Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4625

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
11-11-2014
Zaaknummer
HV 200.155.266_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid Nederlandse rechter ten aanzien van Nederlandse vennootschap met statutaire zetel in Nederland en vestiging in België. Ontvankelijkheid na verstrijken beroepstermijn vanwege ‘apparaatsfout’. ‘COMI” als bedoeld in artikel 3 Insolventieverordening in Nederland? HvJ EU C-396/09 inzake Interedil; HvJ EU C-341 /04 inzake Eurofood; HvJ EU C-327/13 inzake Burgo Group/ COMI voor derden objectief en verifieerbaar in België/ Vernietiging faillissement en onbevoegd verklaring. Kosten faillissement voor rekening van aanvrager.

Naam: Micheyton-BNP Paribas

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2015/121 met annotatie van Mr. M.L.H. Reumers
NTHR 2015, afl. 1, p. 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 6 november 2014

Zaaknummer: HV 200.155.266/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/14/329 F

in de zaak in hoger beroep van:

Micheyton Beheer B.V.,

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], kantoorhoudend te [kantoorplaats] (België),

appellante,

hierna te noemen: Micheyton,

advocaat: mr. L.C. van Kasteren,

tegen

BNP Paribas Leasing Solutions N.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigings- en kantoorplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: BNP Paribas,

advocaat: mr. R. Arnoldus.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 augustus 2014, waarbij Micheyton in staat van faillissement is verklaard en

mr. J.J. Dingemans is aangesteld als curator.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie blijkens daarop geplaatst stempel op 3 september 2014, heeft Micheyton verzocht voormeld vonnis – zakelijk weergegeven – te vernietigen, de rechtbank onbevoegd te verklaren om de insolventieprocedure te openen, het inleidend verzoek af te wijzen en BNP Paribas te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    mr. [bestuurder], bestuurder van Micheyton;

  • -

    mr. Van Kasteren, advocaat van Micheyton,

  • -

    mr. Arnoldus, advocaat van BNP Paribas;

  • -

    mr. Dingemans, curator.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    een brief met bijlagen d.d. 29 september 2014, ingediend namens mr. Arnoldus;

  • -

    het verslag van de curator d.d. 2 oktober 2014;

  • -

    een brief met bijlage van mr. Arnoldus d.d. 15 oktober 2014;

  • -

    een indieningsformulier met bijlage van mr. Van Kasteren d.d. 17 oktober 2014;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Van Kasteren overgelegde pleitnota;

  • -

    de ter zitting in hoger beroep door mr. Arnoldus overgelegde pleitnota;

  • -

    de ter zitting door de curator overgelegde stukken (urenadministratie en kostenberekening).

3 De beoordeling

3.1.

Het faillissement van Micheyton is aangevraagd door BNP Paribas. BNP stelt ten tijde van het inleidend verzoek een vordering te hebben op Micheyton van in hoofdsom een bedrag van € 21.803,35, te vermeerderen met rente en kosten en te verminderen met enkele deelbetalingen. Dit bedrag komt voort uit onbetaald gelaten huurpenningen uit hoofde van een huurovereenkomst waarbij door BNP Paribas een kopieerapparaat Bizhub C552 aan Micheyton is verhuurd. Micheyton zou ook andere schuldeisers onbetaald laten en aldus in de toestand verkeren te hebben opgehouden te betalen, aldus BNP Paribas. Micheyton heeft verweer gevoerd, onder meer ten aanzien van de - volgens Micheyton ontbrekende - rechtsmacht van de Nederlandse rechter en van de door BNP Paribas gestelde vordering. Het faillissement van Micheyton is vervolgens uitgesproken.

3.2.

Micheyton kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Micheyton voert daartoe – zakelijk weergegeven – allereerst aan dat zij pas op 3 september 2014 kennis heeft gekregen van het beroepen vonnis. Het vonnis zou zelfs door de rechtbank pas na de beroepstermijn aan Micheyton zijn verzonden. Het hoger beroep had derhalve niet eerder kunnen worden ingesteld.

Daarnaast stelt Micheyton dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft geacht om kennis te nemen van de faillissementsaanvraag. Weliswaar heeft Micheyton haar statutaire zetel in de gemeente [gemeente], maar de onderneming heeft geen vestiging in Nederland, zoals ook uit het uittreksel van de Kamer van Koophandel blijkt. Micheyton heeft geen centrum van voornaamste belangen (hof: ook “centre of main interests”, hierna: “COMI” genoemd) in de zin van de Verordening nr. 1346/2000 betreffende insolventieprocedures (hierna: InsVo) in Nederland. Dit blijkt ook uit de statuten van Micheyton, waarin de doelstellingen worden beschreven. Deze doelstellingen zijn – kort weergegeven – het uitoefenen van een advocatenpraktijk, het voeren van beheer en het beleggen van vermogen. Nu mr. [bestuurder], enig werkzaam advocaat in Micheyton, op 1 januari 2013 is gestopt met het uitoefenen van zijn advocatenpraktijk en zich per 1 januari 2014 als advocaat van het tableau heeft doen schrappen, heeft Micheyton geen economische activiteiten meer in Nederland. Het vermogensbeheer wordt uitgevoerd vanuit [kantoorplaats] in België (woonhuis en kantoorruimte mr. [bestuurder]). Bij gebrek aan COMI in Nederland is de Nederlandse rechter, in dit geval de rechtbank ex artikel 3 InsVo niet bevoegd geweest om van het inleidend verzoek kennis te nemen.

Voorts wordt betwist dat BNP Paribas een opeisbare vordering heeft op Micheyton. In verband met schuldeisersverzuim (geen onderhoud aan de kopieermachine) is Micheyton bevoegd de betaling van de huur op te schorten. Er is geen toestand van te hebben opgehouden te betalen. Daarbij wijst Micheyton er nog op dat de toestand ex nunc moet worden getoetst en derhalve niet aan de hand van de jaarrekening per stand van 31 december 2012.

3.3.

Ter zitting in hoger beroep is hieraan namens Micheyton – zakelijk weergegeven – nog het volgende toegevoegd. In het kader van artikel 3 lid 1 InsVo wordt in het kader van rechtszekerheid en objectiveerbaarheid verlangd dat de COMI positief wordt geïdentificeerd. Ook moet de COMI voor derden verifieerbaar zijn. Het Hof van Justitie wenst dat de plaats waar het beheer over de belangen van een onderneming (gedreven in een rechtspersoon) overeenstemt met de plaats van het (hoofd)bestuur van die onderneming. Micheyton heeft een bezoekadres in België, een Belgisch faxnummer en een mededeling in het (Nederlandse) Handelsregister dat zij geen vestigingsadres in Nederland en geen werknemers heeft. De rechtbank had haar oordeel dus niet enkel op de plaats van de statutaire zetel mogen baseren zonder België als alternatief te beschouwen. In strijd met haar rechtsplicht daartoe, heeft BNP Paribas in het verzoekschrift niets gesteld met betrekking tot de COMI van Micheyton.

3.4.

Namens BNP Paribas is ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Het hoger beroep is te laat ingesteld door Micheyton. Het hoger beroep had binnen acht dagen na de uitspraak op 26 augustus 2014, derhalve uiterlijk op 3 september 2014 moeten worden ingesteld door een advocaat. De door de bestuurder [bestuurder] op 3 september 2014 aan het hof gestuurde fax is niet ingediend door een advocaat. Het verzoekschrift als ingekomen bij het hof is weliswaar voorzien van een ontvangststempel van 3 september 2014, maar uit de inhoud blijkt dat dit stuk niet eerder dan op 10 september 2014 ter griffie kan zijn ingediend. De datering van het verzoekschrift is dan ook niet juist. Het had op de weg van Micheyton gelegen om te informeren naar de uitspraakdatum. [bestuurder] wordt als voormalig advocaat bovendien geacht op de hoogte te zijn van de beroepstermijnen.

Door Micheyton wordt niet betwist dat haar statutaire zetel in Nederland is. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, de COMI vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn. Het is aan Micheyton om te bewijzen dat de COMI buiten Nederland ligt. Het enkele feit dat Micheyton geen Nederlandse vestiging heeft is daartoe onvoldoende. Uit het faillissementsverslag volgt dat de deelnemingen van Micheyton bestaan uit deelnemingen in Nederlandse vennootschappen. Tot en met augustus 2014 zijn ten laste van Micheyton huurpenningen aan een dochtervennnootschap, een deelneming van Micheyton, voldaan. Micheyton dagtekent nog brieven te [vestigingsplaats]
en heeft als onderschrift op haar postpapier “The Netherlands”. Micheyton heeft te weinig gesteld om tot het bewijs te komen dat haar COMI in België is gelegen.

Micheyton heeft drie kantoorapparaten gehuurd van Konica Minolta. Konica Minolta heeft deze apparaten doorverkocht aan BNP Paribas en daarvan mededeling gedaan aan Micheyton. Daarbij is tevens meegedeeld dat alle andere zaken die niet rechtstreeks betrekking hebben op het verschaffen van het huurgenot bij Konica Minolta bleven. BNP Paribas betwist dat haar service Plus Pack zou zien op een 24-uurs omruilservice; BNP Paribas heeft ook geen onderhoudsverplichtingen ten aanzien van het apparaat, dat ligt bij Konica Minolta. Micheyton heeft nooit geklaagd over een gebrek in het huurgenot.

3.5.

Het hof overweegt het volgende.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

3.5.1.

Het vonnis waarvan beroep is op 26 augustus 2014 gewezen. Derhalve had het hoger beroep ex artikel 8 lid 1 Fw uiterlijk 3 september 2014 moeten worden ingesteld. Op die dag is ook per fax een beroepschrift binnengekomen; dit stuk voldoet echter niet aan de voorwaarden omdat het niet op de juiste wijze is ingediend, te weten door een advocaat en niet door de procespartij zelf. Daarmee is het hoger beroep in beginsel te laat ingesteld.

Het hof merkt daartoe nog op dat het later alsnog door een advocaat (mr. Van Kasteren) getekende beroepschrift weliswaar een ontvangststempel van 3 september 2014 heeft gekregen, maar dat uit de inhoud blijkt dat dit beroepschrift niet eerder kan zijn ontvangen dan 10 september 2014. Het hoger beroep is in ieder geval op 11 september 2014 aan de procesadvocaat van BNP Paribas betekend door de deurwaarder (zie productie 11 bij brief mr. Arnoldus d.d. 29 september 2014), zodat het hof er vanuit gaat dat het door mr. Van Kasteren getekende beroepschrift in ieder geval op 11 september 2014 ook bij het hof is ontvangen.

3.5.2.

In het beroepschrift heeft Micheyton echter aangevoerd dat zij pas op 3 september 2014 middels een brief van de curator kennis heeft genomen van haar faillissement. De uitspraak is Micheyton pas op 4 september 2014 per post bezorgd. Derhalve heeft de rechtbank Micheyton pas na de beroepstermijn in kennis gesteld. Een kopie van de enveloppe van de rechtbank met een poststempel van 4 september 2014 is als productie 1 aan het beroepschrift gehecht. Micheyton beroept zich er dus op dat zij niet eerder hoger beroep kon instellen.

3.5.3.

Het hof merkt op dat volgens vaste rechtspraak omtrent het tijdsstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie aanvangt en eindigt, in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan, zodat derhalve aan beroepstermijnen strikt de hand dient te worden gehouden. De Hoge Raad heeft echter een uitzondering gerechtvaardigd geacht ingeval degene die hoger beroep of cassatie instelt, ten gevolge van een (door de griffie van) het kantongerecht, de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter een beschikking had gegeven en de beschikking hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt (HR 28 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8489). In een zodanig geval dient de beroepstermijn verlengd te worden met een termijn van veertien dagen, of een zoveel kortere termijn als overeenstemt met de wettelijke beroepstermijn, na de dag van verstrekking of verzending van de beschikking. Daarbij heeft de Hoge Raad in aanmerking genomen dat in een verzoekschriftprocedure, door het ontbreken van een rol, voor een procespartij dan wel haar advocaat niet eenvoudig is om na te gaan wanneer een uitspraak volgt of dat uitspraak is gedaan.

De Hoge Raad heeft ook in latere zaken bepaald – kort weergegeven – dat het recht van betrokken partijen op toegang tot de rechter niet in de kern mag worden aangetast (zie bijvoorbeeld recentelijk HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2629).

3.5.4.

In het onderhavige geval heeft zich eveneens een apparaatsfout voorgedaan. Door BNP Parisbas is niet betwist dat Micheyton de uitspraak pas op 3 september 2014 heeft vernomen van de curator en pas op 4 september 2014 van de rechtbank heeft ontvangen. De ontvangst op 4 september 2014 van het vonnis blijkt ook uit de kopie van de enveloppe van de rechtbank Limburg met daarop de dagstempel van 4 september 2014. Op dat moment was de beroepstermijn reeds verstreken. Deze apparaatsfout mag echter niet voor rekening komen van degene die hoger beroep instelt. Uitgaande van kennisname door Micheyton van het vonnis via de curator op 3 april 2014 en rekening houdend met de geldende hoger beroepstermijn van acht dagen in de Faillissementswet, diende Micheyton bij verlengde termijn derhalve uiterlijk 11 september 2014 alsnog op juiste wijze hoger beroep aan te tekenen. Nu, zoals hierboven reeds vastgesteld, het hoger beroep op 11 september 2014 aan BNP Paribas is betekend, gaat het hof er vanuit dat ook op uiterlijk die datum het verzoekschrift ondertekend door mr. Van Kasteren, waarop door de griffie van het hof de dagstempel van 3 september 2014 is gezet, ter griffie van het hof is ontvangen. Gelet op de verlengde termijn is het hoger beroep derhalve tijdig ingekomen en is Micheyton ontvankelijk in het hoger beroep.

Door BNP Paribas is nog aangevoerd dat Micheyton op de hoogte was van de in eerste aanleg lopende procedure en derhalve zelf had kunnen informeren naar het moment van de uitspraak. Het hof verwerpt deze stelling echter, nu sprake is van een apparaatsfout en Micheyton pas op 3 september 2014 van de inhoud van het vonnis op de hoogte raakte.

Ten aanzien van de bevoegdheid

3.5.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat het centrum van de voornaamste belangen van Micheyton in de Gemeenschap (thans: Europese Unie) is gelegen. Derhalve staat mede gezien het bepaalde in overweging 14 van de considerans van Verordening (EG) nr 1346/2000 betreffende insolventieprocedures vast dat deze verordening van toepassing is.

3.5.6.

Ingevolge art. 3 lid 1 InsVo zijn de rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is bevoegd de insolventieprocedure te openen. Het gaat daarbij in beginsel om het centrum van de voornaamste belangen, de COMI, ten tijde van de indiening van het verzoek. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt volgens dit artikellid, zolang het tegendeel niet is bewezen, de plaats van de statutaire zetel vermoed het centrum van de voornaamste belangen te zijn. Uit de formulering van de bepaling blijkt al dat de COMI niet hoeft samen te vallen met de statutaire zetel (zie HvJ EU 4 september 2014, zaak C-327/13 inzake Burgo Group Spa tegen Illochroma NV in liquidatie, overweging 29). Het vermoeden van artikel 3 lid 1 InsVo kan echter worden weerlegd, te weten indien aan de hand van objectieve, voor derden verifieerbare factoren, kan worden aangetoond dat de daadwerkelijke situatie verschilt van die welke de aanknoping bij de statutaire zetel wordt geacht te weerspiegelen. Dit zou met name het geval kunnen zijn met een vennootschap die geen enkele activiteit uitoefent op het grondgebied van de lidstaat waar haar maatschappelijke zetel is gevestigd (Zie HvJ EG 2 mei 2006, zaak C-341/04 Eurofood, en T&C, achtste druk, pagina’s 699-700, onder 1 bij artikel 3 InsVo).

3.5.7.

Voorts is in het arrest Interedil (HvJ EU 20 oktober 2011, zaak C-396/09, NJ 2012/256) bepaald dat het ‘centrum van voornaamste belangen’, de COMI, een begrip is dat eigen is aan de verordening. Het heeft dus een autonome betekenis en dient eenvormig en los van de nationale wetgevingen te worden uitgelegd, derhalve aan de hand van het Unierecht. Het Hof van Justitie geeft daarbij aan – met name ten aanzien van vennootschappen en rechtspersonen – dat het vermoeden ten gunste van de statutaire zetel de wil van de Uniewetgever weerspiegelt om als bevoegdheidscriterium voorrang te geven aan de plaats van het hoofdbestuur van de vennootschap. Van belang is daarbij de objectiviteit en verifieerbaarheid voor derden. Daarvan is sprake wanneer de materiële factoren waarmee rekening wordt gehouden voor de vaststelling van de plaats waar de vennootschap gewoonlijk het beheer over haar belangen voert, openbaar zijn gemaakt of minstens zo transparant zijn dat derden, dat wil zeggen met name schuldeisers van de vennootschap, daarvan op de hoogte konden zijn. Het vermoeden dat de COMI zich op de plaats van de statutaire zetel bevindt, is onverkort van toepassing, indien de bestuurs- en toezichtsorganen zich op die plaats bevinden en de bestuursbesluiten op voor derden verifieerbare wijze op die plaats worden genomen. Het vermoeden kan slechts worden weerlegd wanneer het hoofdbestuur zich – gezien vanuit het oogpunt van derden – niet op de plaats van de statutaire zetel bevindt. Bij die vaststelling behoort met name rekening te worden gehouden met alle plaatsen waar de schuldenaar een economische activiteit uitoefent en alle plaatsen waar zij goederen bezit, althans voor zover die plaatsen voor derden herkenbaar zijn.

3.5.8.

Thans dient beoordeeld te worden waar de COMI van Micheyton was ten tijde van het indienen van het inleidend verzoekschrift dat bij de rechtbank is ingekomen op 28 juli 2014. Tegen de vaststelling van die datum als peildatum zijn overigens geen grieven gericht, zodat ook het hof van die datum uitgaat. Partijen zijn het erover eens dat de statutaire zetel ten tijde van het inleidende verzoekschrift zich in [vestigingsplaats] bevond. Door Micheyton is echter aangevoerd dat deze statutaire zetel het enige is dat zich na de beëindiging van de advocatenpraktijk nog aan fysieke “werkplaats” in Nederland bevindt, terwijl er in Nederland geen activiteiten meer plaatsvinden. Micheyton stelt daarmee dat de statutaire zetel derhalve een ‘lege huls’ vormt, en het bewijsvermoeden van de COMI aan de hand van de statutaire zetel als bedoeld in artikel 3 lid 1 InsVo in dit geval niet opgaat.

3.5.9.

Als ‘tegenbewijs’ tegen dit vermoeden van de COMI aan de hand van de statutaire zetel heeft Micheyton uitvoerig gesteld en met stukken onderbouwd dat Micheyton zich in 2013 naar België heeft verplaatst: in het uittreksel van de Kamer van Koophandel van 9 juli 2014 (productie 1 bij het inleidend verzoekschrift, zijnde productie A bij het beroepschrift) staat dat Micheyton geen vestiging in Nederland heeft. Micheyton stelt dat sinds het beëindigen van de advocatenpraktijk in 2013 geen (economische) activiteiten in Nederland hebben plaatsgevonden en dat bestuurder [bestuurder] zich per 1 januari 2014 van het tableau heeft laten schrappen als advocaat. Voor zover er wel activiteiten plaatsvinden binnen Micheyton, te weten vermogensbeheer als genoemd in de statuten van Micheyton, vindt dit beheer plaats vanuit de woning/het kantoor van bestuurder [bestuurder] in [kantoorplaats] (België). Micheyton is tevens betrokken bij een tegen haar in bij de rechtbank van Eerste Aanleg in [plaats] (België) door de Rabobank aangespannen rechtszaak. Voorts is tegen Micheyton door de Belgische fiscus op 16 augustus 2013 een dwangbevel uitgevaardigd.

Deze door Micheyton gestelde feiten en omstandigheden zijn door BNP Paribas niet betwist, zodat ze daarmee zijn komen vast te staan.

3.5.10.

BNP Paribas heeft tegenover het uitvoerige betoog ten aanzien van de COMI door Micheyton niet meer gesteld dan dat uit het overgelegde (eerste) verslag van de curator blijkt dat er tot augustus 2014 in Nederland nog huurpenningen zijn betaald door Micheyton ten behoeve van een derde. Dat BNP Paribas het hierbij heeft gelaten wringt des te meer, aangezien artikel 4 lid 4 van de Faillissementswet bepaalt dat de aangifte of het verzoek tot faillietverklaring zodanige gegevens dient te bevatten dat de rechter kan beoordelen of hem rechtsmacht toekomt op grond van de verordening, genoemd in artikel 5 lid 3 Fw (zijnde InsVo). Hieruit leidt het hof af dat het aan BNP Paribas is om in het inleidend verzoekschrift feiten en omstandigheden te noemen waaruit de COMI van Micheyton kan blijken. BNP Paribas heeft in het inleidend verzoekschrift echter ten aanzien van de COMI slechts gesteld dat het centrum van de voornaamste belangen in Nederland gelegen is, zodat de geadieerde rechtbank bevoegd is, en daarbij alleen aangegeven dat Micheyton een statutaire zetel heeft in [vestigingsplaats] en kantoor houdt te [kantoorplaats], België.

3.5.11.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat – niettegenstaande de statutaire zetel in Nederland – Micheyton zich in 2013 inderdaad heeft verplaatst naar [kantoorplaats], België en dat zich daar haar COMI bevindt en ook bevond ten tijde van de indiening van het inleidend verzoekschrift. Aan de hand van de door Micheyton als ‘tegenbewijs’ genoemde feiten en omstandigheden die bij gebrek aan betwisting zijn komen vast te staan, is het voor derden immers objectief en verifieerbaar dat Micheyton haar Nederlandse activiteiten (de advocatenpraktijk) sinds 2013 heeft gestaakt, en dat haar vermogensbeheer en bestuur wordt uitgeoefend vanuit het woonhuis/het kantoor van haar bestuurder in België. Het enkele feit dat Micheyton in 2014 nog huurpenningen voor een derde heeft betaald in Nederland, doet aan deze constatering niet af. Het hof wijst er ten overvloede op dat BNP Paribas zelf in het inleidend verzoekschrift heeft gesteld dat Micheyton kantoor houdt in [kantoorplaats], België.

3.5.12.

Daarnaast blijkt uit de overgelegde akte van uitreiking en het oproepingsexploot van 11 augustus 2014 dat BNP Paribas Micheyton een exploot Micheyton aan het adres te [kantoorplaats], België, heeft betekend, teneinde Micheyton op te roepen voor de faillissementszitting in eerste aanleg. BNP Paribas had als schuldeiser er dus kennis van dat het kantoor van Micheyton zich in [kantoorplaats], België, bevindt, en het bestuur van Micheyton in de vorm van mr. [bestuurder] zich eveneens in [kantoorplaats] bevindt, zoals bedoeld in de hierboven genoemde jurisprudentie. Derhalve was het voor BNP Paribas (voldoende) duidelijk dat de COMI van Micheyton, ondanks de statutaire zetel in [vestigingsplaats], eveneens in [kantoorplaats] en daar mee in België is gelegen.

3.5.13.

Nu het hof heeft vastgesteld dat de COMI van Micheyton zich ten tijde van het inleidend verzoekschrift in België bevond en niet op de plaats van de statutaire zetel in [vestigingsplaats], was de rechtbank niet bevoegd om op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 InsVo kennis te nemen van dit verzoek. Het hof zal derhalve bepalen dat het vonnis waarvan beroep en daarmee het faillissement zal worden vernietigd, en zich onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het inleidend verzoekschrift. Het hof zal daarbij tevens bepalen, zoals in het beroepschrift is verzocht, dat BNP Paribas als de in het ongelijk gestelde partij zal worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties en in de kosten van het faillissement.

3.5.14.

Gelet op bovenstaande beslissing behoeven de overige, door beide partijen aangevoerde argumenten, geen (verdere) bespreking meer.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 26 augustus 2014 en daarmee het faillissement van Micheyton;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het inleidend verzoekschrift;

veroordeelt BNP Paribas in de proceskosten van eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van Micheyton worden begroot in eerste aanleg op € 904,- aan salaris advocaat en in hoger beroep op € 704,- aan verschotten en op € 1.788,- aan salaris advocaat;

veroordeelt BNP Paribas in de kosten van het faillissement, te weten een bedrag van

€ 6.510,96 inclusief btw (aan verschotten en salaris curator) als te voldoen aan mr. Dingemans;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, P.J.M. Bongaarts en Th.A. Pouw en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.