Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4658

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
HD 200.130.162_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onverschuldigde betaling. Nodeloos veroorzaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.162/01

arrest van 11 november 2014

in de zaak van

Goudse Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Gouda,

appellante,

hierna aan te duiden als Goudse,

advocaat: mr. J.D. van Vlastuin te Veenendaal,

tegen

Tegelzettersbedrijf [Tegelzettersbedrijf] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.A.A. van der Weijst te Gemonde,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, sector kanton, locatie ‘s-Hertogenbosch van 4 april 2013, gewezen tussen Goudse als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 865952/386, rolnr. 12-10818)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven waarbij Goudse de grondslag van haar eis heeft gewijzigd;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. Tussen [geïntimeerde] en Goudse is een verzekeringsovereenkomst van kracht geweest betreffende een verzuimverzekering met polisnummer [polisnummer]. Uit de polis (prod. 4 Goudse) blijkt dat de verzekering ten aanzien van arbeidsongeschikte werknemers van [geïntimeerde] dekking biedt voor (een deel van) de loonsom.

  2. Bij brief van 20 april 2011 (prod. 1 Goudse) heeft Goudse aan [geïntimeerde] geschreven:

‘U heeft bij ons een Verzuim & Inkomenpakket afgesloten.

Onterechte uitkering

U ontving EUR 10.432,29 te veel uitkering over de periode 1 augustus 2010 tot 1 januari 2011.

Uit onze administratie blijkt dat:

werknemer [werknemer] twee keer in onze administratie stond. voor een van deze werknemers is vanaf 30 augustus tot 1 januari onterecht ziekengeld uit gekeerd. Dit vorderen wij nu terug. (…)

Terugbetaling

Wij verzoeken u om het teveel uitgekeerde bedrag van EUR 10.432,29 terug te betalen.’

Bij brieven van 21 juli 2011 en 1 december 2011 (prod. 5 Goudse) heeft Goudse aan [geïntimeerde] onder meer geschreven:

‘U heeft van de Goudse een onterechte uitkering op de Verzuimverzekering ontvangen. Wij zonden u hierover op 20-4-2011 een brief.’

In de brief van 1 december 2011 is verder vermeld:

Terugvordering

In deze brief lieten wij u weten dat u EUR 10.316,37 aan de Goudse moet terugbetalen.

Uit nacalculatie bleek het eerder genoemde bedrag van 10.432,29 niet correct te zijn. (…)’

3.2.1.

Goudse heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en gevorderd, samengevat, [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van in totaal € 11.836,08, welk bedrag bestaat uit een hoofdsom van € 10.316,37, buitengerechtelijke incassokosten ad € 968,00 en een bedrag van € 551,71 aan vervallen wettelijke rente over de hoofdsom tot 20 november 2012. Voorts heeft Goudse betaling gevorderd van de wettelijke rente over – naar het hof begrijpt: alleen – de hoofdsom vanaf 20 november 2012, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.2.2.

In de inleidende dagvaarding heeft Goudse haar vordering gegrond op een tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst uit hoofde waarvan [geïntimeerde] gehouden is om de voor de verzekering verschuldigde premies uiterlijk op de vervaldag aan Goudse te betalen. Verder heeft Goudse in de inleidende dagvaarding eerst gesteld dat [geïntimeerde] in totaal

€ 10.316,37 aan verschuldigde premies onbetaald heeft gelaten, en vervolgens wordt in de dagvaarding polisnummer [polisnummer] genoemd met de vermeldingen ‘Terugvordering’ en ‘teveel uitgekeerde premie tot’.

3.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.4.

De kantonrechter heeft een comparitie van partijen gelast, ten behoeve waarvan Goudse diverse producties in het geding gebracht (prod. 1 t/m 6). Blijkens het proces-verbaal van de comparitie heeft de gemachtigde van Goudse medegedeeld dat de dagvaarding ongelukkig is geformuleerd en dat de vordering van Goudse betrekking heeft op een door [geïntimeerde] ten onrechte dubbel ontvangen uitkering voor één van haar medewerkers, te weten [werknemer] (hierna: [werknemer]) in dezelfde periode. Daarop heeft [geïntimeerde] betwist dat zij dubbele uitkeringen heeft ontvangen.

3.2.5.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering van Goudse afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten. Daartoe heeft de kantonrechter, samengevat, het volgende overwogen. Goudse heeft ter onderbouwing van haar vordering als productie 2 verzuimoverzichten van [werknemer] overgelegd over de periode 1 augustus 2010 tot 1 januari 2011 (volgnummers 2010-005 tot en met 2010-009), volgens welke overzichten in totaal

€ 10.316,37 aan [geïntimeerde] is uitgekeerd. Het had op de weg van Goudse gelegen om toe te lichten waarop zij baseert dat dubbele uitkeringen zijn gedaan tot genoemd bedrag van

€ 10.316,37. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de kantonrechter uit de overgelegde verzuimoverzichten niet opmaken waarom juist het aantal verzuimdagen dat correspondeert met de bedragen die zijn vermeld op de als productie 2 overgelegde overzichten dubbel zouden zijn betaald en niet het – daarvan deels afwijkend – aantal verzuimdagen dat staat vermeld op de als productie 3 overgelegde overzichten die betrekking hebben op dezelfde periode. De kantonrechter heeft geconcludeerd dat Goudse onvoldoende heeft toegelicht dat dubbele uitkeringen zijn gedaan, zodat er geen plaats is voor bewijslevering door Goudse.

3.3.1.

Bij memorie van grieven heeft Goudse één grief aangevoerd tegen het bestreden vonnis en daarbij de grondslag van haar eis wederom gewijzigd. Goudse heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

3.3.2.

[geïntimeerde] heeft de gewijzigde grondslag van de vordering van Goudse betwist. Het verweer van [geïntimeerde] zal, voor zover relevant, in het navolgende aan de orde komen.

3.4.1.

De grief van Goudse luidt kort gezegd als volgt:

  1. ten onrechte heeft de kantonrechter de vordering van Goudse afgewezen zonder haar in de gelegenheid te stellen de grondslag van haar vordering nader toe te lichten of daarvan bewijs te leveren;

  2. ten onrechte heeft de kantonrechter Goudse veroordeeld in de proceskosten en de nakosten.

3.4.2.

Volgens [geïntimeerde] kan deze grief niet leiden tot vernietiging van het vonnis omdat de door Goudse in eerste aanleg gestelde grondslag voor haar vordering ondeugdelijk was en onvoldoende was onderbouwd en omdat onderdeel 2 van de grief niet meer dan een veeggrief betreft.

Met dit een en ander miskent [geïntimeerde] echter dat hoger beroep ook kan worden ingesteld met het doel om fouten uit de eerste aanleg te herstellen en om een eis te wijzigen. Verder ziet [geïntimeerde] eraan voorbij dat onder grieven moeten worden verstaan alle gronden die een appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak moet worden vernietigd, en dat een verandering en vermeerdering van eis en verweer hier ook onder vallen. In het onderhavige geval heeft Goudse het hoger beroep benut om de grondslag van haar eis te wijzigen en om

– zoals hierna zal blijken – haar fouten uit de eerste aanleg te herstellen door deze grondslag alsnog voldoende toe te lichten. Uit de toelichting op de grief blijkt duidelijk, en [geïntimeerde] heeft dit kennelijk ook zo begrepen, op welke gronden Goudse vernietiging van het bestreden vonnis vordert. De in de toelichting op de grief opgenomen appelgronden zijn dan ook behoorlijk in het geding gebracht.

3.5.

Met de grief en de toelichting daarop is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd.

3.6.1.

Zoals gezegd heeft Goudse bij memorie van grieven de grondslag van haar eis gewijzigd. Aan haar vordering legt zij thans ten grondslag dat zij op grond van de verzuimverzekering abusievelijk € 10.316,37 teveel aan [geïntimeerde] heeft uitgekeerd ter zake de arbeidsongeschiktheid van [werknemer], zodat zij terugbetaling van dit bedrag door [geïntimeerde] vordert. Goudse heeft deze gewijzigde grondslag als volgt onderbouwd.

3.6.2.

In de periode augustus 2010 t/m januari 2011 heeft Goudse in totaal € 14.660,39 aan [geïntimeerde] uitgekeerd conform de als productie 3 overgelegde overzichten waarmee Goudse destijds telkens opgave aan [geïntimeerde] heeft gedaan betreffende de verzuimmeldingen. Deze overzichten blijken echter diverse fouten te bevatten doordat de ziekmelding van [werknemer] wel handmatig is verwerkt in het systeem maar de betermeldingen van [werknemer] niet automatisch konden worden verwerkt en daardoor niet hebben plaatsgevonden. Hierdoor is een onafgebroken vergoeding aan [geïntimeerde] uitbetaald over de periode van 28 juli 2010 tot

1 januari 2011, terwijl [werknemer] in deze periode niet onafgebroken ziek is geweest. Daar komt nog bij dat blijkens de als productie 3 overgelegde overzichten 2010-007 en 2010-008 ook nog een extra uitkering is gedaan over 13 respectievelijk 11 dagen. Volgens Goudse is [werknemer] in genoemde periode arbeidsongeschikt geweest gedurende de volgende tijdvakken:

  • -

    van 28 juli 2010 tot 30 augustus 2010;

  • -

    van 29 september 2010 tot 15 november 2010;

  • -

    van 29 november 2010 tot 30 november 2010.

Gelet op de werkelijke duur van de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] heeft Goudse met de bedragen van in totaal € 14.660,39 die zij conform de als productie 3 overgelegde overzichten heeft uitgekeerd, over teveel dagen een uitkering aan [geïntimeerde] betaald. De overzichten die als productie 2 zijn overgelegd betreffen het aantal dagen waarover ten onrechte een uitkering is betaald en het daarmee gemoeide bedrag van in totaal

€ 10.316,37. Goudse heeft dit een en ander nog als volgt gespecificeerd:

Uit de overzichten die als productie 3 zijn overgelegd blijkt dat de volgende bedragen aan [geïntimeerde] zijn uitgekeerd:

Overzicht 2010-005: uitkering over 22 dagen € 2.550,11

Overzicht 2010-006: uitkering over 22 dagen € 2.550,11

Overzicht 2010-007: uitkering over 15 + 6 + 13 (= 34) dagen € 3.467,54

Overzicht 2010-008: uitkering over 22 + 10 + 1 (= 33) dagen € 3.426,60

Overzicht 2010-009: uitkering over 23 dagen € 2.666,03

€ 14.660,39

Ter zake deze overzichten heeft Goudse in totaal € 10.316,37, zoals gespecificeerd in de als productie 2 overgelegde overzichten, teveel uitgekeerd:

  • -

    Overzicht 2010-005: uitgekeerd had moeten worden over 20 in plaats van 22 dagen. Hierdoor is € 231,83 teveel uitgekeerd;

  • -

    Overzicht 2010-006: uitgekeerd had moeten worden over 0 in plaats van 22 dagen. Hierdoor is € 2.550,11 teveel uitgekeerd;

  • -

    Overzicht 2010-007: uitgekeerd had moeten worden over 13 in plaats van 34 dagen. Hierdoor is € 2.434,20 teveel uitgekeerd;

  • -

    Overzicht 2010-008: uitgekeerd had moeten worden over 12 in plaats van 33 dagen. Hierdoor is € 2.434,20 teveel uitgekeerd;

  • -

    Overzicht 2010-009: uitgekeerd had moeten worden over 0 in plaats van 23 dagen. Hierdoor is € 2.666,03 teveel uitgekeerd.

3.6.3.

[geïntimeerde] heeft onvoldoende gemotiveerd de stelling van Goudse betwist dat [werknemer] in de periode van 28 juli 2010 tot 1 januari 2011 niet onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest maar slechts gedurende de door Goudse genoemde tijdvakken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [geïntimeerde] erkent dat de betermeldingen niet correct zijn verwerkt in het systeem en slechts aanvoert dat de fout bij Goudse ligt (zie mva, nr. 23). Gelet hierop en op de concrete stellingen van Goudse op dit punt, had het in ieder geval op de weg van [geïntimeerde] gelegen concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan volgen dat [werknemer] over een langere periode arbeidsongeschikt is geweest dan dat door Goudse is gesteld. Nu [geïntimeerde] dat heeft nagelaten neemt het hof tot uitgangspunt dat, zoals Goudse heeft gesteld, [werknemer] in de periode van 28 juli 2010 tot 1 januari 2011 alleen arbeidsongeschikt is geweest gedurende de navolgende tijdvakken:

  • -

    van 28 juli 2010 tot 30 augustus 2010;

  • -

    van 29 september 2010 tot 15 november 2010;

  • -

    van 29 november 2010 tot 30 november 2010.

3.6.4.

Verder heeft [geïntimeerde] niet betwist dat Goudse conform de als productie 3 overgelegde overzichten in totaal € 14.660,39 heeft uitgekeerd, zodat dit vaststaat. Evenmin heeft [geïntimeerde] betwist dat deze uitkering betrekking heeft op de hele periode van 28 juli 2010 tot 1 januari 2011 en dat in die periode bovendien, zoals in de overzichten 2010-007 en 2010-008 is weergegeven, nog over 13 en 11 dagen een extra uitkering is gedaan, zodat het hof hiervan ook zal uitgaan.

3.6.5.

Uit het voorgaande volgt reeds dat Goudse over teveel dagen een uitkering aan [geïntimeerde] heeft betaald.

3.6.6.

[geïntimeerde] heeft niet concreet betwist dat, gezien de tijdvakken waarin [werknemer] daadwerkelijk arbeidsongeschikt is geweest, Goudse ter zake:

  • -

    overzicht 2010-005 over 2 dagen teveel heeft uitgekeerd (22 dagen i.p.v. 20);

  • -

    overzicht 2010-006 over 22 dagen teveel heeft uitgekeerd (22 dagen i.p.v. 0);

  • -

    overzicht 2010-007 over 21 dagen teveel heeft uitgekeerd (34 dagen i.p.v. 13);

  • -

    overzicht 2010-008 over 21 dagen teveel heeft uitgekeerd (33 dagen i.p.v. 12);

  • -

    overzicht 2010-009 over 23 dagen teveel heeft uitgekeerd (23 dagen i.p.v. 0).

Het hof zal daarom ook hiervan uitgaan.

3.6.7.

Bij het voorgaande passeert het hof nog het verweer van [geïntimeerde] dat de verzuimoverzichten ‘onduidelijk blijven’. [geïntimeerde] heeft dit verweer onvoldoende concreet onderbouwd, terwijl dat wel van haar verwacht had mogen worden gelet op de duidelijke toelichting die Goudse in hoger beroep op de overzichten heeft gegeven en de duidelijke vermelding op die overzichten op welke periodes deze betrekking hebben.

3.6.8.

[geïntimeerde] heeft slechts verwezen naar het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg en onder meer betoogd dat uit de overzichten niet blijkt van dubbele betalingen. Dat doet echter niet meer ter zake gezien de in hoger beroep gewijzigde grondslag van de vordering van Goudse. Verder voert [geïntimeerde] aan dat uit de overzichten blijkt van verschillende bedragen en verzuimdagen. Goudse heeft in hoger beroep echter alsnog voldoende toegelicht waarom op de overzichten die als productie 2 respectievelijk 3 zijn overgelegd andere bedragen en verzuimdagen staan vermeld. [geïntimeerde] heeft nog gewezen op de 20 respectievelijk 22 verzuimdagen die staan vermeld op de overzichten met volgnummer 2010-005, maar ook op dit punt heeft Goudse in hoger beroep haar vordering voldoende toegelicht. Ook heeft [geïntimeerde] er op gewezen dat uit het proces-verbaal van de comparitie blijkt ‘van een dubbele vermelding, doch met een nul-bedrag; het effect is dan nul’. Het hof gaat ervan uit dat [geïntimeerde] daarmee doelt op het als productie 3 overgelegde overzicht 2010-006 waarop twee keer de naam van [werknemer] staat, 1x met de vermelding dat voor 22 verzuimdagen € 2.125,09 (excl. werkgeverslasten) is uitgekeerd en 1x met de vermelding dat voor twee verzuimdagen nul euro is uitgekeerd. Dat laatste neemt echter niet weg dat er ter zake van overzicht 2010-006 in ieder geval een uitkering is gedaan voor 22 verzuimdagen. Voor zover [geïntimeerde] verder nog zou doelen op de overzichten 2010-007 en 2010-008, die zijn overgelegd als productie 3, waarop ook telkens twee keer de naam van [werknemer] voorkomt, heeft te gelden dat Goudse in hoger beroep onweersproken heeft gesteld dat zij op grond van die overzichten zelfs nog voor 13 resp. 11 dagen extra een uitkering aan [geïntimeerde] heeft betaald.

3.6.9.

Dan komt thans de vraag aan de orde welk bedrag Goudse teveel heeft uitgekeerd.

3.6.10.

Volgens [geïntimeerde] kloppen de bedragen niet die Goudse terugvordert conform de als productie 2 overgelegde overzichten. In dit kader voert [geïntimeerde] aan dat Goudse meer terugvordert dan dat zij heeft betaald. Omgerekend is een bedrag van € 109,40 per dag aan [geïntimeerde] uitgekeerd, aangezien het uitgekeerde totaalbedrag van € 14.660,39 ziet op 134 dagen. Omgerekend vordert Goudse echter € 115,91 per dag terug, nu het teruggevorderde totaalbedrag van € 10.316,37 ziet op 89 dagen. Als voorbeeld heeft [geïntimeerde] hierbij gewezen op het overzicht met volgnummer 2010-005. Dit overzicht heeft betrekking op 22 dagen. Uitgaande van een uitkering per dag van € 109,40, zou het terug te betalen bedrag volgens [geïntimeerde] € 2.407,01 moeten zijn. Goudse vordert ter zake van dit overzicht echter een bedrag van € 2.550,11 terug.

3.6.11.

Het verweer van [geïntimeerde] dat Goudse meer terugvordert dan dat zij heeft uitgekeerd, snijdt slechts ten dele hout. [geïntimeerde] ziet namelijk over het hoofd dat indien de op de overzichten vermelde bedragen die zijn uitgekeerd worden omgerekend aan de hand van het op die overzichten vermelde aantal dagen waarover een uitkering is verstrekt, het uitgekeerde bedrag per dag niet voor ieder overzicht hetzelfde is. Het is daarom niet juist om de overzichten betreffende de uitgekeerde respectievelijk teruggevorderde bedragen in totaliteit met elkaar te vergelijken. In plaats daarvan zullen de overzichten die betrekking hebben op dezelfde periode met elkaar vergeleken moeten worden. Het hof zal die vergelijking hierna maken.

* Overzicht 2010-005 (prod. 3 Goudse) betreft een uitkering van € 2.550,11 over 22 dagen. Nu over 20 dagen had moeten worden uitgekeerd, zijn 2 dagen teveel uitgekeerd, derhalve

€ 231,83 (€ 2.550,11 x 2/22). Dit bedrag correspondeert met het bedrag dat Goudse ter zake van dit overzicht terugvordert.

* De overzichten 2010-006 en 2010-009 (prod. 3 Goudse) betreffen uitkeringen van € 2.550,11 respectievelijk € 2.666,03 over periodes waarover niets had moeten worden uitgekeerd. Goudse vordert daarom terecht de volledig uitgekeerde bedragen terug.

* Overzicht 2010-007 (prod. 3 Goudse) betreft een uitkering van € 3.467,54 over 34 dagen. Nu slechts over 13 dagen had moeten worden uitgekeerd, is over 21 dagen teveel uitgekeerd, derhalve € 2.141,72 teveel (€ 3.467,54 x 21/34). Goudse vordert ter zake van dit overzicht echter meer terug, te weten € 2.434,20. Aan de hand van de door Goudse gegeven toelichting op de overzichten, valt dit bedrag daaruit echter niet te herleiden. Het door Goudse teruggevorderde bedrag ad € 2.434,20 ter zake overzicht 2010-007 zal daarom als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen voor zover deze vordering een bedrag van

€ 2.141,72 te boven gaat.

* Overzicht 2010-008 (prod. 3 Goudse) betreft een uitkering van € 3.426,60 over 33 dagen. Nu slechts over 12 dagen had moeten worden uitgekeerd, is over 21 dagen teveel uitgekeerd. Dat betekent dat Goudse € 2.180,56 teveel heeft betaald (€ 3.426,60 x 21/33). Goudse vordert ter zake dit overzicht echter meer terug, te weten € 2.434,20. Ook dit bedrag valt echter niet te herleiden uit de door Goudse overgelegde overzichten. Het hof zal de vordering van Goudse ad € 2.434,20 ter zake overzicht 2010-008 daarom als onvoldoende onderbouwd afwijzen voor zover deze vordering voormeld bedrag van € 2.180,56 te boven gaat.

3.6.13.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de door Goudse gevorderde hoofdsom toewijsbaar is tot een bedrag van € 9.770,25 (€ 231,83 + € 2.550,11 + € 2.666,03 +

€ 2.141,72 + 2.180,56), omdat Goudse dit bedrag onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald. In zoverre slaagt de grief van Goudse dus.

3.7.1.

Het gedeeltelijk slagen van de grief van Goudse brengt mee dat het hof de in eerste aanleg verworpen en/of niet behandelde verweren van [geïntimeerde] die in hoger beroep niet zijn prijsgegeven, opnieuw dient te beoordelen.

3.7.2.1. Goudse heeft wettelijke rente gevorderd over de hoofdsom vanaf de eerste brief van haar incassogemachtigde GGN d.d. 9 mei 2012. Deze brief is door Goudse als productie 6 overgelegd. [geïntimeerde] heeft betwist vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd te zijn.

3.7.2.2. Het hof constateert dat [geïntimeerde] bij de brief van GGN van 9 mei 2012 in gebreke is gesteld en is gesommeerd de ten onrechte ontvangen/verstrekte uitkering van Goudse binnen vijf werkdagen te betalen. Gelet hierop en op het feit dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] reeds op 9 mei 2012 in verzuim was met betaling van de gevorderde hoofdsom, zal het hof de wettelijke rente over de hoofdsom toewijzen vanaf 17 mei 2012, zijnde de dag volgende op de vijfde werkdag na woensdag 9 mei 2012.

3.7.3.1. Goudse heeft een vergoeding van € 968,00 inclusief btw voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderd ter zake werkzaamheden die door GGN zijn verricht. [geïntimeerde] heeft deze vordering betwist. Kennelijk stelt zij zich daarbij op het standpunt dat het niet gaat om buitengerechtelijke kosten maar om kosten ter voorbereiding van de procedure. Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de werkzaamheden qua aard en tijdsbesteding niet zijn gespecificeerd.

3.7.3.2. Het hof zal de vraag of de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is, beantwoorden aan de hand van artikel 6:96 BW zoals dat artikel tot 1 juli 2012 luidde. Nu [geïntimeerde] in elk geval reeds op 17 mei 2012 in verzuim was, zijn het per

1 juli 2012 gewijzigde 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten immers niet van toepassing.

3.7.3.3. Naar het oordeel van het hof heeft Goudse met het in de inleidende dagvaarding gestelde (nr. 5) en met de overgelegde zes brieven van GGN (prod. 6 van Goudse) voldoende onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden. Verder is het hof van oordeel dat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten blijft binnen de grenzen van de aanbevelingen II en VII in het Rapport Voor-Werk II. Het hof neemt daarbij nog in ogenschouw dat Goudse onweersproken heeft gesteld dat zij niet btw-plichtig is zodat zij de btw over de buitengerechtelijke kosten niet kan verrekenen. Voorts kan het redelijk worden geacht dat Goudse de betreffende kosten heeft gemaakt, zodat het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten toewijsbaar is.

3.8.

Omwille van de leesbaarheid van dit arrest zal het bestreden vonnis geheel worden vernietigd. Opnieuw rechtdoende zal het hof de gevorderde hoofdsom toewijzen tot een bedrag van € 9.770,25, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 17 mei 2012. Daarnaast zal het hof de gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 968,00 toewijzen. Voor het overige zal de door Goudse gevorderde hoofdsom en de gevorderde rente worden afgewezen. [geïntimeerde] heeft te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten van de eerste aanleg. In zoverre slaagt de grief van Goudse eveneens.

Nu Goudse eerst in hoger beroep een deugdelijke grondslag heeft aangevoerd voor haar vordering, zijn de proceskosten van het hoger beroep nodeloos door Goudse veroorzaakt. Goudse dient daarom te worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, inclusief de gevorderde nakosten.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 4 april 2013 van de rechtbank Oost-Brabant, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Goudse te betalen een bedrag van € 9.770,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 17 mei 2012 tot de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] om aan Goudse te betalen een bedrag van € 968,00 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg, welke kosten tot op heden aan de zijde van Goudse worden begroot op € 538,12 aan verschotten en op € 600,00 aan salaris gemachtigde;

veroordeelt Goudse in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 683,00 aan verschotten en op € 894,00 aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, S. Riemens en D.A.E.M. Hulskes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.