Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4746

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
HD 200.118.547_01 en HD 200.134.316_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2011:4557
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2012:3587
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:8405
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2010:5442
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling huwelijksgoederengemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

arrest van 18 november 2014

in de zaak zaaknummer HD 200.118.547/01 van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [de man] ,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 29 januari 2013 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 155591/HA ZA 10-1213 gewezen vonnissen van 12 oktober 2011 en 12 september 2012,

en in de zaak met zaaknummer HD 200.134.316/01 van

Balema B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: Balema,

advocaat: mr. C.E.A. Heezemans te Eindhoven,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats 1] , in hoger beroep niet verschenen,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

hierna te noemen: [de man] ,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: [de vrouw] ,

advocaat: mr. L.H.M. Zonnenberg te ’s-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 18 maart 2014 in het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer C/03/140931/HA ZA 09-670 gewezen vonnissen van 28 juli 2010, 15 december 2010, 12 september 2012 en 19 juni 2013.

5 Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer HD 200.118.547/01

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 29 januari 2013 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2013;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep met producties;

- de akte tevens houdende memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 Het verloop van de procedure in de zaak met zaaknummer HD 200.134.316/01

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 18 maart 2014 waarbij de voeging is bevolen van de

onderhavige zaak en de zaak met zaaknummer HD 200.118.547/01;

- de akte van Balema met producties;

- de depot-akte van Balema waaruit blijkt dat op 15 april 2014 originele

bankafschriften en prints zijn gedeponeerd;

- de memorie van antwoord van [de vrouw] , tevens houdende memorie van grieven in

voorwaardelijk incidenteel appel, met producties;

- de akte van Balema;

- de antwoordakte van [de vrouw]

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

7 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven in beide zaken wordt verwezen naar de desbetreffende memories.

8 De beoordeling

De beoordeling in de zaak met nummer HD 200.118.547/01 in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

8.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Partijen zijn in gemeenschap van goederen gehuwd geweest van [huwelijksdatum] 2000 tot 21 juli 2009 (de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand).

Tussen partijen zijn geschillen gerezen met betrekking tot de omvang van de huwelijksgemeenschap en de verdeling daarvan. De rechtbank heeft op de geschillen beslist bij vonnis van 12 september 2012, met dien verstande dat de beslissing omtrent de verdeling van de roerende zaken (de inboedel en de auto’s) is aangehouden. Omtrent dit laatste geschilpunt is beslist bij vonnis d.d. 19 juni 2013.

[de man] kan zich met het vonnis van 12 september 2012 (deels) niet verenigen en is daartegen in hoger beroep gekomen. [de vrouw] heeft van haar kant voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld, namelijk voor het geval de grieven van [de man] door het hof worden verworpen.

Ook tegen het vonnis van 19 juni 2013 is door partijen hoger beroep ingesteld. Dat hoger beroep is bij dit hof aanhangig onder nummer HD 200.132.041/01. In die zaak wordt eveneens heden uitspraak gedaan.

8.2.

[de man] heeft in zijn appeldagvaarding in de onderhavige zaak aangekondigd dat zijn

hoger beroep zowel was gericht tegen het tussenvonnis (tevens incidenteel vonnis) d.d. 12 oktober 2011 als tegen het vonnis van 12 september 2012. Uit de inhoud van de memorie van grieven leidt het hof af dat hij zijn hoger beroep wenst te beperken tot het vonnis van 12 september 2012.

8.3.

[de man] heeft in hoger beroep met zijn grieven de volgende onderwerpen aan de orde

gesteld:

a. De schuld aan [schuldeiser] ten bedrage van f. 2.000.000,-, omgerekend

€ 907.560,43 (grief I);

Twee spaarbrieven met nummers [spaarbriefnummer 1] en [spaarbriefnummer 2] , uitgegeven door Dexia Banque Internationale à Luxembourg (grief II);

De schuld aan Balema B.V. (grief III);

Het partnercontract bij Dexia Banque Internationale à Luxembourg met basisnummer [basisnummer] en rekeningnummer [rekeningnummer 1] (grief IV).

Het hof zal deze geschilpunten hierna achtereenvolgens beoordelen.

8.4.

ad a) de schuld aan [schuldeiser] ten bedrage van f. 2.000.000,-, omgerekend

€ 907.560,43 (grief I);

8.4.1.

[de man] stelt zich op het standpunt dat hij op 12 december 1999 van [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser] ) een bedrag van f. 2.000.000,-, omgerekend € 907.560,43, heeft geleend in verband met de aankoop van een vakantiewoning in [plaats] (Frankrijk) aan het [adres][huisnummer] en dat deze schuld nog bestond op de peildatum 21 juli 2009 (datum ontbinding huwelijk). Hij stelt zich op het standpunt dat de schuld in de verdeling moet worden betrokken.

[de vrouw] heeft het bestaan van de schuld gemotiveerd weersproken.

De rechtbank heeft het verweer van [de vrouw] gehonoreerd en heeft beslist dat de gestelde schuld buiten de verdeling moet blijven.

De eerste grief van [de man] richt zich tegen deze beslissing.

7.4.2.

Ter onderbouwing van het bestaan van de schuld verwijst [de man] naar:

- de schriftelijke overeenkomst waarin de geldlening is vastgelegd (productie 1 MvG);

- de hypotheekakte d.d. 13 oktober 2003 waarin hypotheek wordt verstrekt op de voormelde

vakantiewoning als zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit de hiervoor

bedoelde geldlening (productie 3 MvG);

- zijn aangiften IB over de jaren 2006 en 2007 waarin melding wordt gemaakt van de hier

bedoelde schuld (productie 4 MvG);

- de brief van de advocaat van [schuldeiser] aan [de vrouw] d.d. 20 november 2009 waarin

aanspraak wordt gemaakt op rente over de hiervoor genoemde lening (productie 5 MvG);

- het kort gedingvonnis d.d. 21 december 2010 waarin [de man] op vordering van [schuldeiser]

(bij verstek) is veroordeeld om de hiervoor genoemde lening terug te betalen (productie 6

MvG).

8.4.3.

[de vrouw] heeft het bestaan van de geldlening betwist. Zij stelt dat de overeenkomst van geldlening pas later (met het oog op de onderhavige procedure tussen partijen) is opgemaakt en zij heeft die stelling met de volgende feiten en omstandigheden onderbouwd:

- in de overeenkomst van geldlening van 12 december 1999 wordt als geboortedatum van

[de man] [datum 1] 1960 genoemd, terwijl [de man] er tot augustus 2008, toen ten behoeve van

het voorgenomen huwelijk van partijen een uittreksel uit het geboorteregister was

ontvangen, altijd van uit was gegaan dat zijn geboortedatum [datum 2] 1960 was,

hetgeen blijkt uit tal van documenten;

- in de overeenkomst van geldlening van 12 december 1999 wordt verwezen naar de

voorgenomen aankoop van de vakantiewoning in [plaats] , terwijl partijen pas in maart

2000 voor het eerst contact over deze woning hebben gehad;

- in de koopovereenkomst met betrekking tot de vakantiewoning d.d. 5 september 2000

verklaren partijen dat ze niet voornemens zijn een financiering af te sluiten; dit is niet te

rijmen met de thans door [de man] beweerde lening;

- [de man] stelt € 907.560,- te hebben geleend voor de aankoop van de vakantiewoning terwijl

de koopsom slechts € 633.000,- bedroeg;

- de juistheid van de aangiften IB is door de vrouw gemotiveerd weersproken;

- betalingsbewijzen ontbreken.

8.4.4.

Naar het oordeel van het hof is, gelet op de gemotiveerde betwisting van [de vrouw] , het door [de man] geleverde bewijs voor de door hem gestelde lening ontoereikend. Hij heeft echter uitdrukkelijk (aanvullend) bewijs van zijn stellingen aangeboden en het hof zal hem in de gelegenheid stellen dat bewijs te leveren.

8.5.

ad b) Twee spaarbrieven met nummers [spaarbriefnummer 1] en [spaarbriefnummer 2] , uitgegeven door Dexia Banque Internationale à Luxembourg (grief II);

7.5.1.

Op 30 januari 2011 zijn door [de man] bij Dexia Banque Internationale à Luxembourg voor een bedrag van € 810.000,- een tweetal spaarbrieven aan toonder gekocht. [de vrouw] stelt zich op het standpunt dat deze spaarbrieven tot de gemeenschap van goederen horen en in de verdeling moeten worden betrokken.

[de man] stelt dat de spaarbrieven buiten de verdeling moeten blijven omdat hij de spaarbrieven niet voor zichzelf heeft gekocht maar voor [schuldeiser] en met diens geld.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [de man] zijn verweer onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank heeft de spaarbrieven verdeeld in die zin dat aan ieder van partijen één spaarbrief is toegedeeld.

De tweede grief van [de man] is tegen dit oordeel gericht.

8.5.2.

Het hof begrijpt uit de stellingen van partijen en met name uit de inhoud van het proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg, dat omtrent de spaarbrieven door [de vrouw] in Luxemburg een procedure is aangespannen tegen [de man] , tegen [schuldeiser] en tegen Dexia Banque Internationale à Luxembourg. Volgens het proces-verbaal van comparitie d.d. 22 april 2011 was op dat moment in die procedure door de Luxemburgse rechter uitspraak gedaan en was door de vrouw tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

[de vrouw] dient het vonnis van de Luxemburgse rechter, voorzien van een vertaling door een beëdigd vertaler, in het geding te brengen. Tevens dient zij het hof te informeren omtrent de stand van zaken van het hoger beroep in de Luxemburgse zaak en over de vraag in wiens bezit de spaarbrieven thans zijn. [de vrouw] dient deze informatie te verschaffen in haar memorie na enquête/contra-enquête. [de man] zal in de gelegenheid worden gesteld op de informatie van [de vrouw] te reageren.

8.6.

ad c) de schuld aan Balema B.V. (grief III)

8.6.1.

[de man] stelt dat hij een schuld aan Balema B.V. heeft ten bedrage van € 69.000,- en dat die schuld bestond op de datum van ontbinding van het huwelijk, zodat deze moet worden betrokken in de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

[de vrouw] heeft het bestaan van de schuld bestreden.

8.6.2.

De beslissing op dit geschilpunt is afhankelijk van de uitkomst in de gevoegde zaak met nummer HD 200.134.316/01. Omdat in die zaak nog geen eindarrest kan worden gewezen wordt de beslissing op dit punt aangehouden.

8.7.

ad d) het partnercontract bij Dexia Banque Internationale à Luxembourg met basisnummer [basisnummer] en rekeningnummer [rekeningnummer 1] (grief IV)

8.7.1.

[de vrouw] stelt zich op het standpunt dat tot de te verdelen gemeenschap een zogenaamd partnercontract (een beleggingsrekening) bij Dexia Banque Internationale à Luxembourg hoort, met basisnummer [basisnummer] en rekeningnummer [rekeningnummer 1] .

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep (onder 4.14) overwogen dat ter comparitie is bevestigd dat het partnercontract bestaat, terwijl uit de door [de vrouw] overgelegde stukken blijkt dat dit ook al vóór de ontbinding van de huwelijksgemeenschap het geval was. De rechtbank heeft het partnercontract toegedeeld aan [de man] onder de verplichting om de helft van de waarde op de datum van het vonnis aan [de vrouw] te betalen.

De vierde grief van [de man] is tegen deze beslissing gericht.

8.7.2.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

In het proces-verbaal van comparitie d.d. 22 april 2011 is met betrekking tot het partnercontract het volgende opgenomen: “Partijen zijn het erover eens dat het partnercontract als zodanig een contract is tussen de man en de bank. De vrouw stelt dat zij ter zake gemachtigd was. Het debat over het partnercontract zal in de tweede schriftelijke ronde worden voortgezet.”

Naar het oordeel van het hof valt in deze passage geen ondubbelzinnige erkenning van [de man] te lezen dat het partnercontract tot de te verdelen gemeenschap hoort.

8.7.3.

[de vrouw] heeft ten bewijze van het bestaan van de hier bedoelde beleggingsrekening de volgende stukken overgelegd:

- een pagina (vermeldende basisnr. [basisnummer] ) met een overzicht van beleggingen op 10

november 2006. Het overzicht vermeldt een saldo van € 813.872,08 (productie 6 bij

inleidende dagvaarding);

- een begeleidende brief van Dexia Banque Internationale à Luxembourg in verband met de

toezending aan [de man] van een Mastercard, met in de kop de volgende vermelding:

Rekeningnr. IBAN [rekeningnummer 2] ; Basisnummer [basisnummer] ; Kaarthouder

[de man] ; Kaartnummer [kaartnummer 1] (productie 37 inleidende

dagvaarding);

- eenzelfde brief maar dan ten name van [de vrouw] , met vermelding in de kop van hetzelfde

rekeningnummer en basisnummer en als kaartnummer [kaartnummer 2] (productie 39 bij

de inleidende dagvaarding);

- een kopie van een Mastercard ten name van [de man] met voormeld kaartnummer.

De stukken zijn ook in hoger beroep overgelegd (bij de memorie van antwoord van [de vrouw] als productie 18); het hof begrijpt dat daarbij ook een kopie van de Mastercard ten name van [de vrouw] is gevoegd, maar deze in hoger beroep overgelegde stukken zijn grotendeels onleesbaar.

8.7.4.

Het hof is van oordeel dat, gelet op de voormelde stukken die door [de vrouw] zijn overgelegd, [de man] niet kon volstaan met de enkele ontkenning van het bestaan van de hier bedoelde beleggingsrekening.

Dit betekent dat zijn vierde grief faalt.

8.8.

Omdat het incidentele appel van [de vrouw] afhankelijk is van de voorwaarde dat alle grieven van de man falen, komt het hof thans nog niet toe aan de beoordeling van het incidenteel appel.

8.9.

Het hof overweegt tot slot nog het volgende.

Zoals hiervoor onder 8.1 reeds is vermeld, heeft de rechtbank bij vonnis van 19 juni 2013 de verdeling van de roerende zaken vastgesteld; het hoger beroep tegen dat vonnis is thans bij dit hof aanhangig onder nummer HD 200.132.041/01. In die zaak wordt heden een tussenarrest gewezen. Gelet op de samenhang van die procedure met de onderhavige, lijkt het voor de hand te liggen dat beide procedures worden gevoegd.

Partijen dienen zich hierover uit te laten. Zij kunnen dit doen bij gelegenheid van hun memories na enquête/contra-enquête of desgewenst eerder.

De beoordeling in de zaak met nummer HD 200.134.316/01 in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep

9.1.

In deze zaak gaat het om het volgende.

Balema stelt zich op het standpunt dat zij van [de man] en [de vrouw] geld te vorderen heeft omdat zij aan [de man] in 2007 op verschillende tijdstippen geld heeft geleend, namelijk:

- op 1 november 2007 een bedrag van € 4.500,-,

- op 12 december 2007 een bedrag van € 60.000,-,

- op 20 december 2007 een bedrag van € 4.500,-.

Balema stelt dat zij met [de man] is overeengekomen dat voormelde bedragen, vermeerderd met een rente van 5% per jaar zullen worden terugbetaald nadat de echtscheiding tussen [de man] en [de vrouw] zal zijn uitgesproken en hun gemeenschappelijke panden zijn verkocht.

Op 4 maart 2008 is door [de man] als schuldenaar en [directeur/eigenaar Balema] namens Balema een “schuldbekentenis tevens vaststellingsovereenkomst” ondertekend waarin voormelde leningen en de terugbetalingsverplichting van [de man] zijn opgenomen.

Balema vorderde in eerste aanleg (samengevat), onder verwijzing naar voormelde schuldbekentenis:

1. de veroordeling van [de man] om aan Balema € 73.600,- te betalen vermeerderd met 5%

rente per jaar vanaf 1 mei 2009 tot de dag der voldoening;

2. ingeval de echtscheiding tussen [de man] en [de vrouw] geëffectueerd mocht zijn: veroordeling

van [de vrouw] om aan Balema de helft van voormelde vordering te voldoen alsmede [de vrouw]

te veroordelen te gehengen en gedogen dat bezittingen van de ontbonden

huwelijksgoederengemeenschap worden uitgewonnen tot de som van voornoemde

vordering;

3. [de man] en [de vrouw] te veroordelen in de kosten van het geding.

De rechtbank heeft bij vonnis van 15 december 2010 Balema toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden geconcludeerd dat tussen haar en [de man] sprake is van een reële geldleenovereenkomst.

Bij tussenvonnis van 12 september 2012 heeft de rechtbank geoordeeld dat Balema niet in deze bewijsopdracht is geslaagd.

Bij eindvonnis van 19 juni 2013 heeft de rechtbank de vorderingen van Balema afgewezen met veroordeling van Balema in de proceskosten.

Balema kan zich niet met het vonnis van 19 juni 2013 en met de daaraan voorafgaande tussenvonnissen verenigen en is in hoger beroep gekomen. [de vrouw] heeft voorwaardelijk geappelleerd, namelijk voor het geval een of meer grieven van Balema slagen.

9.2.

Balema heeft in haar memorie van grieven haar eis gewijzigd. Zij vordert thans de veroordeling, primair van [de man] en [de vrouw] en subsidiair van alleen [de man] (onder het doen van afstand door Balema van haar aanspraken ex artikel 1:102 BW jegens [de vrouw] ) tot betaling aan haar van het bedrag van € 73.600,-, vermeerderd met 5% per jaar vanaf 1 mei 2009 tot de dag van de algehele voldoening, kosten rechtens.

Balema heeft bij akte d.d. 15 april 2014 een deurwaardersexploot d.d. 2 april 2014 in het geding gebracht waaruit blijkt dat de voormelde eiswijziging aan [de man] is betekend.

Bezwaren tegen de voormelde eiswijziging zijn niet aangevoerd. Het hof zal recht doen op de gewijzigde eis.

9.3.

[de vrouw] heeft in haar memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel (voorwaardelijk, voor het geval één of meer grieven van Balema slagen) gevorderd te bepalen dat [de man] de (vermeende) schuld aan Balema geheel voor zijn rekening dient te nemen en deze als eigen schuld dient te voldoen onder vrijwaring en zonder verrekening met [de vrouw] en daarbij het subsidiaire verzoek van Balema toe te wijzen, waarbij zij afstand doet van haar aanspraken jegens de vrouw op grond van artikel 1:102 (oud) BW.

Hieromtrent overweegt het hof dat een reconventionele vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (artikel 353 lid 1 Rv).

Het hof merkt de stelling van [de vrouw] dat [de man] de (vermeende) schuld aan Balema volledig moet dragen en deze als eigen schuld moet voldoen, aan als een (voorwaardelijk) verweer van [de vrouw] waarop door het hof (als aan de voorwaarde is voldaan) zal worden beslist.

9.4.

De grieven van Balema lenen zich voor gezamenlijke beoordeling. Zij richten zich in de kern tegen:

- de aan Balema gegeven bewijsopdracht: volgens Balema had de rechtbank haar vordering

(in ieder geval jegens [de man] ) aanstonds moeten toewijzen, gelet op de overgelegde

bewijsstukken, te weten de door [de man] ondertekenede “schuldbekentenis tevens

vaststellingsovereenkomst” van 4 maart 2008 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) en

op de overgelegde bankbescheiden (producties 1, 2 en 3 bij conclusie van repliek);

- de bewijslastverdeling: volgens Balema was het aan [de vrouw] om haar verweer dat in casu

geen sprake was van een reële geldleenovereenkomst te bewijzen;

- de bewijswaardering: volgens Balema heeft zij wel degelijk voldaan aan de gegeven

bewijsopdracht. Zij biedt aan om zo nodig aanvullend bewijs te leveren door het doen horen

van de heer [directeur/eigenaar Balema] als getuige.

9.5.

Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof voorop dat [de vrouw] belang heeft bij een beslissing van het hof omtrent het bestaan van de gestelde geldleningen, aangezien door Balema primair de veroordeling van zowel [de man] als [de vrouw] wordt gevorderd, terwijl bovendien het al dan niet bestaan van de hier bedoelde geldleningen van belang is bij de vaststelling van de omvang en samenstelling van de huwelijksgoederengemeenschap die tussen [de man] en [de vrouw] moet worden verdeeld.

9.6.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat toereikend bewijs voor de door Balema gestelde geldleningen ontbreekt. Het hof acht in dit verband met name de volgende door de vrouw naar voren gebrachte feiten en omstandigheden van belang:

- omtrent de beweerdelijke geldleningen is tussen Balema en [de man] niets vastgelegd. Een

schriftelijk stuk (de “schuldbekentenis tevens vaststellingsovereenkomst” d.d. 4 maart

2008) is pas opgemaakt met het oog op de tussen [de man] en [de vrouw] lopende

echtscheidingsprocedure

zoals blijkt uit de inhoud van het schriftelijk stuk (opeisbaarheid na echtscheiding);

- omtrent de achtergrond van de beweerdelijke leningen is geen eenduidige informatie

verstrekt. Als getuige bij de rechtbank heeft [de man] verklaard dat hij het geleende geld nodig

had om zijn stiefdochter te helpen die een schuld had van (ongeveer) € 30.000,-, maar uit de

overgelegde afschriften van de rekening van de stiefdochter blijkt dat de betaling aan de

stiefdochter heeft plaatsgevonden op 1 november 2007, dus ruim vóór de gestelde lening

van € 60.000,-. Dat [de man] geld nodig had voor andere doeleinden is weliswaar door hem

gesteld maar op geen enkele wijze onderbouwd;

- [de man] heeft gesteld dat er bij hem sprake zou zijn van financieel onvermogen en dat hij

daarom geld van Balema moest lenen (en daarom tot op heden nog niet heeft terugbetaald).

Deze stelling valt echter niet te rijmen met de gegevens uit het strafdossier dat door [de vrouw]

in hoger beroep (deels) is overgelegd en waarin is vermeld dat [de man] verdacht wordt van

drugshandel en witwassen van geld en dat in het tijdvak van 1 januari 2006 t/m 30 juni

2013 circa € 606.250,- contant is gestort op bankrekeningen die kunnen worden gerelateerd

aan [de man] of zijn stiefkinderen.

9.7.

Het hof acht, in het licht van het voorgaande, de gestelde geldleningen in voldoende mate door [de vrouw] betwist.

Anders dan Balema veronderstelt ligt de bewijslast bij haar: zij beroept zich voor haar vordering immers op geldleningen die gemotiveerd door [de vrouw] zijn betwist. Bij Balema ligt de bewijslast van de gestelde geldleningen, van de omvang van de bedragen, van de daadwerkelijke ter beschikking stelling aan [de man] en van het nog open staan van de schulden.

9.8.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het tot op heden geleverde bewijs ontoereikend is. Het getuigenverhoor dat in eerste aanleg heeft plaatsgevonden, heeft daarin geen verandering gebracht. Alleen [de man] heeft als getuige de geldleningen bevestigd, maar zijn verklaring is weinig geloofwaardig gelet op hetgeen in het voorgaande is overwogen. De gehoorde stiefdochter [stiefdochter] heeft omtrent de geldleningen niets ter zake dienende kunnen verklaren, anders dan dat zij op enig moment van [de man] zou hebben gehoord dat deze van Balema geld had geleend.

Balema heeft aangeboden aanvullend bewijs van de gestelde geldleningen te leveren door het doen horen van [directeur/eigenaar Balema] , de directeur/eigenaar van Balema als getuige.

Het hof zal Balema hiertoe in de gelegenheid stellen.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

10 De uitspraak

Het hof:

in de zaak met zaaknummer HD 200.118.547/01 op het principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:

laat [de man] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat hij op 12 december 1999 van [schuldeiser] een bedrag van f. 2.000.000,-, omgerekend

€ 907.560,43, heeft geleend in verband met de aankoop van een vakantiewoning in [plaats] (Frankrijk) aan het [adres][huisnummer] en dat deze schuld nog bestond op de peildatum 21 juli 2009;

bepaalt, voor het geval [de man] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden maart en april 2014;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [de man] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

in de zaak met nummer HD 200.134.316/01 in principaal en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep:

Laat Balema toe, zo nodig draagt haar op, te bewijzen :

- dat zij aan [de man] in 2007 op verschillende tijdstippen geld heeft geleend, namelijk:

- op 1 november 2007 een bedrag van € 4.500,-,

- op 12 december 2007 een bedrag van € 60.000,-,

- op 20 december 2007 een bedrag van € 4.500,-.

- dat zij met [de man] is overeengekomen dat voormelde bedragen, vermeerderd met een rente

van 5% per jaar zullen worden terugbetaald en dat terugbetaling tot op heden niet heeft

plaatsgevonden;

bepaalt, voor het geval Balema bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 december 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden maart en april 2014;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat het getuigenverhoor bij voorkeur zal plaatsvinden op dezelfde dag als het getuigenverhoor in de zaak met zaaknummer HD 200.118.547/01 en dat partijen met elkaar in overleg dienen te treden omtrent de volgorde van het getuigenverhoor en de te horen getuigen;

bepaalt dat de advocaat van Balema tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, O.G.H. Milar en M. van Ham en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 november 2014.