Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4703

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-11-2014
Datum publicatie
14-11-2014
Zaaknummer
F 200.153.524_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten uithuisplaatsing

Er is sprake van ernstige opgroei- en ontwikkelingsproblemen bij de minderjarige die via eerder beproefde minder ingrijpende maatregelen niet konden worden afgewend vanwege het wegloopgedrag van de minderjarige en de dreiging van uit de familie van de minderjarige. Het risico op onttrekking aan de hulpverlening is thans nog steeds aanwezig. Aan de wettelijke criteria voor een uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is daarmee voldaan in de onderhavige zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 13 november 2014

Zaaknummer : F 200.153.524/01

Zaaknummers 1e aanleg: C/02/283502 JE RK 14-1217 en C/02/283503 JE RK 14-1218

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant],

thans opgenomen en verblijvende in de accommodatie voor gesloten jeugdzorg [gesloten jeugdzorg] te [verblijfplaats] (hierna: [gesloten jeugdzorg]),

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. F. El Makhtari,

tegen

Stichting Nidos,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt:

- mevrouw [de moeder] (hierna te noemen: de moeder);

- de heer [de vader] (hierna te noemen: de vader).

Als betrokken in de zin van artikel 810 Rv kan worden aangemerkt:

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 14 juli 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2014, heeft [appellant] verzocht voormelde beschikking te vernietigen, het verzoek om een gesloten uithuisplaatsing af te wijzen en te bepalen dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van [appellant] af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant], bijgestaan door mr. N. El-Ghazi, waarnemend voor mr. El Makhtari;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger stichting];

- de moeder en de vader, bijgestaan door mr. J.W.M. Steenbakkers.

2.3.1.

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de door de stichting overgelegde stukken van de eerste aanleg, ingekomen ter griffie op 5 augustus 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is – voor zover hier van belang – op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] (Somalië), [appellant] geboren.

3.2.

[appellant] staat sinds [datum bereiken van het 11e levensjaar] 2012 onder toezicht van de stichting.

3.3.

Bij beschikking van 19 juni 2014 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant een voorlopige machtiging aan de stichting verleend om [appellant] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, zulks met ingang van 19 juni 2014 tot uiterlijk 17 juli 2014.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voornoemde beschikking van 19 juni 2014 gehandhaafd en aan de stichting een machtiging verleend om [appellant] te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg met ingang van 14 juli 2014 tot uiterlijk 16 januari 2015.

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

[appellant] voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting – kort samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte aan de stichting een machtiging verleend tot 16 januari 2015, nu door de stichting is verzocht om een machtiging voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot [datum bereiken van het 13e levensjaar] 2014. [appellant] stelt dat aan de rechter geen bevoegdheid toekomt om ‘ambtshalve’ een machtiging af te geven voor een langere termijn dan door de stichting is verzocht.

[appellant] stelt zich op het standpunt dat de machtiging tot gesloten plaatsing ten onrechte is verleend op ontoereikende informatie. Het is tot heden niet duidelijk wat concreet aan hulp aan [appellant] is verleend dan wel zal worden verleend. Er heeft weliswaar een observatie plaatsgevonden, maar tot heden is er geen hulpverlening in het kader van traumaverwerking voor [appellant] opgestart, hetgeen wel herhaaldelijk is toegezegd. [appellant] heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij behoefte heeft aan duidelijkheid, veiligheid en vrijheid. De stichting heeft [appellant] dingen toegezegd, die zij niet is nagekomen.

De rechtbank is er ten onrechte aan voorbij gegaan dat een gesloten plaatsing pas aan de orde is indien minder zware maatregelen zijn beproefd en de ontwikkeling van de minderjarige in het gedrang komt doordat hij hulpverlening niet accepteert dan wel weigert. Niet valt in te zien waarom [appellant] – met name gelet op zijn jonge leeftijd van 12 jaar – niet kan verblijven in een besloten of een open setting. [appellant] stelt dat een open setting nimmer is beproefd noch in overweging is genomen. Al hetgeen de stichting stelt dat [appellant] dient te leren kan ook in een open setting worden geleerd. [appellant] voelt zich binnen de gesloten setting, waar voornamelijk oudere jongens verblijven, niet veilig. [appellant] heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij inmiddels weer contact heeft met zijn ouders en andere familieleden en dat deze contacten goed verlopen. [appellant] wil graag zo snel mogelijk bij zijn broer in [plaats] gaan wonen.

3.7.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan.

De stichting erkent dat zij een machtiging gesloten plaatsing voor de duur van de onder-toezichtstelling heeft verzocht; zij refereert zich betreffende de door de kinderrechter verleende termijn aan het oordeel van het hof.

In het behandelplan wordt helder verwoord wat de resultaten zijn van het diagnostisch onderzoek van [appellant] en hoe deze resultaten tot stand zijn gekomen. Naar aanleiding van deze resultaten is een advies door [gesloten jeugdzorg] opgesteld waaruit verschillende doelstellingen naar voren komen. Met betrekking tot de traumabehandeling van [appellant] is duidelijk geworden dat [appellant] tot heden te onrustig is geweest om hiermee te kunnen starten. De stichting heeft ter zitting van het hof hieraan toegevoegd dat het te vroeg opstarten van de traumabehandeling [appellant] uit balans kan halen. [appellant] is thans het meest gebaat bij het aanbieden van een dagstructuur. [appellant] heeft hierdoor het idee dat hij niet wordt behandeld. De stichting is van mening dat uit het trajectbehandelplan en de instemmingsverklaring van de gedrags-deskundige de noodzaak van de gesloten plaatsing blijkt. De stichting heeft ter zitting van het hof hieraan toegevoegd dat [appellant] uit een open setting vermoedelijk weg zal lopen. Zowel de stichting als [gesloten jeugdzorg] zijn van mening dat gewerkt dient te worden naar een open plaatsing. De stichting verwacht dat hij in de zomer van 2015 overgeplaatst kan worden naar een open setting. De stichting heeft ter zitting van het hof verklaard dat [appellant] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat het van belang is dat deze positieve ontwikkeling wordt gecontinueerd. [appellant] is inmiddels naar een besloten groep overgeplaatst. [appellant] kan – afhankelijk van zijn gedrag – privileges en vrijheden verwerven. Er is een systeemonderzoek gestart teneinde te onderzoeken of een plaatsing van [appellant] op termijn bij zijn broer in [plaats] veilig is. De stichting bevestigt dat de contacten tussen [appellant] en zijn familie op dit moment goed verlopen.

3.8.

De moeder en de vader voeren ter zitting in hoger beroep – kort samengevat – het volgende aan.

De ouders onderschrijven hetgeen de advocaat van [appellant] in het beroepschrift heeft aangevoerd. De ouders kunnen zich niet met de gesloten plaatsing van [appellant] verenigen. De ouders vinden het beter dat [appellant] per direct bij hen of bij zijn broer in [plaats] gaat wonen. Zij zijn van mening dat een gesloten plaatsing een te vergaande maatregel is. De ouders stellen dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat [appellant] zich zal onttrekken aan de hulpverlening. De ouders verklaren, dat de samenwerking met [gesloten jeugdzorg] nu goed is, maar dat zij weinig zicht hebben op de onderzoeken die door [gesloten jeugdzorg] zijn verricht. Er bestaat ook veel onduidelijkheid over de insteek van de huidige plaatsing, nu de ouders hebben vernomen dat het traject van [appellant] tot 2019 zou doorlopen. De ouders stellen dat er geen concrete leerdoelen voor [appellant] zijn geformuleerd, hetgeen bij deze ingrijpende maatregel wel noodzakelijk is.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Ingevolge artikel 29a lid 2 van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) is de minderjarige bekwaam om in rechte op te treden. Op die grond komt aan [appellant] een zelfstandig recht van hoger beroep toe.

3.9.2.

Gelet op artikel 29b lid 1 van de Wet op de Jeugdzorg (Wjz) staat ter beoordeling de vraag of er bij [appellant] sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat [appellant] zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken.

3.9.3.

Het hof stelt naar aanleiding van de overgelegde stukken vast dat bij [appellant] sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren. [appellant] komt uit een vluchtelingengezin dat veel heeft meegemaakt (oorlog, illegaliteit, diverse woonplekken, discriminatie, onduidelijkheid over de verblijfsstatus). [appellant] is in het verleden fysiek en verbaal door zijn ouders en zijn broers mishandeld, [appellant] heeft zelf om hulp gevraagd en is (onder meer) omwille van zijn eigen veiligheid in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg geplaatst. Daarnaast is er bij [appellant] sprake van ernstige sociaal-emotionele ontwikkelingsproblematiek, zich uitend in gedesorganiseerde hechtingspatronen, ernstig oppositioneel gedrag (waarmee hij ook voor zichzelf traumatiserend gedrag oproept) en posttraumatische problematiek. [appellant] heeft een sterke neiging tot grensoverschrijdend gedrag en heeft moeite met gezagsacceptatie. Behandeling van deze problematiek is – naar het oordeel van het hof – dan ook noodzakelijk. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

3.9.4.

Ter zitting van het hof is gebleken dat [appellant] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt waardoor hij inmiddels van een gesloten groep naar een besloten groep van [gesloten jeugdzorg] is overgeplaatst. Binnen deze besloten groep zal worden onderzocht welke vrijheden [appellant] aankan en heeft [appellant] de kans om vrijheden – afhankelijk van zijn gedrag – op te bouwen. De stichting acht het met het oog op de continuering van de positieve ontwikkeling van [appellant] noodzakelijk dat [appellant] in ieder geval tot de zomer van 2015 in [gesloten jeugdzorg] geplaatst blijft, waarna [appellant] mogelijk naar een open setting kan worden overgeplaatst.

Het hof merkt op dat, anders dan [appellant] stelt, [appellant] wel wordt behandeld binnen [gesloten jeugdzorg].

Het hof overweegt daartoe dat de stichting ter zitting van het hof heeft verklaard dat de behandeling van [appellant] binnen de besloten setting hoofdzakelijk bestaat uit het bieden van (dag)structuur. Gedurende het verblijf van [appellant] binnen [gesloten jeugdzorg] is gebleken dat het bieden van (dag)structuur positief voor hem werkt en bijdraagt aan zijn ontwikkeling. Ter zitting heeft de stichting – desgevraagd – verklaard dat de traumabehandeling van [appellant] nog niet is opgestart, maar de stichting heeft hiervoor – naar het oordeel van het hof – een plausibele verklaring gegeven. [appellant] is op dit moment nog te onrustig om met deze behandeling te kunnen starten en [appellant] zou uit balans kunnen raken indien de behandeling toch zou worden opgestart. Verder is ter zitting gebleken dat recent een systeemonderzoek is gestart, waarvan de uitkomsten voor de invulling van de toekomst van [appellant] van groot belang zijn. Binnen dit systeemonderzoek wordt onder meer onderzocht of – de door [appellant] gewenste plaatsing bij zijn broer in [plaats] – veilig is voor [appellant].

Het hof concludeert, gelet op het vorenstaande, dat er thans voldoende duidelijkheid omtrent de behandeling van [appellant] en omtrent zijn toekomstperspectief bestaat binnen het kader van de getroffen maatregel. Grief 2 van [appellant] faalt daarom.

3.9.5.

Anders dan [appellant] stelt, is het hof van oordeel dat minder ingrijpende maatregelen dan een gesloten plaatsing door de stichting zijn beproefd. Uit de stukken volgt dat [appellant] – voorafgaand aan de gesloten plaatsing – een aantal open plaatsingen achter de rug heeft, zoals een plaatsing bij familie, in een christelijk pleeggezin en een open observatiegroep van Juzt. Voornoemde plaatsingen hebben de ontwikkelingsbedreiging van [appellant] niet kunnen afwenden vanwege het wegloopgedrag van [appellant] en de dreiging vanuit de familie van [appellant]. De stichting heeft ter zitting van het hof verklaard dat het gevaar voor onttrekking aan de zorg die [appellant] nodig heeft door [appellant] zelf dan wel zijn familie nog steeds aanwezig is. Het hof onderschrijft het risico op onttrekking aan de hulpverlening gelet op de door [appellant] en door de vader ter zitting gedane uitlating, dat [appellant] per direct thuis dan wel bij zijn broer in [plaats] moet worden geplaatst.

Het hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de rechtbank in de onderhavige zaak terecht heeft geoordeeld dat aan de wettelijke criteria voor uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg is voldaan.

3.9.6.

Het hof ziet wel aanleiding om de termijn van de door de rechtbank afgegeven machtiging gesloten plaatsing in duur te beperken, nu de stichting in haar inleidend verzoek slechts gevraagd heeft om machtiging te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot [datum bereiken van het 13e levensjaar] 2014. Het hof zal daarom de bestreden beschikking voor zover deze ziet op een gesloten plaatsing vanaf [datum bereiken van het 13e levensjaar] 2014 vernietigen, zoals reeds tijdens de mondelinge behandeling door het hof aan partijen is medegedeeld. Grief 1 van [appellant] slaagt in zoverre.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking gedeeltelijk dient te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die ziet op een gesloten plaatsing vanaf [datum bereiken van het 13e levensjaar] 2014;

en , in zoverre, opnieuw rechtdoende:

bekrachtigt voormelde beschikking voor wat betreft de periode ter opname van de minderjarige in een accomodatie van gesloten jeugdzorg van 17 juli 2014 tot [datum bereiken van het 13e levensjaar] 2014;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en C.E.M. Renckens en in het openbaar uitgesproken op 13 november 2014.