kwam ook de zeer gespannen en ijzige sfeer op de afdeling facturatie aan de orde. Er is vrijwel geen communicatie tussen jou en jouw collega’s. Wij hebben op 10 november gesprekken gevoerd met jouw collega’s. Gebleken is dat er reeds langdurig sprake is van een kille sfeer als jij er bent. Er is een steeds moeizamere arbeidssituatie ontstaan en deze is afgelopen week geëscaleerd. Wij hebben met alle betrokken medewerkers van de afdeling gesprekken gevoerd. Opvallend is dat alle medewerkers erg veel moeite hebben met de samenwerking met jou, in het bijzonder op communicatief vlak.

Voor Lindeboom is een goed functionerende afdeling en een ongestoorde voortgang van de werkzaamheden van groot bedrijfsbelang. Uit de verschillende gesprekken en eigen observaties van de situatie op de afdeling is gebleken dat er sprake is van een onwerkbare arbeidssituatie en het ziet er niet naar uit dat hierin op korte termijn verbetering zal optreden. Jouw collega’s voelen zich zeer opgelaten en hebben moeite om gemotiveerd naar het werk te komen als jij er bent. Om deze reden zagen wij ons helaas genoodzaakt om op korte termijn maatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat de situatie nogmaals escaleert. Wij zijn verantwoordelijk voor al onze medewerkers en dienen er voor te waken dat er geen vijandige sfeer ontstaat.

Op 11 november hebben wij dan ook een gesprek met jou gevoerd over de ontstane situatie. Om de gespannen situatie niet verder te laten escaleren hebben wij besloten jou vanaf heden tot het begin van het zwangerschapsverlof medio januari 2010 een andere werkplek toe te wijzen op het kantoor van een van onze vertegenwoordigers. Wij achten deze oplossing in het belang van alle partijen. Wij zullen de situatie na afloop van jouw bevallingsverlof (mei 2010) opnieuw bezien.

[appellante] stelt dat zij vervolgens op advies van haar verloskundige haar werkzaamheden per direct diende te staken. Zij heeft zich op 16 november 2009 ziek gemeld. Zij verwijst naar de door haar in afschrift overgelegde en door haar verloskundige [verloskundige] ondertekende “Zwangerschapsverklaring” van 18 november 2009, met onder meer de volgende inhoud:

De zwangerschap is tot nu toe zonder complicaties verlopen

Recent zijn de werkomstandigheden dusdanig veranderd dat mevrouw hier psychisch van overbelast is.

Mevrouw is op het moment emotioneel niet stabiel, huilt veel en ervaart veel stress! Dit alles is reden genoeg om mevrouw het advies te geven het werk direct stil te leggen, om mevrouw en haar ongeboren kind rust te geven (…)

Gezien haar anamnese vrezen wij voor emotionele instabiliteit en moeten we waken voor een depressie We hebben geadviseerd psychologische hulp te zoeken (…)

De schriftelijke terugkoppeling van Capability Verzuim Expertise Centrum d.d. 17 november 2009 (de arbo-dienst van Lindeboom) vermeldt het volgende:

Klachten: moe/slecht slapen/stress/spanningen/emotioneel/huilbuien.

Oorzaak: Problemen op het werk en privé omstandigheden.

Werk: Ivm zwangerschap informeerde zij naar de mogelijkheden van minder te gaan werken na de bevalling. Ineens kreeg zij van leidinggevende en collega’s de wind van voren en was er niets meer goed. Zij zou het schuld zijn dat er een slechte sfeer en communicatie was. Als tijdelijke oplossing werd haar aangeboden om alleen in een aparte ruimte te gaan werken. Zij kan hiermee niet goed omgaan.

Privé: Vader is in maart ’09 overleden en schoonvader heeft nu een herseninfarct gehad

(…)

Momenteel geen zicht op werkhervatting.

7.8.2.

Op basis van de hiervoor weergegeven gang van zaken staat voor het hof voldoende vast dat de geëscaleerde of gespannen situatie op de werkvloer, zoals beschreven in de brief van Lindeboom d.d. 12 november 2009, in combinatie met privé-omstandigheden, de directe aanleiding is geweest voor de ziekmelding van [appellante] op 16 november 2009.

Kan Lindeboom een verwijt worden gemaakt van de arbeidsongeschiktheid van [appellante]?

7.8.3.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of Lindeboom enig verwijt kan worden gemaakt van die gespannen situatie op de werkvloer en als gevolg daarvan de arbeidsongeschiktheid van [appellante].

7.8.4.

[appellante] voert, althans zo begrijpt het hof haar stellingen onder 10 en 11 van de dagvaarding en onder 28 en 29 van de memorie van grieven, aan dat haar leidinggevenden [leidinggevende 1] en [leidinggevende 2] niet adequaat hebben gereageerd op haar mondeling verzoek van 3 november 2009 om arbeidsduurvermindering. [appellante] zou hebben aangegeven dat zij het verzoek om arbeidsduurvermindering zelf met haar collega’s wilde bespreken, maar dat mocht zij niet van [leidinggevende 1]. In plaats daarvan werden haar collega’s vrijwel onmiddellijk door [leidinggevende 2] op de hoogte gebracht van het verzoek. Op welke wijze [leidinggevende 2] dat heeft gedaan is [appellante] onbekend, maar het zal weinig positief zijn geweest, aldus [appellante]. De collega’s waren woedend op [appellante]. Het feit dat [appellante] hen niet eerder had ingelicht over haar voornemen werd achterbaks gevonden. Noch [leidinggevende 1], noch [leidinggevende 2] hebben het voor [appellante] opgenomen. Integendeel men verwijt [appellante] in de brief van 12 november 2009 “gebrekkige communicatie”. Sinds wanneer moet een werkneemster haar (parttime) collega’s vragen om arbeidsduurverkorting of ouderschapsverlof, aldus [appellante].

7.8.5.

Het hof overweegt hierover het volgende.

De -enkele- veronderstelling van [appellante] dat [leidinggevende 2] de collega’s van [appellante] op weinig positieve wijze heeft geïnformeerd over het verzoek tot arbeidsduurvermindering van [appellante] is door Lindeboom gemotiveerd betwist. Die veronderstelling van [appellante] zal het hof derhalve als onvoldoende onderbouwd passeren.

Dan resteert de stelling van [appellante] dat Lindeboom [appellante], ondanks haar verzoek daartoe, niet de gelegenheid heeft gegeven om eerst haar collega’s te informeren over haar verzoek tot arbeidsduurvermindering. Het hof acht geenszins aannemelijk dat Lindeboom, aldus handelend, een verwijt kan worden gemaakt van de ziekmelding van [appellante]. Naar het hof aanneemt zijn de collega’s op de hoogte gesteld van het feit dat het verzoek van [appellante] om arbeidsduurvermindering verband hield met de verwachte geboorte van haar kind. Ook [appellante] had dit, nadat haar collega’s waren geïnformeerd over haar verzoek, zelf nader kunnen toelichten. Het door [appellante] gedane bewijsaanbod ter zake de handelwijze van Lindeboom op dit punt zal het hof derhalve als niet relevant passeren.

Bij memorie van grieven maakt [appellante] nog, zonder nadere toelichting, melding van het feit dat haar bij brief van 12 november 2009 werd medegedeeld dat zij op een andere afdeling diende te gaan werken.

Lindeboom heeft bij antwoord in eerste aanleg aangegeven dat zij [appellante] voor slechts twee maanden, tot aan haar zwangerschapsverlof, een andere werkplek heeft toegewezen om de gespannen situatie niet verder te laten escaleren. Lindeboom was van mening dat dit een prima oplossing was voor deze relatief korte periode, die te kort was om concrete stappen ter verbetering van de situatie te zetten.

In het licht van die uiteenzetting door Lindeboom had van [appellante] nader mogen worden verwacht dat zij had toegelicht wat zij Lindeboom in dit kader verwijt. Dat heeft [appellante] niet gedaan.

Nu enige andere onderbouwing evenmin wordt gegeven, is niet gebleken dat Lindeboom een verwijt treft van de kennelijk geëscaleerde situatie tussen [appellante] en haar collega’s en daarmee van haar ziekmelding.

7.8.6.

Er is evenmin gebleken dat de arbeidsongeschiktheid is toe te rekenen aan Lindeboom op grond van vóór november 2009 gelegen gedragingen van Lindeboom. Integendeel. Vaststaat dat [appellante] in de periode van 26 februari 2007 tot 23 juli 2007 arbeidsongeschikt is geweest (de stelling van Lindeboom dat dit vanaf 26 februari 2006 was berust kennelijk op een verschrijving, gelet op de eerste ziektedag waarvan in de producties 1 en 4 bij de conclusie van antwoord melding wordt gemaakt). Uit de overgelegde en niet weersproken probleemanalyse van arbo-arts [arbo-arts] blijkt dat sprake was van “psychische klachten op basis van conflict op het werk (+intra persoonlijk)”. Na een re-integratie traject en kennelijk ook mediation is de situatie op het werk verbeterd, waarna [appellante] haar werkzaamheden voor hele dagen heeft hervat.

Vervolgens is [appellante], na het overlijden van haar vader op 15 maart 2009 van 23 maart 2009 tot 20 april 2009 arbeidsongeschikt geweest. Blijkens de rapportage van de arbo-arts is [appellante] als gevolg van rouwverwerking en een aantal andere persoonlijke en emotioneel belastende factoren tijdelijk en afnemend beperkt geweest in omgaan met stress en spanningen. Zij heeft conform het advies van de arbo-arts haar werkzaamheden hervat op 20 april 2009, met als advies onder meer de klantencontacten te beperken. Na 3 à 4 weken was volledig herstel te verwachten, aldus de arbo-arts. Ook indien Lindeboom zou hebben nagelaten de collega’s van [appellante] te informeren dat zij geleidelijk het werk moest hervatten, hetgeen Lindeboom overigens betwist, valt niet in te zien dat die handelwijze in april 2009 enig verband heeft met de ziekmelding van [appellante] op 16 november 2009.

De stelling van [appellante] dat Lindeboom consequent heeft getracht de overige medewerkers tegen [appellante] op te zetten (gesteld onder 21 dgv) wordt bij gebrek aan enige onderbouwing verworpen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.

7.8.7.

De tussenconclusie is derhalve dat niet is gebleken dat Lindeboom van de ziekmelding van [appellante] op 16 november 2009 een verwijt kan worden gemaakt of dat de oorzaak van die ziekmelding (overwegend) aan Lindeboom is toe te rekenen.

Handelwijze Lindeboom tijdens de arbeidsongeschiktheidsperiode/re-integratie

7.9.1.

Vervolgens moet worden bezien of Lindeboom al dan niet adequate begeleiding of ondersteuning heeft geboden aan [appellante] in het kader van haar re-integratie. Er is niet gesteld of gebleken dat Lindeboom is tekortgeschoten in haar wettelijke verplichtingen in het kader van de re-integratie van [appellante].

7.9.2.

[appellante] voert echter aan dat Lindeboom er verantwoordelijk voor is dat [appellante] ziek is gebleven.

Zij grondt dit op het volgende:

  1. [appellante] is tijdens haar ziekte geconfronteerd met het feit dat Lindeboom haar salaris ten onrechte had verminderd;

  2. [appellante] is tijdens haar ziekte geconfronteerd met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst dat door de kantonrechter als strijdig met het opzegverbod is afgewezen;

  3. na de bevalling is [leidinggevende 1] van Lindeboom bij [appellante] op bezoek geweest. Bij die gelegenheid deelde [leidinggevende 1] mee dat na de het zwangerschapsverlof gestreefd zou worden naar beëindiging van het dienstverband van [appellante].

7.9.3.

Lindeboom voert het volgende verweer:

  1. Lindeboom heeft het salaris enkel verlaagd omdat zij ervan uitging (en redelijkerwijs ervan uit mocht gaan) dat [appellante] akkoord was met een arbeidsduurvermindering tot 32 uur. Nadat [appellante] in kort geding in het gelijk was gesteld, heeft Lindeboom alsnog het volledige salaris voldaan; dat deze zakelijke discussie op enige wijze invloed op het voortduren van de arbeidsongeschiktheid van [appellante] heeft gehad is niet onderbouwd of aangetoond;

  2. Lindeboom heeft op uitdrukkelijk en herhaald advies van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts van het UWV het ontbindingsverzoek ingediend. Ook [appellante] was al vanaf het begin van de re-integratie van mening dat zij haar werkzaamheden bij Lindeboom niet kon hervatten. Dat het indienen van het ontbindingsverzoek aan het herstel van [appellante] in de weg heeft gestaan wordt niet onderbouwd of aangetoond. Na afwijzing van het ontbindingsverzoek heeft Lindeboom direct een nieuwe bedrijfsarts ingeschakeld. Ook het UWV heeft geoordeeld dat Lindeboom aan haar re-integratieverplichting heeft voldaan.

  3. Lindeboom betwist bij gebrek aan wetenschap dat [leidinggevende 1] tijdens de kraamvisite zou hebben meegedeeld dat na het verlof van [appellante] naar een beëindiging van het dienstverband zou worden gestreefd. [appellante] onderbouwt dit niet. [leidinggevende 1] is in 2011 overleden en kan zich hiertegen niet verdedigen.

7.9.4.

Het hof stelt allereerst vast dat [appellante] reeds begin juni 2010 zelf heeft aangegeven niet meer terug te kunnen naar Lindeboom (zo blijkt uit de als bijlage 8 bij productie 7 bij dagvaarding overgelegde rapportage van de bedrijfsarts van Lindeboom van 4 juni 2010: ‘werkneemster werkt niet en geeft ook aan niet meer terug te kunnen’). Uit de overgelegde rapportages blijkt voorts dat de het door Lindeboom ingediende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst na advies daartoe van de bedrijfsarts is ingediend. Dat verzoek is afgewezen bij beschikking van de kantonrechter van 23 mei 2011. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat een re-integratie bij een ander bedrijf mogelijk aan de orde is. Lindeboom heeft vervolgens aan haar verplichtingen gericht op een re-integratie in het tweede spoor voldaan. Gelet op het voorgaande en gelet op het tijdsverloop tussen de beschikking van de kantonrechter (23 mei 2011) en de datum van de ontslagvergunning (13 april 2012), is niet gebleken dat de arbeidsongeschiktheid van [appellante] verband houdt met het ingediende ontbindingsverzoek. Hetzelfde geldt voor de beweerdelijk gedane mededeling van [leidinggevende 1] tijdens de kraamvisite in 2010. Het bewijsaanbod van [appellante] over die mededeling zal het hof derhalve als niet relevant passeren.

Ten aanzien van de salarisverlaging heeft Lindeboom gemotiveerd aangegeven dat zij in de veronderstelling verkeerde dat tussen partijen overeenstemming bestond inhoudend dat [appellante] na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof zou gaan weken voor maximaal 32 uur per week. Lindeboom heeft na het aangespannen kort geding, waarbij zij op 23 mei 2011 in het ongelijk is gesteld, het verschuldigde salaris voldaan.

Ook in die handelwijze van Lindeboom ziet het hof geen bijkomende omstandigheid die, ook in samenhang met de andere gestelde gedragingen, de conclusie rechtvaardigt dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag. Ten eerste is de stellingname van Lindeboom dat in elk geval mondeling overeenstemming bestond over het feit dat [appellante] na haar zwangerschaps- en bevallingsverlof maximaal 32 uur zou gaan werken in het licht van de correspondentie voorafgaand aan de ziekmelding geenszins onbegrijpelijk. Bovendien geldt ook hier dat sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen het vonnis in kort geding en de datum van de ontslagvergunning. Het hof kan wel begrijpen dat een en ander tot omstreeks 23 mei 2011 heeft geleid tot een voortduren van haar arbeidsongeschiktheid, maar zonder nadere toelichting, die niet is gegeven door [appellante], valt niet goed in te zien dat in de periode na 23 mei 2011 (datum beschikking kantonrechter) tot 9 februari 2012 (datum aanvraag ontslagvergunning) haar voortdurende arbeidsongeschiktheid is te wijten aan Lindeboom.

7.9.5.

[appellante] voert nog aan dat zij -kennelijk tijdens haar ziekte- toestemming heeft gekregen van Lindeboom om met haar moeder van 12 tot en met 24 mei 2010 op vakantie te gaan. [leidinggevende 2] gaf aan dat hij persoonlijk de collega’s van [appellante] op de hoogte zou stellen van de achtergrond van deze vakantie (die aanvankelijk was geboekt door de ouders van [appellante] in verband met hun 35 jarig huwelijk). Het verlof is echter, aldus [appellante], -zonder toelichting- in de agenda geboekt. [appellante] kreeg op dat moment de volle laag van haar collega’s.

7.9.6.

Het hof overweegt dat niet valt in te zien dat het achterwege blijven van een eventuele toelichting door Lindeboom op het aan [appellante] in 2010 verleende verlof tijdens haar ziekte verband houdt met haar arbeidsongeschiktheid in 2012. Het hof wijst erop dat [appellante] enig misverstand over de reden van de reis feitelijk gemakkelijk had kunnen wegnemen. Het door [appellante] gedane bewijsaanbod omtrent de wijze waarop het verlof is verleend passeert het hof als niet relevant.

7.9.7.

Tenslotte neemt het hof nog in aanmerking dat [appellante] niets heeft gesteld over de financiële gevolgen van het ontslag, waarbij het hof er in het licht van de overgelegde correspondentie vanuit gaat dat het de bedoeling van beide partijen was dat [appellante] het werk na zwangerschaps- en bevallingsverlof maximaal voor 32 uur per week zou hervatten.

7.10.

Het hof komt tot de slotsom dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag, zodat de op die grondslag gebaseerde vorderingen van [appellante] worden afgewezen.

7.11.

Het vonnis van de kantonechter, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden bekrachtigd. Lindeboom heeft nog gevorderd dat [appellante] wordt veroordeeld in de buitengerechtelijke incassokosten en in de proceskosten in eerste aanleg. Het hof overweegt dat de kantonrechter terecht de buitengerechtelijke incassokosten heeft afgewezen, omdat [appellante] niet heeft gesteld wat zij meer heeft gedaan dan ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak. Ook in hoger beroep ontbreekt die toelichting. Het hof overweegt voorts dat de kantonrechter terecht de proceskosten heeft gecompenseerd, nu partijen bij dat vonnis over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld.

7.12.

[appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Lindeboom in hoger beroep.

8 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 8 mei 2013 voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] worden begroot op € 1.341,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na betekening van dit arrest tot aan de dag der voldoening;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M. van Ham en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2014.