Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4665

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
HD 200.098.702_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1491
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:293
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2014:1491: Wet op het consumentenkrediet. Persoonlijke lening. Ambtshalve beoordeling. Geïntimeerde krijgt alsnog gelegenheid om antwoordakte te nemen in verband met HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.098.702/01

arrest van 11 november 2014

in de zaak van

1 [appellant 1],

2. [appellante 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. M. Harte te Terneuzen,

tegen

LaSer Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.E. Koopman te 's-Hertogenbosch,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 mei 2014 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg onder zaaknummer 79893/HA ZA 11-353 gewezen vonnis van 19 oktober 2011, dat is hersteld bij vonnis van 23 november 2011.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 27 mei 2014;

- de akte van LaSer met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest is LaSer in de gelegenheid gesteld:

- de ingebrekestelling in het geding te brengen die aan algehele opeising vooraf dient te gaan;

- de brief in het geding te brengen waarbij LaSer het uitstaande saldo vervroegd heeft opgeëist;

- haar vordering alsnog contant te maken per datum vervroegde opeising;

- toe te lichten op basis waarvan [appellanten c.s.] de gevorderde vertragingsvergoeding

verschuldigd zijn geworden.

7.2.1.

In haar akte na tussenarrest stelt LaSer allereerst dat het hof met de overweging in het tussenarrest dat beoordeeld moet worden of wordt voldaan aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wck, buiten de tussen partijen bestaande rechtsstrijd treedt. LaSer wijst er op dat [appellanten c.s.] niet hebben aangevoerd dat niet aan de dwingendrechtelijke bepalingen van de Wck is voldaan en stelt dat tussen partijen vast staat dat van niet-nakoming van de door het hof bedoelde bepalingen geen sprake is. LaSer verzoekt het hof zijn oordeel op dit punt te herzien.

7.2.2.

Verder bestrijdt LaSer de juistheid van rechtsoverweging 4.6.9 van het tussenarrest dat op grond van het bepaalde in artikel 33 aanhef onder c sub 1 Wck het door de kredietnemer verschuldigde bij een kredietovereenkomst (…) enkel vervroegd kan worden opgeëist indien de kredietnemer (…) na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen. Volgens LaSer is op grond van deze bepaling van de Wck een overeenkomst die een dergelijke bepaling niet bevat niet nietig en betekent bedoelde bepaling niet dat het door de kredietnemer verschuldigde eerst kan worden opgeëist indien hij, na ingebreke te zijn gesteld, nalatig blijft.

7.2.3.

LaSer meent primair dat op grond van het bepaalde in artikel 6:80 lid 1 sub b BW in dit geval een ingebrekestelling niet nodig is omdat [appellanten c.s.] er bewust voor hebben gekozen hun betalingsverplichtingen niet na te komen en dat ook uitdrukkelijk te kennen hebben gegeven. Subsidiair is LaSer van oordeel dat de tussen LaSer en de advocaat van [appellanten c.s.] gevoerde correspondentie als ingebrekestelling in de zin van de wet dienen te worden aangemerkt. Meer subsidiair stelt LaSer dat aan alle voorwaarden voor vervroegde opeising is voldaan nu [appellanten c.s.] in de periode van november 2009 tot en met oktober 2011 23 keer een bedrag van € 327,90 (in totaal € 7.541,70) niet hebben betaald, zekerheidshalve bij deurwaardersexploot van 24 juni 2014 een ingebrekestelling van 19 juni 2014 aan [appellanten c.s.] is betekend en betaling vervolgens is uitgebleven.

7.2.4.

Verder bestrijdt LaSer het oordeel van het hof dat zij geen recht heeft op de vergoeding die is begrepen in de termijnen die op de datum van vervroegde opzegging niet waren vervallen. Volgens LaSer is dit oordeel onvolledig en niet in lijn met artikel 13 en 14 van het Besluit Kredietvergoeding van 16 oktober 1991. In de van toepassing zijnde algemene voorwaarden van LaSer is de – in voormeld Besluit geregelde – boeteclausule opgenomen in artikel 9 lid 2 en daarom is de suggestie van het hof dat LaSer geen vergoeding in rekening had mogen brengen onjuist. Van de looptijd van 114 maanden is 35% verstreken, zodat [appellanten c.s.] in de visie van LaSer op grond van artikel 13 lid 1 sub b Besluit Kredietvergoeding een boeterente verschuldigd zijn van € 764,40.

7.2.5.

Gebruikmakend van de door het hof geboden gelegenheid om haar vordering alsnog contant te maken per datum vervroegde opeising, berekent LaSer haar vordering op moment van opeising per december 2009 op € 24.458,78. Doordat later betalingen hebben plaatsgevonden, is het uitstaande saldo per 2 juni 2014 volgens LaSer € 23.601,36.

7.2.6.

Tot slot ziet LaSer ervan af helderheid te verschaffen over de grondslag van de gevorderde vertragingsvergoeding. Zij vermindert haar vordering met het bedrag van € 12,29.

7.3.

[appellanten c.s.] hebben niet op de akte van LaSer gereageerd. Een verzoek om een uitstel van zes weken voor het nemen van de antwoordakte – gedaan door indiening op 24 juli 2014 van een H5-formulier voor de rol van 5 augustus 2014 – heeft de rolraadsheer op 5 augustus 2014 geweigerd. Op grond van het nadien gewezen arrest van de Hoge Raad van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804, dient de beslissing op een tijdig ingediend verzoek om

uitstel voor het verrichten van een proceshandeling als de onderhavige – kort gezegd – gegeven te worden op een zodanig tijdstip dat in geval van weigering de verzoeker nog de gelegenheid heeft de proceshandeling tijdig te verrichten.

Het uitstelverzoek is tijdig in de zin van artikel 1.9 pilotreglement ingediend. De afwijzende beslissing van de rolraadsheer op dat verzoek had derhalve – gezien genoemd arrest – op zodanig tijdstip vóór 5 augustus 2014 gegeven moeten worden dat [appellanten c.s.] nog in de gelegenheid zouden zijn geweest de antwoordakte te nemen. Nu dat niet is gebeurd, zal het hof [appellanten c.s.] alsnog in de gelegenheid stellen om een antwoordakte te nemen.

7.4.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

8 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 9 december 2014 voor het nemen van een antwoordakte aan de zijde van [appellanten c.s.];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, J.C.J. van Craaikamp en R.R.M. de Moor en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.