Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4587

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
HD 200.131.964_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenaar ten laste van wie executoriaal beslag is gelegd, stelt vordering in tegen GGN omdat hij meent dat de deurwaarder onrechtmatig heeft gehandeld door (volgens de schuldenaar) ten onrechte executoriaal beslag te leggen. De vordering van de schuldenaar tegen GGN wordt afgewezen omdat het leggen van executoriaal derdenbeslag een ambtshandeling is die de deurwaarder verricht in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Die handeling is zodanig verbonden aan de persoon van de deurwaarder dat de vordering had moeten worden gericht tot de deurwaarder en niet tot het samenwerkingsverband waarbinnen de deurwaarder werkzaam is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.131.964/01

arrest van 4 november 2014

in de zaak van

[appellant],

h.o.d.n. [Bedrijf] Administratieve Dienstverlening, [Bedrijf] Uitzendgroep,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

GGN Zuid-Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als GGN,

advocaat: mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, van 24 april 2013, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en GGN als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 740336 CV EXPL 12-8161)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord met productie;

- de akte van [appellant];

- de antwoordakte van GGN.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is werkgever en valt als zodanig onder de werkingssfeer van de Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (verder: het Pensioenfonds). [appellant] is in verband daarmee gehouden tot betaling van de voor zijn werknemers uit hoofde van hun verplichte deelneming aan het Pensioenfonds verschuldigde premies.

  2. Volgens een als productie 2 bij de inleidende dagvaarding overgelegde “Premienota 2010” moest [appellant] ter zake de verplichte pensioenpremie vóór 1 juli 2011 een bedrag van € 714,39 aan het Pensioenfonds te betalen.

  3. Als productie 2 bij de inleidende dagvaarding is voorts een kopie overgelegd van een tot [appellant] gerichte aanmaning, gedateerd 29 juli 2011, waarin [appellant] dringend wordt verzocht het bedrag van € 714,39 binnen acht dagen na dagtekening te betalen en waarin wordt aangekondigd dat, indien [appellant] daaraan geen gevolg geeft, de invordering in handen van een gerechtsdeurwaarder zal worden gesteld.

  4. Omdat betaling binnen de gestelde termijn uitbleef, heeft het pensioenfonds op 9 december 2011 een dwangbevel uitgevaardigd tegen [appellant]. In dat dwangbevel staat onder meer het volgende:

“(…)

dat de Werkgever terzake achterstallige premies aan het Pensioenfonds verschuldigd is het hieronder staande bedrag (…)

Totaal openstaand (…) € 714,39

Verhoging ingevolge het reglement inclusief 19% BTW (*) € 127,52

Zodat exclusief rente verschuldigd is € 841,91

te verhogen met de wettelijke rente wegens de te late betaling als omschreven in (…) te rekenen vanaf 29 juli 2011 (datum aanmaning) te berekenen over € 714,39

dat op de zojuist vermelde datum de Werkgever overeenkomstig artikel 21 lid 1 en 2 van de Wet bij aangetekende brief is aangemaand tot betaling van de achterstallige premies, welke echter tot op heden onbetaald zijn gebleven;

(…);

Vaardigt dit dwangbevel uit, dat aan hem/haar zal worden betekent met bevel tot betaling en voorts ten uitvoer zal worden gelegd (…)”

Het hof begrijpt uit productie 6 bij de inleidende dagvaarding dat het dwangbevel op 5 oktober 2011 aan [appellant] is betekend.

In november 2011 heeft de gemachtigde van [appellant] bij GGN, kort gezegd, de aan het dwangbevel ten grondslag liggende premienota en de in het dwangbevel genoemde aanmaning van 29 juli 2011 opgevraagd.

Na ontvangst van de opgevraagde stukken heeft de gemachtigde van [appellant] aan GGN een bewijs van ontvangst van de beweerdelijke aangetekend verzonden aanmaning opgevraagd. De gemachtigde van [appellant] heeft daarop een digitaal bewijs van verzending en ontvangst ontvangen, maar niet enig afschrift waarop te zien was dat voor ontvangst van de aanmaning was getekend.

Omdat [appellant] betwistte de aanmaning te hebben ontvangen, heeft GGN nog contact opgenomen met Post NL. Dit contact heeft geresulteerd in een e-mail van Post NL van 26 februari 2012, waarin onder meer is meegedeeld dat Post NL uitgaat van haar systeemgegevens, waarin wordt aangegeven dat de voor [appellant] bestemde zending is uitgereikt. Verder staat in de e-mail dat Post NL wegens digitalisering van de systemen helaas geen handtekening kan overleggen.

Op 17 april 2012 is door een bij GGN werkzame deurwaarder, wiens naam op de overgelegde kopie van het proces verbaal van executoriaal beslag niet goed leesbaar is, uit kracht van het dwangbevel van 9 september 2011 ten laste van [appellant] executoriaal derdenbeslag gelegd onder ING Bank, kort gezegd op al hetgeen ING Bank van [appellant] onder zich heeft of zal krijgen.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vorderde [appellant] in eerste aanleg:

  • -

    een verklaring voor recht dat GGN jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld;

  • -

    veroordeling van GGN tot betaling van schadevergoeding aan [appellant], nader op te maken bij staat;

met veroordeling van GGN in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en rente.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] in eerste aanleg, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellant] raakte pas op de hoogte van de vermeende vordering van het Pensioenfonds door de betekening van het dwangbevel. De in het dwangbevel genoemde aanmaning had [appellant], toen het dwangbevel aan hem werd betekend, nog niet ontvangen. Uit artikel 21 van de Wet verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds 2000 (Wbpf) volgt dat het dwangbevel alleen had mogen worden uitgevaardigd nadat [appellant] tot betaling was aangemaand. Omdat die aanmaning niet heeft plaatsgevonden is het dwangbevel ongeldig. GGN was ervan op de hoogte dat [appellant] de verzending en ontvangst van de aanmaning betwistte en dat er dus gerechtvaardigde twijfel bestond aan de rechtsgeldigheid van het dwangbevel. Door desondanks op 17 april 2012 op basis van het dwangbevel executoriaal derdenbeslag te leggen ten laste van [appellant], heeft GGN onrechtmatig gehandeld jegens [appellant].

3.2.3.

GGN heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het eindvonnis van 24 april 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld, zeer kort samengevat, dat GGN in voldoende mate heeft voldaan aan de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht en dat GGN niet onrechtmatig heeft gehandeld door executoriaal beslag te leggen. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep acht grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen.

3.5.1.

GGN heeft bij memorie van antwoord als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat het door [appellant] aan GGN verweten onrechtmatige handelen – het op 17 april 2012 leggen van executoriaal derdenbeslag – is aan te merken als een ambtshandeling waartoe alleen de deurwaarder in persoon bevoegd is en waarvoor alleen de deurwaarder in persoon kan worden aangesproken.

3.5.2.

[appellant] heeft bij akte op dit verweer van GGN gereageerd. In deze akte betoogt hij onder 2.4 onder meer het volgende:

“[appellant] stelt zich op het standpunt dat de tekortkomingen wel degelijk aan GGN te

verwijten zijn, waarmee er onrechtmatig jegens hem is gehandeld, nu de verwijten van [appellant] niet enkel op de ambtshandelingen betrekking hebben, maar ook op de onzorgvuldigheden zijdens GGN die juist voorafgingen aan deze ambtshandelingen. Hierbij had [appellant], althans zijn gemachtigde, geen contact met een deurwaarder, doch werd de correspondentie gevoerd met incassowerknemers van GGN. Deze werknemers van GGN hebben nagelaten om deugdelijk te verifiëren of voldaan was aan de vereisten van artikel 21 Wbpf, waaronder de aangetekende aanmaning, die voorafgaand aan een dwangbevel had dienen plaats te vinden en waarover veelvuldig contact is geweest met de incassomedewerkers. Dit alles betreft geen ambtelijke taak.”

In alinea 2.5 laat [appellant] daar onder meer het volgende op volgen:

“Weliswaar is de deurwaarder een onafhankelijke functionaris, doch berusten de

klachten van [appellant] niet enkel op diens ambtelijke taakvervulling, maar ook op

het handelen van de incassomedewerkers van GGN, die weliswaar hieraan vooraf

gingen, maar nog niets met de daadwerkelijke ambtshandelingen van doen hadden.

Zij zijn dan ook niet te duiden als medewerkers die ten dienste stonden aan de

ambtshandelingen van de deurwaarder, maar als zelfstandige werknemers waar [appellant]

[appellant] en haar gemachtigde in het incassotraject contact heeft gehad. Indien het

standpunt van GGN gevolgd zou worden, zou daarmee de reikwijdte van de hiervoor

aangehaalde lagere rechtspraak aanzienlijk te ver worden verruimd. Immers, voor te

stellen is de situatie waarbij er in de voorfase voor ambtelijke handelingen een

tekortkoming wordt begaan door een werknemer van een deurwaarder. Bij gebreke

aan een betrokken deurwaarder, zou hiermee de mogelijkheid van een derde of

opdrachtgever om een tekortkoming aan te kaarten onevenredig worden verhinderd.

[appellant] stelt zich dan ook op het standpunt dat van een niet-ontvankelijkheid geen sprake kan zijn.”

3.5.3.

Het hof stelt voorop dat het onrechtmatige handelen dat [appellant] tijdens het geding in eerste aanleg en in de memorie van grieven aan GGN heeft verweten, bestaat uit het op 17 april 2012 leggen van executoriaal derdenbeslag terwijl volgens [appellant] zodanige twijfel bestond omtrent de rechtsgeldigheid van het dwangbevel, dat GGN het leggen dit executoriaal derdenbeslag achterwege had moeten laten. Enig ander onrechtmatig handelen heeft [appellant] in de onderhavige procedure tot en met de memorie van grieven niet aan de orde gesteld.

3.5.4.

In de in hoger beroep genomen akte maakt [appellant] melding van

onzorgvuldigheden zijdens incassomedewerkers van GGN die voorafgaand aan het leggen van het executoriaal derdenbeslag correspondentie gevoerd hebben met de gemachtigde van [appellant]. Volgens [appellant] hebben deze medewerkers nagelaten om deugdelijk te verifiëren of voldaan was aan de vereisten van artikel 21 Wbpf, waaronder de aangetekende aanmaning, die voorafgaand aan een dwangbevel had dienen plaats te vinden.

Naar het oordeel van het hof valt uit deze stellingen geen onrechtmatig handelen van de incassomedewerkers van GGN te destilleren. De beslaglegging heeft immers uiteindelijk plaatsgevonden door de deurwaarder. Dat is de handeling die volgens [appellant] onrechtmatig is geweest. [appellant] heeft niet op concrete wijze duidelijk gemaakt op welke wijze incassomedewerkers in het daaraan voorafgaande traject onrechtmatig hebben gehandeld. Daar komt nog bij het [appellant] op grond van de in artikel 347 lid 1 Rv neergelegde tweeconclusieregel niet vrij staat om in hoger beroep, nadat de memorie van grieven en de memorie van antwoord gewisseld zijn, nog bij akte de grondslag van zijn vordering te wijzigen.

3.5.5.

Wat betreft het leggen van het executoriaal derdenbeslag door de in het proces-verbaal van beslaglegging genoemde deurwaarder, overweegt het hof het volgende.

De taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder zijn beschreven in de Gerechtsdeurwaarderswet. Deze regelt het ambt van de gerechtsdeurwaarder.

De gerechtsdeurwaarder is als natuurlijk persoon een door de Kroon benoemde functionaris met een onafhankelijke positie. De belangrijkste van de verschillende ambtsverplichtingen van de deurwaarder is de ministerieplicht, dat wil zeggen de plicht van de gerechtsdeurwaarder om, indien daarom wordt verzocht, zijn ambtelijke diensten te verlenen, zoals het ten uitvoer leggen van executoriale titels en het in dat verband leggen van executoriale beslagen. Beslag kan in het wettelijk stelsel alleen worden gelegd door een deurwaarder, die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. Dit brengt mee dat de deurwaarder als onafhankelijke functionaris de enige is die verantwoordelijk is voor zijn handelen bij de beslaglegging en ook de enige die behoort te worden aangesproken op een onjuiste taakvervulling en (beweerdelijk) onrechtmatig handelen. Mede om die reden dienen de beslagexploten duidelijk te vermelden welke deurwaarder beslag heeft gelegd, hetgeen in deze zaak ook is geschied. Dat deurwaarders zich organiseren in samenwerkingsverbanden zoals GGN maakt niet dat GGN, niet zijnde de deurwaarder in persoon, uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken door degene ten laste van wie het beslag is gelegd. Daarvoor is het leggen van beslag en de verdere executie daarvan te zeer verbonden aan de persoon van de deurwaarder in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar. De artikelen 6:170 en 6:171 vinden om die reden in dit geval geen toepassing. Bezien in het licht van de wettelijke taak van de deurwaarder en zijn hoedanigheid van door de Kroon benoemde natuurlijk persoon met een onafhankelijke positie die beslag legt in zijn hoedanigheid van openbaar ambtenaar, heeft de beslaglegging ook niet in het maatschappelijk verkeer te gelden als een gedraging van GGN waarvoor GGN uit onrechtmatige daad kan worden aangesproken.

In eerdere rechtspraak is in dezelfde zin beslist (zie onder meer rechtbank Almelo 25 februari 2009, ECLI:NL:RBALM:2009:BH4057, rechtbank Arnhem, ECLI:NL:RBARN:2009:BK1710 en gerechtshof ’s-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2834, Prg. 2014/233).

3.6.

Het bovenstaande brengt mee dat [appellant] GGN niet uit onrechtmatige daad kan aanspreken ter zake van het leggen van het executoriaal derdenbeslag. De beslissing om de opdracht tot het leggen van executoriaal derdenbeslag onder de omstandigheden van dit geval uit te voeren is immers genomen door de deurwaarder in persoon. Iets anders is uit de stellingen van partijen niet af te leiden. Het hof komt dus evenals de kantonrechter, maar op andere gronden, tot het oordeel dat de vordering van [appellant] afgewezen moet worden. Het hof zal het beroepen vonnis daarom onder aanpassing van gronden bekrachtigen.

De grieven hoeven niet besproken te worden want zij kunnen niet tot een andere uitkomst leiden.

3.7.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep, vermeerderd met nakosten en rente en uitvoerbaar bij voorraad zoals door GGN gevorderd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt onder aanpassing van gronden het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Tilburg, onder zaaknummer 740336 CV EXPL 12-8161 tussen partijen gewezen vonnis van 24 april 2013;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van GGN tot op heden begroot op € 683,-- aan vast recht en op € 1.341,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, M.G.W.M. Stienissen en Th.J.A. Kleijngeld en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2014.