Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4651

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
HD 200.130.546_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2016:3439
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

overlijden procespartij na dagvaarding hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.130.546/01

arrest van 11 november 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats 1], Duitsland,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. E.H.J. van der Heijden te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1],

en

2. [geïntimeerde sub 2] e.v. Schrijen,

beiden wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde sub 1] (geïntimeerde sub 1), [geïntimeerde sub 2] (geïntmeerde sub 2), of [geïntimeerden] (geïntimeerden gezamenlijk),

advocaat: mr. M.J.M. van Vugt te Maastricht,

op het bij exploot van dagvaarding van 3 mei 2013 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van de rechtbank Maastricht van 17 oktober 2012 en de rechtbank Limburg van 6 februari 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerden] als eisers.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 169791 / HA ZA 12-116)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de akte uitlating tevens akte houdende opgave verhinderdata van [appellant];

- de akte uitlating omtrent comparitie na aanbrengen van [geïntimeerden];

- de memorie van grieven tevens akte vermeerdering van eis met producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde sub 1].

[geïntimeerde sub 1] heeft arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Nadat de zaak door [appellant] bij dagvaarding bij dit hof was aangebracht en partijen zich hadden gesteld, heeft het hof partijen de gelegenheid geboden zich uit te laten over de vraag of zij prijs stelden op een comparitie na aanbreng. Van beide zijden is bij voormelde akten te kennen gegeven dat een comparitie na aanbreng niet gewenst was. Van de zijde van [geïntimeerden] werd voorts in deze akte gemeld: “Ten aanzien van geïntimeerde sub 2 zij opgemerkt dat Mevrouw [geïntimeerde sub 2] helaas op 20 juli 2013 is overleden.”

3.2.

Vervolgens heeft slechts [geïntimeerde sub 1], nadat de memorie van grieven was genomen(, die conform de procedurele regels in een situatie als onderhavige ook [geïntimeerde sub 2] als wederpartij duidt), een memorie van antwoord genomen. In deze memorie van antwoord staat vermeld: “[geïntimeerde sub 2], echtgenote van [geïntimeerde sub 1], die in eerste aanleg partij was en die ook in hoger beroep is gedagvaard, is op 20 juli 2013 overleden. De procedure in hoger beroep wordt voortgezet door (alleen) [geïntimeerde sub 1].”

3.3.

Het hof stelt vast dat geen gebruik is gemaakt van de in artikel 225 Rv opgenomen schorsingsregeling, die kan worden ingeroepen na de dood van een partij. Dit betekent dat de procedure is voortgezet op naam van [geïntimeerde sub 2]. Er is evenwel van haar zijde nog geen memorie van antwoord genomen. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen teneinde de advocaat van [geïntimeerde sub 2] in de gelegenheid te stellen deze memorie van antwoord alsnog te nemen dan wel anderszins te reageren. Het hof bepaalt de termijn voor het alsnog nemen van een memorie van antwoord van de zijde van [geïntimeerde sub 2] op een termijn van zes weken op straffe van verval van dat recht.

3.4.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 23 december 2014 voor de hierboven onder 3.3. vermelde doeleinden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.T. Begheyn, S.M.A.M. Venhuizen en E.K. Veldhuijzen van Zanten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 november 2014.