Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4672

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
12-11-2014
Zaaknummer
HD 200.136.513_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:829
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uitleg facultatief verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Burgerlijk Wetboek Boek 1 142
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2015/22
JPF 2015/5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.136.513/01

arrest van 11 november 2014

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. K.G.J. Verbong te Hoensbroek,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.F. Cohen te Sittard,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 25 maart 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Limburg onder zaaknummer C/03/132141/HA ZA 09-841 gewezen vonnis van 18 september 2013 tussen appellante – hierna de vrouw – als gedaagde en geïntimeerde – hierna de man – als eiser.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 25 maart 2014.

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof de incidentele vordering van de vrouw tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het genoemde vonnis van de rechtbank afgewezen, de hoofdzaak verwezen naar de rol van 8 april 2014 voor beraad partijen en iedere verdere beslissing aangehouden.

6.2.

Het appel van de vrouw richt zich, zo blijkt uit de grieven en de toelichting daarop, tegen het meergenoemde vonnis van de rechtbank en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van die rechtbank van 1 mei 2013, 29 augustus 2012, 15 september 2010, 21 juli 2010, 26 mei 2010 en 9 september 2009. Tegen de tussenvonnissen van 9 september 2009, 15 september 2010 en 29 augustus 2012 zijn geen grieven gericht en van deze vonnissen heeft de vrouw ook geen vernietiging gevorderd, zodat het hof de vrouw in zoverre niet-ontvankelijk zal verklaren.

6.3.

Het hof gaat uit van de navolgende feiten.

Partijen zijn op 8 februari 1996 met elkaar gehuwd, na het opmaken van huwelijkse voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden houden – voor zover thans van belang – het volgende in:

“(…)

Artikel 1

Tussen de echtelieden zal generlei vermogensrechtelijke gemeenschap bestaan.

(…)

Artikel 8

1. Al hetgeen van de netto-inkomsten uit arbeid van beide echtgenoten in enig jaar mocht overblijven, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, zal tussen beide echtelieden, ieder voor de helft worden verdeeld.

Deze verdeling zal slechts door de echtelieden kunnen worden gevorderd voor een december van het tiende daaropvolgende jaar.

Wanneer een van de echtelieden de samenwoning heeft verbroken of door zijn onredelijk gedrag de andere echtgenoot heeft genoopt de samenwoning te verbreken, vervalt zijn recht om bedoelde verdeling van het lopende jaar te vorderen.

2. Onder netto-inkomsten uit arbeid wordt verstaan de inkomsten uit arbeid als bedoeld in de Wet op de Inkomstenbelasting 1964, verminderd met de belasting op inkomen voor zover deze betrekking heeft op dit inkomensbestanddeel, alsmede verminderd met de premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen.

Onder inkomsten uit arbeid wordt mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit een zelfstandig uitgeoefend beroep en bedrijf.

Artikel 9

  1. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding kunnen comparanten verlangen dat afgerekend wordt alsof tussen de echtgenoten algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

  2. Afrekening als hiervoor in lid 1 bedoeld geschied naar de toestand en de waarde per de datum van de inschrijving van het echtscheidingsvonnis in de registers van de Burgerlijke Stand.

  3. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen directe uitbetaling in kontanten van hetgeen op grond van deze afrekening verschuldigd is, is de gerechtigde partij gehouden mee te werken aan het treffen van een redelijke betalingsregeling, waarbij de belangen van beide partijen in acht worden genomen.

(…)”

6.3.1.

Partijen hebben gedurende het huwelijk nooit uitvoering gegeven aan het verrekenbeding.

6.3.2.

Bij beschikking van 29 juli 2009 heeft de rechtbank Maastricht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 25 augustus 2009 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

6.4.

Nadien is door partijen een procedure gevoerd in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, die heeft geresulteerd in het bestreden eindvonnis. Daarbij

heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van het bepaalde in lid 1 van artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen dient te worden afgerekend alsof tussen hen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

De rechtbank heeft daartoe in het tussenvonnis van 26 mei 2010 als volgt overwogen:

“(…)

3.1.

De rechtbank is met [de man] van oordeel dat tussen partijen dient te worden afgerekend alsof tussen hen een algemene gemeenschap van goederen heeft bestaan. Uit de bewoordingen van het bepaalde in lid 1 artikel 9 van de tussen partijen overeengekomen huwelijksvoorwaarden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat indien één der partijen dat verlangt, tussen hen dient te worden afgerekend alsof tussen hen een algemene gemeenschap van goederen heeft bestaan. Anders dan [de vrouw] stelt, volgt ook uit die bewoordingen, zoals [de man] terecht stelt, dat in dat geval dient te worden afgerekend alsof er steeds een algemene gemeenschap van goederen heeft bestaan.

(…)”

6.4.1.

In het tussenvonnis van 1 mei 2013 heeft de rechtbank overwogen:

“(…)

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen de bewoordingen van artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden een aanwijzing voor de juistheid van het standpunt van [de man]. De zinsnede dat de comparanten “kunnen verlangen” dat afgerekend wordt alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, suggereert dat toepassing van die regel ook zonder instemming van de beide betrokkenen aanvaard wordt. Er zijn ook geen derden betrokkenen van wie partijen gezamenlijk iets zouden kunnen verlangen ter zake.

2.5.

Voor de uitleg van de huwelijkse voorwaarden zijn echter niet alleen de bewoordingen waarin deze geformuleerd zijn relevant, maar dient ook de Haviltexmaatstaf te worden toegepast. Aangezien huwelijkse voorwaarden op straffe van nietigheid moeten worden aangegaan bij notariële akte, komt ingevolge de jurisprudentie in dit verband mede gewicht toe aan hetgeen de notaris in het kader van zijn voorlichting aan partijen heeft medegedeeld omtrent de inhoud en strekking van de bepalingen in de huwelijkse voorwaarden, en aan de betekenis die veel voorkomende bepalingen in huwelijkse voorwaarden volgens notarieel gebruik normaal gesproken hebben. Hetgeen partijen hebben aangevoerd, biedt hiervoor geen helderheid. Zij voeren ieder een motief aan voor de door hen gestelde afspraak, zonder dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld welke uitleg de juiste is.

2.6.

De rechtbank is daarom voornemens om terug te komen op haar eerder oordeel, in die zin, dat voorshands wordt aangenomen dat partijen een afspraak hebben gemaakt zoals door [de man] gesteld, maar dat [de vrouw] wordt toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, bijvoorbeeld door het horen van de notaris.

(…)”

6.4.2.

In het bestreden eindvonnis heeft de rechtbank als volgt geoordeeld:

“(…)

2.1.

De rechtbank verwijst allereerst naar het tussenvonnis van 1 mei 2013, waarbij wordt volhard. Daaruit blijkt dat de rechtbank van oordeel is dat, anders dan [de vrouw] betoogt, de tekst van artikel 9 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden erop wijst dat indien één van de echtgenoten opteert voor afrekening als ware men in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, die wijze van afrekening moet worden gehanteerd. Met de zinsnede dat “de comparanten kunnen verlangen ” (onderstreping rechtbank) lijkt er immers op te worden geduid dat de keuze ook tegen de zin van de ander kan worden doorgezet.

Aangezien partijen ter zake alleen iets van elkaar kunnen verlangen, moet met die ander de andere echtgenoot worden bedoeld. Op dit punt wijkt het beding in de huwelijksvoorwaarden af van de voorwaarden die onderwerp zijn van de door [de vrouw] aangehaalde rechterlijke uitspraken. Aangezien uit de akte van [de vrouw] moet worden afgeleid dat zij geen gebruik wenst te maken van de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs, zal de voorshands aannemelijk geachte uitleg van artikel 9 lid 1 huwelijksvoorwaarden definitief worden aangehouden.

(...)”

De rechtbank heeft gelet op het voorgaande de vrouw veroordeeld om aan de man, uit hoofde van de afrekening als bedoeld in artikel 9 lid 1 van de tussen hen opgemaakte huwelijksvoorwaarden € 206.451,53 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van de dag van het bestreden eindvonnis tot de dag van volledige betaling.

6.5.

De vrouw kan zich met deze beslissing niet verenigen en is daarvan in appel gekomen.

6.6.

De grieven van de vrouw betreffen - zakelijk weergegeven - :

- de uitleg van artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden (grief 1);

- het door de vrouw te leveren tegenbewijs (grief 2);

- het betrekken in de verrekening van de helft van de waarde van de woning van de vrouw aan [het adres] te [plaats] (grief 3);

- het buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de omvang van de verrekenplicht van de investering van de vrouw van de overwaarde van haar vorige woning aan [het adres] (grief 4);

- het betrekken in de verrekening van de waarde van de eenmanszaak van de man en de waarde van de Honda van de vrouw (grief 5);

- het oordeel dat de vrouw onnodig heeft verzocht om overlegging van bankrekeningen, nu zij daaraan geen vordering ten grondslag heeft gelegd (grief 6);

- het niet in mindering brengen op het door de vrouw aan de man te betalen bedrag van de vorderingen die de vrouw heeft op de man in het kader van de kinderalimentatieschuld, de zorg- en kindertoeslagen en de helft van de door de vrouw doorbetaalde eigenaarslasten en waterschapsheffingen en de kosten van het onderhoud van de woning (grief 7).

Uitleg artikel 9 lid 1 huwelijkse voorwaarden

6.7.1.

In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat met de zinsnede uit de huwelijkse voorwaarden dat “de comparanten kunnen verlangen”, bedoeld is dat indien één der partijen dat verlangt tussen hen dient te worden afgerekend alsof tussen hen een gemeenschap van goederen heeft bestaan. Volgens de vrouw gaat de rechtbank met dit oordeel voorbij aan de inhoud van de huwelijkse voorwaarden en de bedoeling van partijen bij het afsluiten van deze voorwaarden. De huwelijkse voorwaarden hielden immers in dat tussen partijen geen vermogensrechtelijke gemeenschap zou bestaan.

Het gaat hier om de uitleg van het woord kunnen in artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden. De vrouw is van mening dat met de betreffende zinsnede bedoeld is dat het noodzakelijk is dat beide comparanten wensen dat wordt afgerekend alsof tussen hen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan en niet dat dit op instigatie van één der comparanten, derhalve tegen de wens van de ander, kan geschieden.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat sprake is van een facultatief verrekenbeding. De vrouw verwijst naar de uitspraken van de rechtbank Haarlem, 12 januari 2010, RFR 2010, 67 en LJN:BL0633 en het Gerechtshof Amsterdam, 22 juni 2006, LJN:AY3871. De vrouw is van mening dat deze beide uitspraken haar standpunt onderbouwen, nu het in deze uitspraken eveneens ging om de uitleg van het woord ‘kunnen’, en uiteindelijk tot het oordeel werd gekomen dat het de bedoeling van partijen was een facultatief verrekenbeding op te nemen, zodat een der partijen het in zijn macht had verrekening tegen te houden. Volgens de vrouw dienen de onderhavige huwelijkse voorwaarden in hetzelfde licht te worden bezien en is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat men tot een dergelijke verrekening dient te komen op het moment dat slechts één der partijen dat eist. Waarom zouden partijen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen die iedere gemeenschap van goederen uitsluiten om vervolgens een beding op te nemen dat meebrengt dat wordt afgerekend alsof tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan, ook als een van partijen het daar niet mee eens is? Dan hadden partijen net zo goed direct in gemeenschap kunnen huwen. Dat was echter niet de intentie van partijen.

De rechtbank had dan ook niet tot het oordeel mogen komen dat het, om tot een verrekening als bedoeld in artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden te komen, voldoende is dat de man dit wenst. Daartoe is de wil van beide partijen nodig, aldus de vrouw.

6.7.2.

De man voert verweer.

Volgens hem kan het niet de bedoeling zijn geweest dat instemming van beide partijen nodig is om tot verrekening als bedoeld in artikel 9 lid 1 over te gaan. Dat zou het beding immers tot een dode letter maken, aangezien er altijd wel één partij is die er bij het einde van het huwelijk belang bij heeft om niet af te rekenen alsof er sprake is van een gemeenschap van goederen.

De man stelt dat het beding in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen omdat hij alleen met de vrouw in het huwelijk wilde treden op de uitdrukkelijke voorwaarde dat hij bij een eventueel einde van het huwelijk niet met legen handen zou komen te staan (dit is het derde huwelijk van de man), alsmede omdat partijen het huwelijkse vermogen wilden beschermen tegen eventuele schuldeisers van de onderneming van de man. Volgens de man was het wel de bedoeling van partijen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden om bij het einde van het huwelijk af te rekenen als ware er een gemeenschap van goederen.

6.7.3.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

De uitleg van artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden dient plaats te vinden aan de hand van de zogenoemde Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635). Uit onder meer het arrest van de Hoge Raad van 28 november 2003 (NJ 2004, 116) blijkt dat deze norm ook geldt voor de uitleg van huwelijkse voorwaarden. Dit betekent dat niet alleen de tekst van het beding van belang is – zij het dat de taalkundige betekenis bij de uitleg wel vaak van groot belang is (vgl. HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493) – maar dat het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de met de huwelijkse voorwaarden verband houdende bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

6.7.4.

De vrouw heeft ter zitting van het hof desgevraagd over haar bedoelingen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden verklaard dat zij ten tijde van het huwelijk met de man in het bezit was van een eigen woning, namelijk de woning die zij op haar negentiende had gekocht van haar ouders. De vader van de vrouw, die niet gelukkig was met de keuze van de vrouw om met de man te trouwen, wilde dat de vrouw er zorg voor zou dragen dat deze woning in de familie zou blijven en dat de man daar geen aanspraak op zou kunnen maken. Tijdens de comparitie van partijen gehouden op 4 maart 2010 (in de procedure bij de rechtbank) heeft de vrouw in gelijke zin verklaard:

“Toen ik de man leerde kennen had ik reeds een eigen woning in bezit. Mijn vader vond het belangrijk dat er huwelijkse voorwaarden opgemaakt zouden worden om te voorkomen dat, indien het onverhoopt mis zou gaan met het huwelijk van mij en de man, ik de helft van de waarde aan de man zou moeten afstaan. Het betrof mijn ouderlijk huis.”

De man heeft ter zitting van het hof desgevraagd over zijn bedoelingen bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden verklaard dat hij al twee keer na het eindigen van een huwelijk met lege handen was komen te staan en alleen nogmaals in het huwelijk wilde treden onder de voorwaarde dat dit niet meer zou gebeuren. Desgevraagd heeft de man verklaard dat bij deze twee eerdere huwelijken sprake was van gemeenschap van goederen. Verder was het de bedoeling van de man het huwelijksvermogen veilig te stellen voor schuldeisers van zijn bedrijf

6.7.5.

Uit de stellingen van partijen over en weer volgt dat hun beider bedoeling bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was om grip te houden op het eigen opgebouwde en op te bouwen vermogen. Partijen wensten derhalve dat tussen hen geen gemeenschap van goederen zou ontstaan maar dat sprake zou zijn van gescheiden vermogens. Aldus is ook in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden bepaald.

De vrouw heeft verklaard dat haar vader het belangrijk vond dat, indien het mis zou gaan met het huwelijk met de man, zij niet de helft van de waarde aan de man zou moeten afstaan. Daarmee strookt niet de door de man gegeven uitleg aan artikel 9 lid 1 huwelijkse voorwaarden, te weten dat indien een van partijen dat wenst, afgerekend moet worden alsof tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan.

Het hof is van oordeel dat de toelichting van de man, dat hij na twee huwelijken in gemeenschap van goederen met lege handen was komen te staan en dat risico niet nogmaals wilde lopen, niet strookt met het opnemen in de huwelijkse voorwaarden van een beding dat tot gevolg zou hebben dat, indien één der partijen dat wenst – dus ook tegen de wens van de andere partij – zou worden afgerekend als ware er een gemeenschap van goederen. De toelichting van de man ondersteunt veeleer de uitleg dat slechts zal worden afgerekend als ware er een gemeenschap van goederen indien beide partijen hiermee instemmen, zoals door de vrouw is gesteld.

Het hof is derhalve van oordeel dat artikel 9 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden aldus uitgelegd dient te worden dat alleen wordt afgerekend alsof tussen de echtgenoten een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan indien zij dit beiden wensen.

De eerste grief van de vrouw slaagt derhalve.

Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding

6.8.

Nu afrekening als bedoeld in artikel 9 lid 1 huwelijkse voorwaarden niet aan de orde is, stelt het hof vast dat sprake is van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding (artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden), zodat er thans verrekend dient te worden met inachtneming van het bepaalde in artikel 1:141 BW.

6.8.1.

Het hof heeft gelet op het vorenoverwogene behoefte aan nadere inlichtingen van partijen. Met het oog daarop zal het hof een (meervoudige) comparitie van partijen gelasten en partijen in de gelegenheid stellen voorafgaand aan deze comparitie inlichtingen te verschaffen over de omvang van de verrekenplicht op de peildatum, onderbouwd met justificatoire bescheiden.

Peildatum

6.9.

Nu in de huwelijkse voorwaarden geen regeling is opgenomen ten aanzien van het eindigen van de periodieke verrekenplicht, geldt als peildatum voor de samenstelling en omvang van het te verrekenen vermogen op grond van artikel 1:142 lid 1 sub b BW de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 15 juli 2008. Vanaf deze datum is ook de wettelijke rente over de verrekenvordering verschuldigd (HR 2 december 2011, LJN BU6591, NJ 2012/173).

6.10.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor opgave verhinderdata.

7 De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen vergezeld van hun advocaten, zullen verschijnen voor het hof, dat daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door het hof te bepalen datum, met de hiervoor onder 6.8 en 6.8.1 vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2014 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun advocaten in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat het hof na genoemde roldatum dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt partijen kopieën van de hiervoor onder 6.8 en 6.8.1 bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en het hof;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.Th.M. Raab, G.J. Vossestein en J.U.M. van der Werff en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.