Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4763

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
HD 200.124.110_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:380
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diefstal boot. Geen bescherming van de verkrijger tegen onbevoegdheid van de vervreemder nu de verkrijger niet te goeder trouw was als bedoeld in artikel 3:86 lid 1 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 86, geldigheid: 2014-11-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 3, p. 160
NJF 2015/7

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.124.110/01

arrest van 18 november 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. B.L.G. Moolhuijsen te Roermond,

tegen

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Achmea,

advocaat: mr. R. Ketting te Zwolle,

op het bij exploot van dagvaarding van 30 januari 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Roermond van 28 maart 2012 en 31 oktober 2012, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en Achmea als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 112804/HA ZA 11-624)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met producties;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord met één productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

( i) De heer [vorige eigenaar] (hierna: de heer [vorige eigenaar]) was eigenaar van een motorboot, merk Baja, type 302, bouwjaar 2004, met registratienummer [registratienummer] en CIN (rompnummer) [rompnummer]. De inboordmotor was van het merk Mercruiser, type 496MAG, serienummer [serienummer ].

De boot (met trailer) is tussen 10 maart 2006 en 13 maart 2006 gestolen uit een opslagloods te [plaats] (proces-verbaal van aangifte, prod. 4, bijlage 1 inleidende dagvaarding).

(ii) De boot was bij Achmea tegen diefstal verzekerd voor een bedrag van € 145.000.

Achmea heeft aan de heer [vorige eigenaar] een schadebedrag van € 133.202 (incl. trailer etc.) uitgekeerd, waarna de heer [vorige eigenaar] de eigendom van de boot aan Achmea heeft overgedragen. Uit de door [bedrijf] Experts B.V. op 24 maart 2006 opgemaakte schadeopstelling blijkt van een (dag-) waarde van de boot van € 122.400 (prod. 8 inleidende dagvaarding).

(iii) Op 16 september 2011 heeft de waterpolitie Maasbracht in de haven van [plaats] de bij [appellant] in het bezit zijnde boot, merk Baja, met registratienummer [registratienummer] en CIN [rompnummer], in beslag genomen. Op 14 november 2011 heeft Achmea op deze boot conservatoir beslag gelegd (prod. 5 inleidende dagvaarding).

(iv) In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de KLPD Waterpolitie van 19 september 2011 (prod. 4, bijl. 2 inleidende dagvaarding) is met betrekking tot het in of op de romp aangebrachte CIN [rompnummer] vermeld dat volgens een medewerker van het team vaartuigcriminaliteit van het KLPD dit nummer een niet bestaand rompnummer was, zodat de identiteit van de boot was veranderd en het vermoeden bestond dat de boot van diefstal afkomstig was.

( v) In het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de KLPD, team vaartuigcriminaliteit, van 28 september 2011 (prod. 4, bijl. 7 inleidende dagvaarding) is onder meer het volgende vermeld:

“Het CIN (Craft Identification Number) van een vaartuig is een fabrieksmatig aangebracht uniek nummer dat krachtens wettelijk voorschrift vast en onverbrekelijk in of op de romp van vaartuigen is aangebracht.

()

Wij zagen dat het CIN [rompnummer], op het door ons onderzochte vaartuig, op de plaats, maar niet op de wijze was aangebracht zoals de fabrikant van Baja dat standaard doet. Wij zagen dat de vorm van het CIN afweek van de CIN’s die Baja gewoonlijk aanbrengt.

Het is ons bekend dat door de fabrikant van Baja vaartuigen, In dan wel aan het vaartuig een ander kenmerk wordt aangebracht waaruit de juiste identiteit van het vaartuig kan worden herleid. () Wij zagen dat een kenmerk aanwezig was en dat dit kenmerk hoort bij een vaartuig van het merk Baja type 302 voorzien van het CIN [rompnummer].

Op grond van deze bevindingen stellen wij dat het CIN [rompnummer] op het door ons onderzochte vaartuig vervalst danwel valselijk aangebracht is.

()

Bij navraag in de politiesystemen bleek dat het CIN [rompnummer] overeen kwam met het CIN van het vaartuig van het merk Baja type 302, welke tussen () 10 maart 2006 en () 13 maart 2006 weggenomen werd te [plaats].

()

Wij zagen dat de motor in het door ons onderzochte vaartuig (Foto 8) de volgende kenmerken had:

()

Motor merk : Mercruiser

Motor type : 496MAG

Motor serienummer : [serienummer ]

()

Uit informatie van de fabrikant van Mercruiser bleek dat het motor serienummer [serienummer ] niet afgegeven is voor een motor van het merk Mercruiser type 496MAG.

Op grond van onze kennis en ervaring stellen wij dat de nummers op het luchtfilter van de door ons onderzochte motor, vervalst dan wel valselijk aangebracht zijn.

()

Gelet op bovenstaande bevindingen kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden gesteld, dat het door ons onderzochte vaartuig, dezelfde is als het vaartuig, van het merk Baja type 302, welke tussen ()10 maart 2006 en () 13 maart 2006 weggenomen werd te [plaats].”

(vi) [appellant] is op 26 september 2006 door de verbalisanten van de KLPD verhoord. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt (prod. 4, bijl. 8 inleidende dagvaarding).

(vii) In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de KLPD, waterpolitie, van 10 oktober 2011 (prod. 4 inleidende dagvaarding) is onder verwijzing naar foto 5 (prod. 4, bijl. 6 inleidende dagvaarding) vermeld dat in de onder [appellant] aangetroffen boot nabij de stuurstand duidelijk zichtbaar een origineel CE plaatje was aangebracht, waarop stond dat de boot een Baja betrof van het type 302.

3.2

Achmea heeft [appellant] in rechte betrokken en gevorderd voor recht te verklaren dat Achmea eigenaar is van de boot en [appellant] te veroordelen tot afgifte van de boot aan Achmea, op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3

Nadat [appellant] gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij het bestreden eindvonnis de vorderingen van Achmea toegewezen (behoudens de hoogte van de dagelijks te verbeuren dwangsom), met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat de onder [appellant] aangetroffen boot de gestolen boot van de heer [vorige eigenaar] betreft, zodat [appellant] de boot van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen beroep toekomt op de in artikel 3:86 BW opgenomen bescherming omdat hij de boot niet anders dan om niet heeft verkregen en omdat [appellant] niet kan worden aangemerkt als zijnde te goeder trouw.

3.4.

[appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Achmea, met veroordeling van Achmea in de kosten van beide instanties.

3.5.

[appellant] heeft geen grief gericht tegen het tussenvonnis van 28 maart 2012 en zal in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard in zijn hoger beroep.

3.6

[appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. Deze grieven zijn gericht tegen voormelde beslissingen van de rechtbank. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.7.

Het hof zal eerst beoordelen of de boot die onder [appellant] is aangetroffen de boot is die tussen 10 maart 2006 en 13 maart 2006 van de toenmalige eigenaar, de heer [vorige eigenaar], is gestolen. Indien dit het geval blijkt te zijn, ligt vervolgens ter beantwoording voor de vraag of [appellant] met succes een beroep kan doen op het bepaalde in artikel 3:86 lid 1 BW en daarmee de revindicatievordering van Achmea kan afweren. Daarvoor is vereist dat [appellant] de gestolen boot anders dan om niet heeft verkregen en dat hij ten tijde van de bezitsverkrijging te goeder trouw was.

3.8.

[appellant] bestrijdt dat de onder hem aangetroffen boot, merk Baja, met registratienummer [registratienummer] en CIN [rompnummer], de in maart 2006 van de heer [vorige eigenaar] gestolen en aan Achmea in eigendom overgedragen boot, merk Baja, type 302, met registratienummer [registratienummer] en CIN [rompnummer], betreft.

3.9.

Het hof overweegt als volgt.

3.9.1

Uit het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen van de KLPD Waterpolitie van 19 september 2011 (zie rov. 3.1. sub (iv)) blijkt dat in de romp van de op 16 september 2011 onder [appellant] aangetroffen boot het CIN [rompnummer] was aangebracht en dat dit nummer een niet bestaand nummer was, zodat, aldus de politie, de identiteit van de boot is veranderd. [appellant] heeft zulks niet betwist, zodat in rechte vaststaat dat het oorspronkelijk door de fabrikant van Baja vaartuigen aangebrachte CIN is verwijderd en een nieuw nummer is aangebracht.

Uit het op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de KLPD van 28 september 2011 blijkt dat de KLPD, groep Expertise, team vaartuigcriminaliteit (zie rov. 3.1. sub (v)) op 22 september 2011 een onderzoek heeft ingesteld naar de juiste identiteit van de bij [appellant] in bezit zijnde boot. Uit dit proces-verbaal blijkt onder meer dat het serienummer dat op het luchtfilter van de motor, merk Mercruiser, type 496MAG, was aangebracht volgens de fabrikant van de Mercruiser niet is afgegeven voor de onderhavige motor. [appellant] heeft niet betwist dat het aangebrachte serienummer niet is afgegeven voor een motor van het merk Mercruiser, type 496MAG, zodat dit in rechte vaststaat.

Uit laatstgenoemd proces-verbaal van bevindingen blijkt verder dat het de politie bekend is dat door de fabrikant van Baja vaartuigen naast een CIN tevens een ander, naar het hof begrijpt geheim, kenmerk wordt aangebracht, waaruit de juiste identiteit van het vaartuig kan worden herleid. Dit geheime kenmerk dat in/aan de boot was aangebracht, hoort volgens het proces-verbaal van bevindingen bij een vaartuig van het merk Baja, type 302, voorzien van het CIN [rompnummer], zijnde het CIN van de boot die in maart 2006 te Weert is gestolen.

3.9.2

[appellant] stelt dat, nu de politie niet aangeeft om welk specifiek ander kenmerk het gaat, zonder nadere toelichting niet kan worden geconcludeerd dat de bij [appellant] aangetroffen boot de gestolen boot van de heer [vorige eigenaar] betreft met CIN [rompnummer].

[appellant] betwist kennelijk niet dat door de fabrikant van Baja vaartuigen een ander kenmerk in of aan de boot is aangebracht, waaruit de identiteit (het CIN) kan worden herleid. [appellant] bedoelt kennelijk dat, nu hij niet weet om welk ander kenmerk het gaat, hij niet kan verifiëren of dit kenmerk behoort bij het CIN van de gestolen boot van de heer [vorige eigenaar].

Op Achmea rust de stelplicht, en bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast dat de bij [appellant] aangetroffen boot de gestolen boot van de heer [vorige eigenaar] betreft met CIN [rompnummer].

[appellant] heeft de juistheid van de neergelegde bevindingen in het proces-verbaal van de KLPD van 28 september 2011 voldoende gemotiveerd bestreden met zijn stelling dat hij niet kan controleren of het door de KLPD in de boot aangetroffen kenmerk behoort bij het CIN van de gestolen boot van de heer [vorige eigenaar]. Achmea heeft dit bewijs dus nog niet op voorhand geleverd met voormeld proces-verbaal van bevindingen. Achmea zal gelet op het door haar in de memorie van antwoord gedane specifieke bewijsaanbod ter zake worden toegelaten tot bewijslevering

3.9.3

[appellant] heeft verder aangevoerd dat de bij hem aangetroffen boot niet een Baja van het type 302, maar een Baja boot van het type 275 betrof. [appellant] baseert dit standpunt kennelijk op het feit dat volgens [appellant] een Baja 302 altijd twee motoren heeft en een Baja 275 slechts één motor, en dat de bij hem aangetroffen boot eveneens slechts één motor heeft.

3.9.4

In het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van de KLPD, waterpolitie, van 10 oktober 2011 (zie rov. 3.1. sub (vii)) (onder verwijzing naar foto 5) is vermeld dat in de boot nabij de stuurstand duidelijk zichtbaar een origineel CE plaatje was aangebracht waarop stond dat de boot een Baja betrof van het type 302. Het feit dat [appellant], naar hij stelt, dit CE plaatje zelf niet heeft waargenomen, doet hieraan niet af. Aan de veronderstelling van [appellant] dat het “zelfs de vraag is of foto 5 (waarop dit CE plaatje is afgebeeld, hof) betrekking heeft op de door [appellant] gekochte boot” gaat het hof voorbij. [appellant] heeft met deze veronderstellingen de juistheid van de neergelegde bevindingen in dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.

Achmea heeft bovendien tijdens de in eerste aanleg gehouden comparitie van partijen verklaard dat volgens de heer [vorige eigenaar] de gestolen Baja 302 één motor heeft en dat dit zeldzaam is omdat de meeste Baja boten van het type 302 twee motoren hebben. Uit het proces-verbaal van comparitie blijkt bovendien dat de rechtbank tijdens de comparitie aan [appellant] een advertentie heeft voorgehouden, waarop een Baja boot van het type 302 was afgebeeld met één motor, en dat [appellant] daarop heeft verklaard: “Ik zie dat op de advertentie die u mij laat zien inderdaad een BAJA 302 staat afgebeeld met 1 motor daarin.”

Aan de door [appellant] in hoger beroep ingenomen stelling dat hij “bij nader inzien niet uit (sluit) dat de hem voorgehouden (foto van de boot, hof) een geheel andere type boot betrof met één motor”, zal het hof gezien de eerdere erkenning van [appellant] in eerste aanleg voorbijgaan.

3.10.

Indien Achema in voormelde in 3.9.2 gegeven bewijsopdracht slaagt, en in rechte aldus komt vast te staan dat de bij [appellant] in bezit zijnde boot de in maart 2006 gestolen boot betreft van de heer [vorige eigenaar], heeft het volgende te gelden.

[appellant] heeft erkend dat indien de door hem gekochte boot de gestolen boot betreft van de heer [vorige eigenaar], het juist is dat [appellant] heeft gekocht van een onbevoegde vervreemder (par. 2.10 conclusie van antwoord). Dat betekent dan dat [appellant], die naar zijn zeggen de desbetreffende boot in augustus 2006 van een Poolse onderneming heeft verkregen, de boot van een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen.

3.11.

De vraag die dan vervolgens ter beantwoording voorligt, is of [appellant] zich kan beroepen op de bescherming van artikel 3:86 BW. Daartoe is vereist dat [appellant] de gestolen boot anders dan om niet heeft verkregen en dat hij ten tijde van de bezitsverkrijging te goeder trouw was.

3.11.1

[appellant] heeft gesteld dat de boot als een Baja 275 Boss op de internetsite Best Boats 24 door Delphia Yachts te koop werd aangeboden voor een bedrag van € 70.000 en dat, door bemiddeling van zijn toenmalige klant [toenmalige klant], de koopovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 65.000 (onder de voorwaarde dat boot bij aflevering (technisch) in orde was). De afspraak werd gemaakt dat de verkoper de boot op 2 augustus 2006 naar zijn bedrijf te [plaats] zou brengen. De boot is eerst de dag daarna, op 3 augustus 2006, door twee Poolse verkopers naar zijn bedrijf te [plaats] gebracht. [appellant] heeft de boot na inspectie goedgekeurd, waarna hij het overeengekomen bedrag van € 65.000 contant heeft betaald. [appellant] heeft daartoe op 3 augustus 2006 een bedrag van € 45.000 van de bank gehaald en dit samen met een bedrag van € 20.000, dat hij contant thuis en op zijn bedrijf had liggen, aan de verkopers overhandigd. [appellant] heeft de boot vervolgens op 3 augustus 2006 laten registeren bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer, aldus nog steeds [appellant].

[appellant] heeft de betreffende advertentie van Delphia Yachts d.d. 28 juli 2006 (prod. 1, conclusie van antwoord), het bankafschrift van de kasopname op 3 augustus 2006 van € 45.000 (prod. 8, conclusie van antwoord), het aanvraagformulier voor registratie van de boot d.d. 3 augustus 2006 (prod. 3, conclusie van antwoord) en de op 2 augustus 2006 gedateerde factuur/koopovereenkomst van Delphia Yachts Kot Sp. J. te Polen (prod. 7, conclusie van antwoord) overgelegd.

3.11.2

Van de beweerde contante betaling van € 65.000 op 3 augustus 2006 is, zoals [appellant] ook heeft erkend (par. 2.13, memorie van grieven), door de Poolse verkopers geen bewijs van betaling verstrekt, doch enkel een op 2 augustus 2006 gedateerde, in de Poolse taal opgestelde factuur/koopovereenkomst. Naar het oordeel van het hof is het weliswaar opmerkelijk dat van een dergelijke contante betaling door de verkoper geen betalingsbewijs wordt verstrekt of door de koper is verlangd, doch dit betekent nog niet dat [appellant] een dergelijk bedrag niet contant aan de Poolse verkopers zou hebben betaald. Het hof is echter van oordeel dat [appellant] met voormelde bescheiden nog niet het bewijs heeft geleverd dat hij op 3 augustus 2006 voor de boot (een bedrag van € 65.000) heeft betaald. [appellant] zal evenwel niet worden toegelaten tot bewijslevering, nu het hof, zoals het hierna zal overwegen, van oordeel is dat [appellant] op het tijdstip van bezitsverkrijging op 3 augustus 2006 niet te goeder trouw was als bedoeld in artikel 3:86 lid 1 BW.

3.11.3

Het hof overweegt daartoe als volgt. Onder de bewoordingen te goeder trouw in artikel 3:86 lid 1 BW moet worden verstaan hetgeen in artikel 3:11 BW is bepaald. In artikel 3:11 BW is neergelegd dat goede trouw van een persoon, vereist voor enig rechtsgevolg, niet alleen ontbreekt, indien hij de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in de gegeven omstandigheden behoorde te kennen. Dit betekent dat, anders dan [appellant] stelt, op de persoon die zich op goede trouw beroept een onderzoeksplicht rust. De aard en omvang van de onderzoeksplicht hangt af van de omstandigheden van het geval.

3.11.4

Volgens het arrest van de Hoge Raad van 4 april 1986 (LJN AB9446) is voor een geslaagd beroep op goede trouw niet alleen nodig dat de verkrijger ten tijde van de levering de onbevoegdheid van zijn voorman niet kende, maar ook dat niet gezegd kan worden dat hij die onbevoegdheid toen behoorde te kennen. Met het oog op dit laatste dient hij naar de bevoegdheid van zijn voorman het onderzoek in te stellen, dat in de gegeven omstandigheden van hem kan worden verlangd.

De omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de vraag of een koper in voldoende mate aan deze onderzoeksplicht heeft voldaan.

Het hof is van oordeel dat [appellant] onder de omstandigheden van dit geval (het kopen van een tweedehands motorboot van twee jaren oud) niet slechts had mogen afgaan op gegevens zoals voormeld op de factuur/koopovereenkomst van 2 augustus 2006. Van [appellant] had mogen worden verwacht dat hij, alvorens hij tot de koop van de motorboot (en de daarop gevolgde levering aan hem) overging, van de verkoper inzage had gekregen in de stukken van de boot die een eigenaar tot zijn beschikking pleegt te hebben. [appellant] had daartoe bijvoorbeeld moeten vragen naar de originele aankoopnota van de boot, een btw-bewijs of een douaneverklaring (voor zover de kennelijk in Duitsland gelegen boot is ingevoerd) en de daarop vermelde gegevens moeten vergelijken met de gegevens op de door de verkopers verstrekte factuur/aankoopnota en de op/in de boot aangebrachte kenmerken. Het hof acht in dit verband van belang dat het bij het sluiten van de hier aan de orde zijnde overeenkomst ging om aan [appellant] twee hem onbekende mannen die een tweedehands motorboot wilden verkopen, dat algemeen bekend is dat motorboten regelmatig worden gestolen en vervolgens (als tweedehands boten) worden verkocht. Het hof acht voorts van belang dat een onderzoek als hiervoor omschreven niet ingrijpend is en/of nauwelijks tijd kost. Het enkele feit dat [appellant] heeft nagelaten een dergelijk onderzoek te verrichten, heeft derhalve reeds tot gevolg dat hij niet als te goeder trouw in de zin van artikel 3:86 lid 1 BW kan worden aangemerkt.

3.12.

Het hof zal in afwachting van de bewijsvoering elke verdere beslissing aanhouden

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van 28 maart 2012;

laat Achmea toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat de onder [appellant] op 16 september 2011 aangetroffen boot de gestolen boot van de heer [vorige eigenaar] betreft met CIN [rompnummer];

bepaalt, voor het geval Achmea bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. S. Riemens als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van Achmea tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. S. Riemens, E.K. Veldhuijzen van Zanten en J.R. Sijmonsma en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2014.