Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4754

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
19-11-2014
Zaaknummer
HD 200.100.034_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:3335
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:1779
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van ECLI:NL:GHSHE:2013:3335. Bewijswaardering. Herberekening loonvordering door de werknemer naar aanleiding van het oordeel van het hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0993
AR 2014/867

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.100.034/01

arrest van 18 november 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats], Tsjechische Republiek,

appellant,

advocaat: mr.drs. D. Vaničková te Rotterdam,

tegen

4Works B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.M. van Gool te Breda,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 21 februari 2012 en 23 juli 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Breda, team kanton Bergen op Zoom onder zaaknummer 581715/CV EXPL 10-103 gewezen vonnissen van 8 december 2010 en 12 oktober 2011.

9 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 23 juli 2013;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 september 2014;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor en tegengetuigenverhoor van

13 januari 2014;

- het proces-verbaal van (voortzetting) tegengetuigenverhoor van 7 april 2014;

  • -

    de memorie na enquête van [appellant] met producties, tevens inhoudend een eiswijziging;

  • -

    de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] in de Tsjechische taal, toegezonden bij brief van de advocaat van [appellant] van 20 mei 2014;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van 4 Works met producties;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd;

  • -

    de op voorhand door [appellant] ten behoeve van het pleidooi toegezonden akte met producties, tevens houdende wijziging van eis.

Partijen hebben arrest gevraagd.

10 De verdere beoordeling

10.1

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof:

a. [appellant] toegelaten om mevrouw [getuige 3] als getuige te doen horen in het kader van hetgeen aan 4Works in eerste aanleg is opgedragen te bewijzen, te weten feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant] per 27 juni 2008 ontslag heeft genomen, alsmede in het kader van hetgeen aan [appellant] in eerste aanleg is opgedragen te bewijzen, te weten feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant] zich op of omstreeks 12 juli 2008 heeft ziek gemeld bij 4Works;

b. [appellant] toegelaten zijn stelling te bewijzen dat hij bij OBI heeft gewerkt als gespecialiseerd timmerman/vakkracht;

c. 4Works toegelaten te bewijzen dat [appellant] bij OBI heeft gewerkt volgens een flexibel rooster;

d. 4Works toegelaten haar stelling te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat de kosten van huisvesting en de kosten van privégebruik van de bedrijfsauto waren verdisconteerd in het uurloon van € 8,00 bruto;

e. het verzoek van [appellant] op de voet van artikel 843a Rv afgewezen en

f. iedere verdere beslissing aangehouden.

10.2.

Functie-indeling

Het hof verwijst naar r.o. 7.6.1. van het tussenarrest en naar de aan [appellant] gegeven bewijsopdracht, hiervoor weergegeven sub b.

[appellant] heeft als getuigen doen horen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 4], [getuige 3] en zichzelf. [appellant] heeft onder meer bij memorie na enquête een verklaring van [getuige 5] (prod. 19) overgelegd en “afdrukken van boekingen” (prod. 20).

4Works heeft als tegengetuige doen horen [getuige 6]. 4Works heeft bij memorie na enquête een opleidingsbeschrijving overgelegd (prod. 10), vacatures van een betontimmerman en een modelmaker (prod. 12 en 13), verklaringen van [getuige 7] (prod. 14) en [getuige 8] (prod. 15) en een functieraster (prod. 16).

10.2.1.

Het hof oordeelt als volgt.

[appellant] heeft als getuige verklaard welk soort werkzaamheden hij bij OBI heeft verricht. Dat komt samengevat neer op het maken van eenvoudige mallen, het ombouwen van mallen en het in elkaar zetten van mallen. De door [appellant] voorgebrachte getuigen, die ook bij OBI werkten, hebben dit bevestigd, evenals - min of meer - [getuige 5] in zijn schriftelijke verklaring. ([getuige 3] heeft verklaard dat zij niet precies weet wat [appellant] bij OBI deed). Niettemin is het hof van oordeel dat [appellant] niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. De door [appellant] beschreven werkzaamheden zijn niet die van een gespecialiseerd timmerman/vakkracht, maar van eenvoudiger aard. Dat volgt onder meer uit de door 4Works overgelegde opleidingsbeschrijving betontimmerman primair (prod. 11 antw mem n enq) en de vacature betontimmerman (prod. 12 antw mem n enq). Daarnaast geldt dat de door [appellant] voorgebrachte getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 4] geen van allen timmerman zijn. [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard niet echt verstand van timmerwerk te hebben. [getuige 4] heeft verklaard wel verstand van timmerwerk te hebben, maar de waarde van die verklaring acht het hof gering omdat [getuige 4] meent dat men in Tsjechië eigenlijk alles op bouwgebied kan.

[appellant] is niet als timmerman opgeleid. Hij voldoet niet aan de opleidingseisen voor een (beton)timmerman. [appellant] heeft alleen een korte opleiding van twee weken van ene [naam] gekregen bij OBI. Deze [naam] kan niemand anders dan [getuige 7] zijn - ondanks het feit dat [appellant] bij pleidooi heeft gesteld dat die naam hem niets zegt - die in zijn schriftelijke verklaring heeft aangegeven dat hij zelf geen timmerman is en dat hij [appellant] aanwijzingen heeft gegeven omdat hij wat Tsjechisch spreekt. [getuige 7] kan als niet-timmerman niet geacht worden [appellant] als timmerman/vakkracht binnen twee weken opgeleid te hebben.

[getuige 8], voorman timmerman bij OBI, heeft schriftelijk verklaard dat [appellant] nooit op eigen kracht en verantwoordelijkheid een mal heeft kunnen maken. (Het hof ziet, mede gelet op artikel 152 Rv, geen reden deze verklaring buiten beschouwing te laten, zoals [appellant] bij pleidooi heeft bepleit.) Dit zelfde heeft de getuige [getuige 6], bedrijfsleider bij OBI en direct leidinggevende van [appellant], verklaard. [getuige 6] heeft verder - kort gezegd - verklaard dat [appellant] timmerlieden bij OBI heeft geholpen, heeft meegewerkt aan mallen, mallen in elkaar heeft gezet/gesteld en heeft bijgewerkt en in opdracht van een timmerman een mal groter of kleiner heeft gemaakt.

De overgelegde “afdrukken van boekingen”, waarop “huidig rooster Timmer” staat en “Afdeling Timmer” zeggen naar het oordeel van het hof niets over de functie van [appellant] en of over zijn feitelijke werkzaamheden.

De ervaring die [appellant] stelt in de Verenigde Staten te hebben opgedaan als timmerman kan aan het hiervoor overwogene niet afdoen.

Op grond van het bovenstaande is niet bewezen dat [appellant] bij OBI heeft gewerkt als gespecialiseerd timmerman/vakkracht.

Grief 4 faalt.

10.3.

Doorlopend dienstverband of ontslagname door [appellant] op 27 juni 2008?

Het hof verwijst naar r.o. 7.7. van het tussenarrest en naar r.o. 10.1. onder a. betreffende het alsnog doen horen van mevrouw [getuige 3].

Mevrouw [getuige 3] heeft als getuige in hoger beroep verklaard dat zij niets meer weet van door [appellant] zelf genomen ontslag. Zij heeft toen zij op vakantie was een sms van [appellant] gekregen dat hij een ongeluk had gehad. Die sms heeft zij doorgestuurd aan 4Works, ze denkt [vertegenwoordiger 4Works 1]. [getuige 3] was toen feitelijk al weg bij 4Works.

Volgens [appellant] staat, gelet op hetgeen hij op pag. 42-49 van de memorie van grieven heeft aangevoerd en gelet op de (eerste) verklaring van mevrouw [getuige 3] als getuige, vast dat hij met vakantie was en geen ontslag heeft genomen op 27 juni 2008.

Het hof deelt die opvatting niet en onderschrijft het oordeel van de kantonrechter in het vonnis van 13 juli 2011 (r.o. 2.2.1. e.v.) aangaande het bewijs, geleverd door de verklaringen van getuigen [getuige 6], [vertegenwoordiger 4Works 2] en [vertegenwoordiger 4Works 1], afgelegd op 8 februari 2011. Anders dan [appellant] meent, zijn de verklaringen van [getuige 6] en [vertegenwoordiger 4Works 2] geen partijgetuigenverklaringen als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv. De verklaring van [vertegenwoordiger 4Works 1] is dit wel, doch deze verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De verklaringen van [getuige 6] en [vertegenwoordiger 4Works 2] zijn duidelijk en verder zodanig sterk en betreffen zodanige essentiële punten, dat zij de partijgetuigenverklaring van [vertegenwoordiger 4Works 1] voldoende geloofwaardig maken. De beperking van die partijgetuigenverklaring geldt daarom niet.

De getuigenverklaring van mevrouw [getuige 3] houdt niets in dat het door 4Works geleverde bewijs ontkracht. Mevrouw [getuige 3] heeft - anders dan [appellant] heeft betoogd - niet verklaard dat zij van [appellant] een ziekmelding heeft ontvangen. Afgezien van het feit dat de getuige [vertegenwoordiger 4Works 1] heeft verklaard geen sms van mevrouw [getuige 3] ontvangen te hebben, kan uit het doorsturen van de sms niet worden afgeleid dat [appellant] dus geen ontslag heeft genomen op 27 juni 2008. Daaraan doet niet af dat mevrouw [getuige 3] kennelijk als tussenpersoon tussen 4Works en de medewerkers die uit het buitenland kwamen fungeerde (zie de eerste getuigenverklaring van mevrouw [getuige 3] d.d. 13 januari 2014).

De schriftelijke verklaringen van mevrouw [getuige 3] van 30 maart 2010 (prod. 41 cvr) en 1 april 2010 (prod. 51 akte houdende overlegging productie van [appellant]) hebben geen waarde gezien hetgeen zij als getuige heeft verklaard omtrent haar schriftelijke verklaring van 16 juli 2010 (prod. 67 akte 21 juli 2010 van [appellant]). De stelling van [appellant] bij pleidooi, dat mevrouw [getuige 3] de verklaring van 29 maart 2010 (prod. 36 akte [appellant] 28 augustus 2014) niet heeft ingetrokken, verwerpt het hof. Bedoelde verklaring is eerst ter gelegenheid van het pleidooi overgelegd. Daarover is mevrouw [getuige 3] daarom niet als getuige bevraagd. De schriftelijke verklaring van mevrouw [getuige 3] van 16 juli 2010 in samenhang met haar getuigenverklaring moet aldus opgevat worden dat mevrouw [getuige 3] al haar eerdere schriftelijke verklaringen wenste in te trekken en daartoe behoort ook de eerst bij pleidooi overgelegde verklaring van 29 maart 2010.

De getuigschriften (prod. 13 inl dgv en prod. 23 mem n enq a/z [appellant]) bewijzen niet het - doorlopend - dienstverband van [appellant]. Deze stukken zijn voor een ander doel opgemaakt en afgeven. Datzelfde geldt voor het door [appellant] overgelegde (nieuwe) E301-formulier (prod. 34 akte [appellant] 28 augustus 2014), dat op verzoek van de advocaat van [appellant] ter vervanging van het E301-formulier van 23 september 2009, waarop vermeld stond dat [appellant] van 30 juni 2008 tot 29 september 2009 niet als werknemer verzekerd was (prod. 10 inl dgv), is afgegeven. Aan de met betrekking tot [getuige 4] door [appellant] overgelegde stukken (prod. 39-41 akte [appellant] 28 augustus 2014) kan geen betekenis worden toegekend in het kader van het hier aan de orde zijnde tegenbewijs. Dat zelfde geldt voor de schriftelijke verklaring van [getuige 4] van 22 februari 2011 (prod. 71 concl n enq [appellant]): het feit dat tijdens het overhandigen van de sleutels van de bedrijfsauto op 27 juni 2008 door [appellant] aan mevrouw [getuige 3] niet over ontslagname is gesproken betekent niet dat van ontslagname door [appellant] geen sprake is geweest.

Het feit dat [appellant] geen nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst heeft ontvangen per 29 september 2008 is door 4Works ter gelegenheid van het pleidooi voldoende verklaard: [appellant] zat toen nog in fase A en de arbeidsvoorwaarden waren niet veranderd.

Het feit dat [appellant] alsnog een ziektewetuitkering heeft ontvangen van 14 juli 2008 t/m 25 september 2008 (€ 3.307,50 bruto) berust gelet op de beslissing van het UWV van 19 augustus 2013 op nawerking van de beëindigde verzekering (prod. 8 mva en prod. 38 akte [appellant] 28 augustus 2014); derhalve kan ook daaraan niet het bewijs worden ontleend dat geen sprake is van ontslagname door [appellant].

Hetgeen overigens door [appellant] is gesteld en ter ondersteuning van zijn standpunt is aangevoerd, met name op p. 49 memorie van grieven, legt evenmin gewicht in de schaal dan wel acht het hof niet relevant. Dit laatste geldt met name voor de door [appellant] overgelegde correspondentie omtrent de arbeidsongeschiktheid met de Tsjechische instantie. Deze bevatten geen informatie over de vraag of [appellant] ontslag heeft genomen of niet.

Grief 11 en grief 12 falen.

10.4.

Ziekmelding van [appellant] op 12 juli 2008?

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen behoeft de gestelde ziekmelding en het daaromtrent door [appellant] bijgebrachte bewijs geen verdere bespreking.

Aan de voorwaardelijke vordering in reconventie van 4Works wordt ook in hoger beroep niet toegekomen.

Het in r.o. 10.3. en hier overwogene heeft tot gevolg dat de vermindering van eis van [appellant] bij akte van 28 augustus 2014 met het bedrag van € 3.307,50 dat [appellant] aan ziektewetuitkering heeft ontvangen over de periode 14 juli 2008 tot en met 25 september 2008, geen effect heeft en dat daarmee geen rekening wordt gehouden.

Grief 13 treft geen doel.

10.5.

Overuren

Het hof verwijst naar r.o. 7.9.2. van het tussenarrest en naar de bewijsopdracht, hiervoor weergegeven onder c.

4Works heeft [vertegenwoordiger 4Works 1] als getuige doen horen. [appellant] heeft als tegengetuigen doen horen mevrouw [getuige 3] en zichzelf.

De getuige [vertegenwoordiger 4Works 1] heeft verklaard dat de uitzendkrachten om 6.00 of 7.00 uur bij OBI begonnen, dat de eindtijd afhing van de hoeveelheid werk die gedaan moest worden en dat [appellant] niet in ploegendienst werkte. Mevrouw [getuige 3] heeft overeenkomstig verklaard, evenals [appellant] zelf. [appellant] heeft onder meer nog een overzicht van gewerkte tijden en uren overgelegd (prod. 27 mem n enq) en verwezen naar de schriftelijke verklaring van [getuige 5] (prod. 19 mem n enq).

10.5.1.

Artikel 6 van de CAO Beton (1 maart 2007-1 maart 2009) luidt, voor zover van belang:

“1. a. De arbeidsduur volgens dienstrooster bedraagt voor werknemers in dagdienst en in een tweeploegendienst gemiddeld 38 uur per week op jaarbasis. Ten opzichte van de 40-urige werkweek is de arbeidsduur verkort met 96 uur op jaarbasis, ofwel 12 roostervrije dagen op jaarbasis.

(…)

e. In afwijking van het in dit lid bepaalde bedraagt in het kader van flexibele roosters de normale arbeidsduur maximaal 45 uur en minimaal 36 uur per week .

(…)

h. Vastgestelde dienstroosters dienen tenminste 1 maand voor ingang bekend te zijn bij het personeel. (…)

(…)

3. a. Onder dienstrooster wordt verstaan iedere door de werkgever voor één of meer werknemers vastgestelde werktijdregeling van tenminste 5 dagen of diensten, als regel samenvallende met de kalenderweek.”

Uitleg van artikel 6 Beton CAO conform de zgn. CAO-norm levert het volgende op. Uit voormelde artikelleden volgt dat er twee soorten roosters zijn: vaste dienstroosters (lid 1 onder a.) en flexibele roosters (lid 1 onder e.). Vaste dienstroosters zijn vastgesteld en bekend bij het personeel.

Vast staat dat [appellant] niet heeft gewerkt volgens een vastgesteld dienstrooster. Het hof acht dit een belangrijke aanwijzing voor de constatering dat [appellant] volgens een flexibel rooster heeft gewerkt. De feitelijke situatie ten aanzien van [appellant] - een min of meer vast aanvangstijdstip van de werkdag en een veelvuldig wisselend eindtijdstip - past naar objectieve maatstaven binnen de bewoordingen van de term “flexibel rooster” in dat artikel in samenhang met de overige, hiervoor aangehaalde, leden van artikel 6 Beton CAO. Naar het oordeel van het hof dient dan ook te worden uitgegaan van het door 4Works vastgestelde aantal overuren op basis van het flexibel rooster.

Of de normale arbeidsduur van [appellant] binnen de marges van artikel 6 lid l sub e. Beton CAO is gebleven - partijen twisten daarover - is naar het oordeel van het hof gelet op het voorgaande niet van belang.

Gelet op het voorgaande is de bewijsopdracht onder c. niet meer van belang.

10.6.

Uurloon in verband met kosten huisvesting en privégebruik bedrijfsauto

Het hof verwijst naar r.o. 7.10.1. van het tussenarrest en naar de bewijsopdracht, hiervoor weergegeven onder d.

4Works heeft als getuigen doen horen [vertegenwoordiger 4Works 1] en mevrouw [getuige 9]. [appellant] heeft als tegengetuigen doen horen mevrouw [getuige 3] en zichzelf.

De getuige [vertegenwoordiger 4Works 1] heeft verklaard dat de uitzendkrachten die bij OBI werken eerst gratis huisvesting en gratis gebruik van de bedrijfsauto in het weekend kregen. Op een gegeven moment is 4Works een bijdrage van een paar euro gaan vragen voor de huisvesting. Het gebruik van de bedrijfsauto bleef gratis. Het moet volgens [vertegenwoordiger 4Works 1] zo gezien worden dat het gratis gebruik van de woning en de bedrijfsauto was ingecalculeerd in het uurloon. [vertegenwoordiger 4Works 1] denkt dat hij een en ander, al dan niet via mevrouw [getuige 3], aan [appellant] heeft meegedeeld.

Mevrouw [getuige 9] heeft over de huisvesting verklaard dat daarvoor € 50,- per week betaald moest worden. Mevrouw [getuige 3] heeft verklaard dat het privégebruik van de bedrijfsauto gratis was en dat zij denkt dat de uitzendkrachten iets moesten betalen voor de huisvesting. Hoe het bij [appellant] zat weet zij niet.

Volgens de verklaring van [appellant] hoefde hij maar € 5,- per week voor de huisvesting te betalen omdat hij als vakkracht werkte. Dit heeft [vertegenwoordiger 4Works 1], vertaald door mevrouw [getuige 3], hem medegedeeld. Niet is besproken volgens [appellant] dat de kosten van de huisvesting en het gebruik van de bedrijfsauto in het loon verdisconteerd was.

10.6.1.

Het hof is van oordeel dat, nu [appellant] het bewijs dat hij werkte als timmerman/vakkracht niet heeft geleverd (zie r.o. 10.2.1.), uitgegaan moet worden van de functie van algemeen medewerker.

Dat betekent dat huisvesting voor [appellant] ingevolge de regels van 4Works, geldend in 2008 resp. 2009 (prod. 37 en 38 cvr), in 2008 € 50,- per week kostte en in 2009 € 55,- per week. Vast staat dat [appellant] in 2008 feitelijk niets heeft betaald voor huisvesting en in 2009 € 5,- per week. Dit moet naar het oordeel van het hof zo worden begrepen, zoals [vertegenwoordiger 4Works 1] heeft verklaard, dat de huisvesting - op € 5,- per week na in 2009 - was inbegrepen in het uurloon. Ook het gebruik van de bedrijfsauto voor privédoeleinden in het weekend moet geacht worden in het uurloon te zijn begrepen. Hiervoor hoefden [appellant] en zijn collega’s immers niet te betalen. Ook het benzineverbruik voor privédoeleinden kwam voor rekening van 4Works, zo verklaarde zij onbetwist ter gelegenheid van het pleidooi. De stelling van [appellant], dat het gebruik van de bedrijfsauto niet is verdisconteerd in het uurloon omdat hij slechts vijf maanden de beschikking heeft gehad over een bedrijfsauto, gaat niet op gezien de onbetwist gebleven verklaring van 4Works ter gelegenheid van het pleidooi dat [appellant] en zijn collega-huisgenoten gezamenlijk één bedrijfsauto ter beschikking hadden, die zij allen in het weekend mochten gebruiken.

4Works is in het bewijs geslaagd.

Grief 7 faalt.

10.7.

Tussenconclusie

Het hiervoor overwogene betekent - in samenhang met hetgeen in het tussenarrest van 23 juli 2013 (hierna: tussenarrest) is beslist - het volgende.

- [appellant] heeft ontslag genomen op 27 juni 2008 (r.o. 10.3.). Derhalve staat thans vast dat [appellant] bij 4 Works in dienst is geweest van 24 januari 2008 tot en met 26 juni 2008 en van 29 september 2008 tot en met 17 juli 2009 (vergelijk r.o. 7.1. tussenarrest). De door [appellant] gestelde ziekmelding op 12 juli 2008 is niet van belang. De eisvermindering (€ 3.307,50) heeft geen effect (r.o. 10.4.);

- [appellant] diende gedurende de eerste 26 weken beloond te worden volgens de ABU-CAO en na 26 weken volgens de CAO Beton (r.o. 7.5.1. tussenarrest);

- [appellant] is werkzaam geweest als algemeen medewerker (r.o. 10.2.1.);

- De kosten van huisvesting en privégebruik van de bedrijfsauto zijn in het uurloon van € 8,-- bruto begrepen. Van dit uurloon moet daarom, afgezien van mogelijke verhogingen op grond van de genoemde CAO’s, worden uitgegaan;

- Het totaal aantal door [appellant] gewerkte (over)uren staat vast conform productie 32 conclusie van antwoord (r.o. 7.9.2. tussenarrest);

- [appellant] werkte volgens een flexibel rooster (r.o. 10.5.). Dit betekent dat alle gewerkte uren boven de 45 per week als overuren hebben te gelden.

- Het opsparen van overuren is op verzoek van [appellant] gebeurd (r.o. 7.9.2. tussenarrest);

- Het vakantiegeld is aan [appellant] uitbetaald (r.o. 7.10.1. tussenarrest);

- Partijen zijn het niet eens geworden over de vraag of het uitbetalen van de overuren (reserve-uren) als normale uren - zoals feitelijk is gebeurd in juli 2008 (vast staat als niet betwist - in samenhang met de in zoverre niet betwiste productie 17 antwoordmemorie na enquête - dat van de in juli 2008 uitbetaalde 180 uren 85,25 uren gewerkt zijn en 94,75 uren reserve-uren zijn) en augustus 2008 (150 reserve-uren) (zie de prod. 30 cva en de loonstroken gevoegd bij prod. 34 akte [appellant] 28 augustus 2014) voor [appellant] netto voordeliger uitpakte dan wanneer deze overuren daadwerkelijk als overuren waren uitbetaald. Derhalve moet ervan uitgegaan worden dat de overuren (reserve-uren) als zodanig hadden moeten worden uitbetaald, waarbij een aftrek dient plaats te vinden voor hetgeen door 4Works feitelijk aan overuren (reserve-uren) bruto aan [appellant] is uitbetaald.

Op basis van deze uitgangspunten dient door [appellant] in het kader van zijn stelplicht een herberekening te worden gemaakt van zijn vordering ter zake van achterstallig loon. (De door [appellant] overgelegde berekening van [X.] & Co. (prod. 27 in dgv) is niet bruikbaar vanwege de onjuiste uitgangspunten van die berekening. Datzelfde geldt - in ieder geval deels - ook voor de door 4Works gemaakte berekeningen (prod. 33/34 cva en prod. 64). In zoverre slaagt grief 15.

Zoals ter gelegenheid van het pleidooi reeds aangegeven, ziet het hof geen aanleiding om - thans - ter zake een deskundige te benoemen, zoals door [appellant] verzocht. 4Works heeft bij pleidooi aangeboden om haar (register)accountant bedoelde (her)berekening te laten maken. [appellant] is daar niet mee akkoord gegaan; hij wenste een nieuwe berekening te laten maken door [X.] & Co. Mocht [appellant] hier inmiddels anders over denken, dan staat het hem (zijn advocaat) vrij om daarover contact op te nemen met (de advocaat van) 4Works. Het is in ieder geval aan [appellant] om bedoelde herberekening, door wie ook gemaakt, over te leggen bij akte, zoals hierna in het dictum is bepaald.

Het hof kan zich overigens ook voorstellen dat partijen, gezien de vermelde uitgangspunten, alsnog in onderling overleg tot een vergelijk zullen kunnen komen.

In dat verband herhaalt het hof voor de duidelijkheid zijn beslissing dat de vordering van [appellant] ter zake van ingehouden kosten ontstopping riool (€ 76,36) zal worden toegewezen (r.o. 7.11 tussenarrest). Tegen de afwijzing van de vordering ter zake van de aanschaf van werkkleding (€ 42,95) en reiskosten (€ 33,60) zijn geen grieven gericht, zodat deze vorderingen niet toewijsbaar zijn.

10.8.

Overige grieven

10.8.1.

Buitengerechtelijke kosten

De vordering ter zake buitengerechtelijke kosten (grief 9) bestaat uit een bedrag van € 435,- ter zake van de kosten van het rapport van [X.] & Co (€ 395,-, prod. 48 cvr) en onderzoek van [Y.] NL & PL (€ 40,-, prod. 26 inl dgv). Deze kosten zijn door [appellant] onderbouwd met facturen en kunnen als redelijke kosten als bedoeld in artikel 6: 96 lid 1 sub b. BW worden beschouwd. Deze kosten zijn voor toewijzing vatbaar, mits sprake zal zijn van toewijzing van (een relevant deel van) de loonvordering van [appellant].

10.8.2.

Wettelijke verhoging

Het hof overweegt - mede met het oog op een mogelijk overleg tussen partijen - voorshands ten aanzien van wettelijke verhoging dat hij geen aanleiding ziet om niet de maximale wettelijke verhoging van artikel 7: 625 BW toe kennen over het bedrag dat eventueel aan achterstallig loon zal worden toegewezen. In zoverre slaagt grief 10 voorshands.

10.8.3.

Proceskosten

Ten aanzien van de proceskosten overweegt het hof als volgt.

Tegen de vermeerdering van eis bij akte van 28 augustus 2014 heeft 4Works geen bezwaar gemaakt en inhoudelijk verweer daartegen gevoerd. Het hof zal daarom - in afwijking van de twee-conclusie-regel - van de vermeerderde eis uitgaan.

De kosten van de getuigen zullen als getuigentaxen worden aangemerkt tot een bedrag van

€ 579,90. Niet als getuigentaxen worden beschouwd: de vertaalkosten van € 351,- (dit zijn immers geen getuigenkosten) en de overnachtingskosten voor één persoon van € 37,-, (betreft kennelijk [appellant] zelf). Over de vraag voor wiens rekening de getuigentaxen van

€ 597,90 komen zal bij eindarrest worden beslist.

De vordering ter zake van de kosten van het door [appellant] tegen OBI gevoerde kort geding

(€ 618,-) komt in ieder geval niet voor toewijzing in aanmerking. Niet valt in te zien dat en waarom deze kosten door 4Works gedragen zouden moeten worden, ook als 4Works in de (overige) proceskosten in hoger beroep veroordeeld mocht worden.

Over de overige proceskosten (onder meer vertaalkosten € 552,54 (grief 16) en kosten om zitting bij te wonen € 810,94) en de terugbetaling van de proceskosten van de eerste aanleg (grief 17) zal het hof bij eindarrest beslissen.

10.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

11 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 16 december 2014 voor akte aan de zijde van [appellant] voor - uitsluitend - het overleggen van een herberekening van zijn vordering ter zake van achterstallig loon met inachtneming van de in r.o. 10.7. gegeven uitgangspunten, voor zover nodig voorzien van een korte toelichting;

bepaalt dat de zaak na het nemen van bedoelde akte zal worden verwezen voor antwoordakte aan de zijde van 4Works;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.E.L.M. Smeenk-van der Weijden, M.G.W.M. Stienissen en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2014.