Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4656

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
HD 200.097.481_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

scheidingsbegeleider heeft een inspanningsverbintenis op zich genomen. Voor de beantwoording van de vraag of hij aan deze verbintenis heeft voldaan, heeft de wederpartij te weinig gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2015/20

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.097.481/01

arrest van 11 november 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

advocaat: mr. L.C. van Kasteren te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R. Gijsen te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2011 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen gewezen vonnis van 3 augustus 2011 tussen appellante -[appellante]- als eiseres, en geïntimeerde -[geïntimeerde]- als gedaagde.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    voornoemde dagvaarding van 2 november 2011;

  • -

    een memorie van grieven;

  • -

    een memorie van antwoord.

Nadat partijen arrest hebben gevraagd, is bepaald dat arrest wordt gewezen. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

2 Het geding in eerste aanleg (rolnr. 1444/11, zaaknr. 423306)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 3 augustus 2011.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1

Tegen de door de kantonrechter in het bestreden vonnis vastgestelde feiten en omstandigheden is niet gegriefd, zodat het hof daarvan uitgaat. Verder staan nog enkele feiten vast. Het hof zal hierna een opsomming geven van alle vaststaande feiten.

a. [geïntimeerde] drijft onder de naam “[handelsnaam]” een onderneming waarbij hij tegen betaling echtscheidingen begeleid.

b. Bij opdrachtaanvaarding van 18 juli 2008 heeft [geïntimeerde] aanvaard de opdracht van [appellante] en haar toenmalige echtgenoot [voormalige echtgenoot] om hen te helpen bij hun, kort gezegd, echtscheiding. [geïntimeerde] heeft in dat kader in de periode van 30 juni 2008 tot 29 oktober 2008 de echtscheiding begeleid. [appellante] heeft daarvoor € 1.752,- aan [geïntimeerde] betaald.

In de opdrachtaanvaarding is onder meer vermeld:

“Partijen wensen gespreksbegeleiding, hulp bij de boedelscheiding, budgettering, alimentatieberekening en het opstellen van het convenant.”.

c. De door [geïntimeerde] gegeven begeleiding heeft in elk geval bestaan uit meer dan tien gesprekken. [geïntimeerde] heeft zes conceptconvenanten opgesteld.

d. Het uiteindelijk op 7 oktober 2008 door [appellante] en [voormalige echtgenoot] ondertekende convenant heeft [geïntimeerde] met hen doorgenomen en besproken op 30 september 2008, waarna zij deze versie na een week bedenktijd hebben ondertekend. Het convenant houdt in, voor zover relevant:

“(…)

A. Partijen zijn (…) met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, welke voorwaarden een algehele uitsluiting inhouden;

B. Uit hun huwelijk is geboren het (…) kind [kind] (…), geboren op [geboortedatum]-2005 (…)

2 Het kind

(…)

2.3.1

Met ingang van 1 oktober 2008 en zolang [kind] minderjarig is storten beide partijen naar rato van hun inkomen maandelijks een bedrag op betaalrekening (…) van waaruit de indirecte kosten van verzorging en opvoeding voor [kind] (…) worden betaald. (…). In eerste instantie is deze kinderalimentatie voor de man vastgesteld op € 200 per maand en voor de vrouw (…) op 133,33 per maand. De man zal het beheer voeren over deze rekening, (…).

2.3.3

De kinderbijslag zal automatisch gestort worden op de in artikel 2.3.1 vernoemde bankrekening.

(…)

3 Afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

(…)

3.2

Echtelijke woning

3.2.1

De gemeenschappelijke eigendomswoning (…) zal worden verkocht (…)

3.2.3

Tot aan de levering van de gemeenschappelijke eigendomswoning heeft de man het recht op bewoning van de woning, zonder dat hij hiervoor enige gebruiksvergoeding aan de vrouw verschuldigd is.

3.2.4

De hypotheekkosten, Falcon levensplan verzekering en de OZB en alle andere gemeentebelastingen (…) worden betaald door de man. De man ontvangt van de vrouw maandelijks € 273,02 ter compensatie van deze kosten (…)”.

e. Vanaf ongeveer een jaar voor de ondertekening van het convenant woonde [voormalige echtgenoot] niet meer in de gemeenschappelijke eigendomswoning, maar bij zijn ouders. [appellante] woonde in die periode zonder betaling van een gebruiksvergoeding in die woning, terwijl [voormalige echtgenoot] in die periode de volledige woonkosten betaalde.

4.2

[appellante] heeft in eerste aanleg in het petitum van haar dagvaarding gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om aan haar te betalen € 1.752,-, zijnde het door haar betaalde bedrag voor de dienstverlening, te vermeerderen met wettelijke rente, € 1.638,-, zijnde het totale bedrag aan hypotheeklasten dat zij gedurende zes maanden (€ 273,- per maand) aan [voormalige echtgenoot] heeft betaald, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente en € 446,25 althans een in goede justitie te bepalen bedrag ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente, met veroordeling van hem in de kosten van de procedure.

Deze vordering is afgewezen omdat, kort gezegd, de kantonrechter heeft aangenomen dat in de gevoerde gesprekken (zie sub c van r.o. 4.1) de onderdelen van het convenant zijn besproken, dat [appellante] meer dan voldoende de gelegenheid heeft gehad om op behoorlijke wijze zich te verdiepen in de tekst van het convenant en vragen te stellen, en dat zij door de uiteindelijke ondertekening ervan zich akkoord heeft verklaard met de inhoud van het convenant, zodat [geïntimeerde] in redelijkheid niet voor de inhoud van het convenant verantwoordelijk is.

4.3

Bij memorie van grieven heeft [appellante] twee grieven voorgedragen en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 3 augustus 2011 en, zo nodig onder aanvulling van gronden tot toewijzing van het door haar in eerste aanleg gevorderde, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties. In haar eerste grief stelt [appellante] dat de door de kantonrechter aangelegde maatstaf dat sprake is van een inspanningsverbintenis zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk en rechtens onjuist is. In haar tweede grief stelt zij dat de kantonrechter ten onrechte aan de omstandigheid dat zij, [appellante], kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het convenant alvorens dit te ondertekenen de conclusie heeft verbonden dat de vordering niet toewijsbaar is, alsmede dat [geïntimeerde] zijn verplichtingen niet (goed) is nagekomen waardoor [appellante] schade heeft geleden. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.4

Vast staat dat [geïntimeerde] [appellante] en [voormalige echtgenoot] zou helpen bij hun echtscheiding en wel in de vorm van gespreksbegeleiding, hulp bij de boedelscheiding, budgettering, alimentatieberekening en het opstellen van een convenant (zie r.o. 4.1, sub b). Gesteld noch gebleken is dat in het kader van deze opdracht concrete resultaten bereikt moesten worden, zoals een boedelscheiding, de vaststelling van bepaalde alimentatiebedragen en/of een definitief convenant, of dat [geïntimeerde] dergelijke resultaten heeft toegezegd. Wat dat betreft heeft de kantonrechter terecht geoordeeld dat [geïntimeerde] op grond van de opdrachtaanvaarding een inspanning diende te leveren.

Die inspanningen van [geïntimeerde] hebben in elk geval bestaan uit het voeren van meer dan tien gesprekken met [appellante] en [voormalige echtgenoot] en het opstellen door [geïntimeerde] van zes conceptconvenanten (zie r.o. 4.1 sub c). Het uiteindelijk door [appellante] en [voormalige echtgenoot] ondertekende convenant is uitgebreid en omvangrijk. Geregeld zijn onder meer de wijze waarop het gezag over het kind wordt geregeld en wie wanneer omgang heeft met het kind, de bijdrage die elke partij zal leveren in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind, de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, een regeling betrekking hebben de op de echtelijke woning, een regeling ter zake de belastingen en een pensioenregeling. [appellante] heeft niet gesteld dat in de conceptconvenanten deze onderwerpen niet waren vermeld, noch dat deze onderwerpen tijdens de gesprekken niet aan de orde zijn geweest. Bezien in dit licht diende [appellante] haar stelling dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten, nader feitelijk te onderbouwen. Zij had in elk geval behoren te stellen in welk concreet opzicht [geïntimeerde] volgens haar te kort is geschoten in de nakoming, zodat getoetst kan worden of [geïntimeerde] heeft gehandeld zoals mag worden verwacht van een redelijk en bekwaam handelend opdrachtnemer. Een dergelijk inzicht heeft [appellante] niet, in elk geval niet voldoende gegeven. Zij heeft niet (veel) meer gesteld dan dat het convenant financiële verplichtingen voor haar bevat, die zij niet kon nakomen. Een dergelijke stelling, zo al juist, betekent echter niet zonder meer dat [geïntimeerde] zich onvoldoende heeft ingespannen, alleen al niet omdat is gesteld noch gebleken dat het mogelijk was om de financiële gevolgen van de echtscheiding zodanig te regelen dat elke partij zonder meer de op zich genomen financiële verplichtingen ook zou kunnen dragen. Voor zover [appellante] heeft gesteld dat zij afstand heeft gedaan van de kinderbijslag (nr. 4 dagvaarding in eerste aanleg), is dat onjuist. Uit r.o. 4.1 sub d blijkt immers dat de kinderbijslag zal worden gestort op de betaalrekening van waaruit de indirecte kosten van verzorging en opvoeding voor het kind worden betaald. Voor zover zij heeft gesteld dat het [geïntimeerde] duidelijk had moeten zijn dat zij niet in staat was om de financiële verplichtingen betrekking hebbende op de woning die zij samen met [voormalige echtgenoot] in eigendom had, na te komen, zodat [geïntimeerde] haar had moeten afraden om het convenant te tekenen, heeft zij geen concrete feiten gesteld waaruit kan worden afgeleid dat er andere, voor haar en [voormalige echtgenoot] gunstigere oplossingen waren. Het hof verwijst in dit verband naar het reeds bij conclusie van antwoord (door [geïntimeerde] “verweerschrift” genoemd) in nr. 3 door [geïntimeerde] gevoerde verweer. Dit houdt kort gezegd in dat [appellante] wist dat sprake zou zijn van zware financiële lasten zolang de woning niet verkocht was. [appellante] heeft dit verweer niet (gemotiveerd) weersproken. Het hof wijst er verder op dat [geïntimeerde] onweersproken heeft gesteld dat [appellante] voor de ondertekening van het convenant meer dan een jaar lang de gemeenschappelijke woning zonder [voormalige echtgenoot] bewoonde gedurende welke periode [voormalige echtgenoot] de volledige woonkosten betaalde. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat alleen al de te betalen hypothecaire lasten van deze gemeenschappelijke woning per maand in elk geval € 968,73 bedroegen, terwijl [appellante] daarvan slechts € 273,02 per maand gedurende zes maanden heeft betaald (kennelijk vanaf omstreeks oktober 2008). Al met al falen de grieven dan ook.

Voor zover [appellante] bewijs heeft aangeboden, gaat het hof daaraan voorbij omdat zij onvoldoende concrete feiten heeft gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.5

Nu de grieven falen, zal het hof het vonnis bekrachtigen en [appellante], als de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van dit geding.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de kosten van dit hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op

€ 284,- aan griffierecht en op € 632,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, C.W.T. Vriezen en J.R. Sijmonsma en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.