Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4622

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-11-2014
Datum publicatie
07-11-2014
Zaaknummer
F 200.151.648_01 en F 200.155.204_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

uithuisplaatsing

Hof bekrachtigt uithuisplaatsing, nu beide ouders vaststelling hoofdverblijf van kind bij ieder van hen nastreven en elkaar kind niet gunnen. Terugplaatsing kind bij één der ouders brengt teveel risico met zich, nu strijd tussen ouders hevig is en ouders elkaar niet vertrouwen. Op de weg van bodemrechter om te oordelen over hoofdverblijfplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 6 november 2014

Zaaknummers : F 200.151.648/01 en F 200.155.204/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/190905/JE RK 14-914

in de zaken in hoger beroep van:

F. 200.151.648/01

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M. Holmes,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond en mede kantoorhoudende te Roermond,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

en

F 200.155.204/01

[de vader]

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. van den Eshoff.

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te Roermond en mede kantoorhoudende te Roermond,

verweerster,

hierna te noemen: de stichting.

Als belanghebbenden kunnen in beide zaken worden aangemerkt:

- de heer en mevrouw [de pleegouders] (hierna te noemen: de pleegouders).

Als betrokkene in de zin van artikel 810 Rv kan worden aangemerkt:

- Raad voor de Kinderbescherming, locatie Roermond, (hierna te noemen: de raad).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 12 juni 2014.

2 De gedingen in hoger beroep

F 200.151.648/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 juni 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het de uithuisplaatsing van de minderjarige [de zoon] betreft en, opnieuw rechtdoende, naar het hof begrijpt, alsnog het verzoek tot uithuisplaatsing [de zoon] over de periode van 2 juli 2014 tot 2 juli 2015 af te wijzen.

Subsidiair, zoals blijkt uit de inhoud van het appelschrift, verzoekt zij dat [de zoon] voorlopig wordt teruggeplaatst bij haar.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 juli 2014, heeft de stichting verzocht, naar het hof begrijpt, het appel van de moeder af te wijzen.

F 200.155.204/01

2.3.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 1 september 2014, heeft de vader verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de verlenging van de uithuisplaatsing van de minderjarige [de zoon].

Voeging

2.4.1.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de stichting, vertegenwoordigd door de gezinsvoogd mevrouw [vertegenwoordiger stichting] en de heer [vertegenwoordiger stichting].

De raad is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.4.2.

Ter zitting heeft het hof met de vader, de moeder en de stichting besproken dat beide zaken gevoegd kunnen worden behandeld, gelet op de onderlinge verknochtheid tussen beide zaken. Alle betrokkenen hebben daarmee ingestemd.

Met de moeder is voorts afgesproken dat zij inzake het appel van de vader (aangebracht onder zaaknummer F 200.155.204/01) afziet van het indienen van een verweerschrift en de vader en de stichting hebben in dit kader verklaard af te zien van de mondelinge behandeling in hoger beroep, die gepland stond op 28 oktober 2014.

Tot slot heeft het hof zowel de vader als de moeder in de gelegenheid gesteld om het hof vóór 30 september 2014 te informeren of zij overeenstemming hebben kunnen bereiken over het toekomstperspectief van [de zoon] inzake zijn hoofdverblijfplaats bij de ene ouder en de vast te stellen zorgregeling met de andere ouder.

Het hof heeft bericht ontvangen van de advocaat van de moeder, mede namens de vader, dat partijen hierin niet zijn geslaagd en zij verzoekt het hof een beschikking te geven.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 12 juni 2014;

  • -

    de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder d.dis 25 augustus 2014, 11 september 2014 en 15 oktober 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van de moeder en de vader is geboren:

- [de zoon] (hierna: [de zoon]), op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats].

Uit de inhoud van de stukken is gebleken dat [de zoon] tot medio augustus 2013 in gezinsverband met zijn ouders heeft geleefd.

Daarna heeft hij enkele maanden op vrijwillige basis bij zijn grootmoeder (vz) verbleven.

3.2.

[de zoon] staat sinds 2 juli 2013 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 2 juli 2015.

3.3.

[de zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging, aanvankelijk met een spoedmachtiging, sinds 30 oktober 2013 uit huis geplaatst in een verblijf pleegouder 24-uurs gezin van Rubicon; hij verblijft sindsdien in het huidige pleeggezin van de familie [de pleegouders].

De vader en de moeder hebben afzonderlijk van elkaar contact met [de zoon].

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de aan de stichting verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] verlengd tot 2 juli 2015.

3.5.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

Appel van de moeder (F 200.151.648/01)

In haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, voert de moeder – kort samengevat – aan dat de echtscheiding medio 2014 door de vader is aangevraagd. De moeder beschikt over een zelfstandige woonruimte en heeft haar financiële situatie op orde. Zij is thans is staat om duidelijkheid en structuur te bieden aan [de zoon] waarbij er niet langer sprake is van strijd tussen zijn ouders. De moeder leeft op zichzelf en heeft geen contact met de vader dan wel met de familie van de vader.

De moeder heeft de vader voorgesteld een co-ouderschapsregeling vast te stellen, waarop de vader niet is ingegaan. De vader wil dat [de zoon] bij hem opgroeit en heeft onvoldoende besef van wat [de zoon] nodig heeft. De moeder betwist dat zij de vader als ouder diskwalificeert.

Dat de ouders een andere culturele achtergrond kennen, vormt volgens de moeder geen beletsel om voor [de zoon] te kunnen zorgen. Zij betwist dat er sprake zou zijn van eerwraak. Beide ouders zijn geworteld in Nederland.

Verder stelt de moeder dat zij het primair in het belang van [de zoon] acht dat hij door zijn moeder wordt opgevoed. De moeder kan de stelling van de stichting dat het, vanwege de hechte vertrouwensband die [de zoon] met zijn pleegmoeder heeft, onverantwoord zou zijn om hem thuis te plaatsen, niet volgen. De moeder kan begrijpen dat [de zoon] eerst moet wennen aan de moeder en er zou een opbouwfase voor thuisplaatsing ingelast kunnen worden.

De moeder wijst er voorts op dat [de zoon] haar nu nog herkent, maar zij vreest dat er over een jaar sprake zal zijn van totale vervreemding. De moeder is bereid en in staat alle hulp te accepteren en te blijven aanvaarden in het belang van [de zoon].

Appel van de vader (F 200.155.204/01)

In zijn beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, voert de vader – kort samengevat – aan dat de rechtbank heeft nagelaten hem behoorlijk op te roepen voor de zitting, waardoor hij niet in de gelegenheid is gesteld zijn mening naar voren te brengen.

Verder stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in de complexe familierelatie van de ouders sprake is van een ongewijzigde situatie sinds de beslissing van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van 16 december 2013. De strijd tussen de ouders, zoals die destijds in alle hevigheid aanwezig was, is er niet meer. Zij belasten [de zoon] niet meer met hun conflicten en zij zien [de zoon] los van elkaar.

De vader ziet er op dit moment geen heil in wanneer [de zoon] alleen bij de moeder verblijft, omdat hij nog niet het vertrouwen heeft dat de moeder voldoende in staat is om los van haar familie te komen. Voorts voert de vader aan dat hij op 23 mei 2014 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank heeft ingediend. Beide partijen hebben de rechtbank verzocht de hoofdverblijfplaats van [de zoon] bij hem/haar te bepalen.

Tot slot stelt de vader dat niet voldaan is aan de gronden van artikel 1:261 BW, nu de situatie sinds december 2013 inmiddels dusdanig is gewijzigd dat een uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk is in het belang van [de zoon]. Daarnaast hecht [de zoon] zich nu aan zijn pleegouders, terwijl hij zich juist aan zijn eigen ouders zou moeten hechten, hetgeen in strijd is met het doel van een uithuisplaatsing. Het doel om de band tussen [de zoon] en zijn ouders te herstellen wordt met de uithuisplaatsing ondermijnd.

3.6.

De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting, – kort samengevat – aan dat niet is gebleken dat de echtscheiding is opgestart, dat evenmin sprake is van een ouderschapsplan en dat dat er ook niet zal komen, omdat de ouders niet met elkaar communiceren. Dat de moeder een voorstel heeft gedaan tot het vaststellen van een co-ouderschapsregeling is de stichting niet bekend.

De stichting vreest dat een thuisplaatsing van [de zoon] bij de moeder door de vader niet zal worden gedoogd, aangezien hij de moeder en haar familie niet vertrouwt.

Verder merkt de stichting op dat beide ouders over voldoende capaciteiten beschikken om voor [de zoon] te kunnen zorgen. De ouders slagen er niet in om tot een vergelijk te kunnen komen over wie de hoofdverantwoordelijke wordt voor de verzorging en opvoeding van [de zoon]. De stichting heeft de indruk dat de ouders elkaar [de zoon] ‘niet gunnen.’ Zij kunnen hun onderlinge geschillen niet opzij zetten in het belang van [de zoon]. Daarbij spelen ook de culturele verschillen tussen beide ouders een rol. Die maken dat de ouders niet tot overeenstemming kunnen komen over waar [de zoon] moet opgroeien.

De stichting stelt voorts dat de hechting een belangrijke en niet te missen fase in de ontwikkeling van ieder kind is. Het is de ouders helaas niet gelukt om zelf de hechtingspersonen te zijn voor [de zoon], waardoor er een beroep moest worden gedaan op pleegouders. Zodra de ouders een keuze hebben gemaakt over waar [de zoon] mag opgroeien, kan een begin worden gemaakt met het ingroeien van [de zoon] in een nieuwe woonsituatie. Hoe langer het duurt voordat de ouders het eens zijn, des te meer tijd en inzet zal het kosten om tot een goede overgang te komen. Het is in dit geval niet aan de stichting om de keuze te maken bij welke ouder [de zoon] dient op te groeien; dit dienen ouders zelf te beslissen. Indien deze keuze door een derde wordt gemaakt, blijft de dreiging door het fundamenteel wantrouwen tussen beide ouders bestaan en zal de woonplek van [de zoon] nooit onomstreden zijn, hetgeen ten koste gaat van zijn rust en veiligheid, aldus de stichting.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

3.7.2.

Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een machtiging verlenen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is, en nog steeds wordt voldaan, aan de wettelijke vereisten van artikel 1:261 BW.

Het hof overweegt daartoe dat de ouders onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de situatie dermate is verbeterd dat een uithuisplaatsing niet meer in [de zoon] belang noodzakelijk te achten is. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep hebben beide ouders gepersisteerd in hun standpunt dat de hoofdverblijfplaats van [de zoon] bij ieder van hen dient te worden bepaald. Het hof is er in het geheel niet van overtuigd dat de ouders, zoals zij stellen, elkaar inmiddels gunnen deel uit te maken van [de zoon] leven. Het hof is in ieder geval niet gebleken van enige bereidheid daartoe. Ook nadat partijen de kans hebben gekregen, na de mondelinge behandeling in hoger beroep, om, met behulp van hun advocaten en de stichting, tot een ouderschapsregeling te komen waarin zij in goed onderling overleg zouden bepalen bij welke ouder [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats dient te krijgen en hoe de contacten met de andere ouder vorm zouden krijgen, zijn zij hier niet in geslaagd. Van enige toenadering is niet gebleken.

Met de stichting is het hof van oordeel dat terugplaatsing bij één der ouders voor [de zoon] te veel risico’s met zich brengt, nu de strijd tussen de ouders nog onverminderd door gaat en de ouders elkaar niet vertrouwen. Verder neemt het hof in aanmerking dat het goed gaat met [de zoon] en dat hij, sinds het moment dat hij is geplaatst in het huidige pleeggezin, een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De stichting heeft hieromtrent verklaard dat [de zoon] zich niet langer fysiek agressief gedraagt richting volwassenen en dat hij in zijn algemeenheid tot rust is gekomen.

3.7.4.

Het hof overweegt voorts dat het thans op de weg van de rechter ligt om op de voet van artikel 1: 253a BW een beslissing te nemen ten aanzien van de regeling inzake de verzorging en opvoeding van [de zoon], waaronder de voorziening inzake het hoofdverblijf die na de scheiding van de ouders voor hem zal gelden, nu gebleken is dat beide ouders in de echtscheidingsprocedure hebben verzocht om de hoofdverblijfplaats bij de vader respectievelijk de moeder te bepalen. In dit kader overweegt het hof voorts dat indien het hof het verzoek van de ouders – tot vernietiging van de machtiging tot uithuisplaatsing – zou inwilligen, er thans sprake zou zijn van een vacuüm, waarin de ouders zelfstandig niet blijken te kunnen voorzien. [de zoon] verbleef immers ten tijde van de eerste uithuisplaatsing feitelijk niet bij één der ouders, maar bij zijn grootmoeder (vz). Nu deze plaatsing destijds op vrijwillige basis is uitgevoerd, en gebleken is dat de ouders tezamen deze plaatsing thans niet langer kunnen ondersteunen, is er geen sprake van een situatie waarin [de zoon] wederom zou worden geplaatst bij de grootmoeder (vz) als de machtiging tot uithuisplaatsing zou komen te vervallen. Het hof acht daarbij de kans groot dat, indien in de gegeven situatie de uithuisplaatsing van [de zoon], wordt beëindigd, dit dat zal leiden tot een ernstige escalatie tussen de ouders (en hun respectievelijke families). Dat dat niet in het belang van [de zoon] is, mag evident zijn.

Onder de gegeven omstandigheden kan het hof, in het belang van [de zoon], dan ook niet anders dan de bestreden beschikking bekrachtigen.

3.7.5.

Ten aanzien van de grief van de vader dat hij in eerste aanleg niet (goed) is opgeroepen overweegt het hof dat de vader in hoger beroep voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt alsnog naar voren te brengen, zodat deze omissie – voor zover daar sprake van was – inmiddels is hersteld.

3.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

In de zaken aangebracht onder F 200.151.648/01 en F 200.155.204/01:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H.J.M. Mertens-Steeghs, C.A.R.M. van Leuven en A.M.M. Hompus en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2014.