Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4571

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
06-11-2014
Zaaknummer
HD 200.100.851_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging bewijsoordeel rb door hof

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.100.851/01

arrest van 4 november 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.P. Geertsema te Geleen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.P.H.J. Hermans te Geleen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 20 maart 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 150683/HA ZA 10-487 gewezen vonnis van 23 november 2011.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 20 maart 2012 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 27 april 2012;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

Vervolgens is arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

7 De beoordeling

7.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

a) [appellante] is in 2006 bevriend geraakt met [geïntimeerde], kort voordat [appellante] in 2007 in een echtscheidingsprocedure met haar toenmalige echtgenoot verwikkeld raakte. Op 19 december 2007 is de echtscheiding uitgesproken, waarna de echtscheidingsbeschikking op 8 april 2008 in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven.

b) De heer [vriend van appellante] (hierna te noemen: [vriend van appellante]) is een vriend van [appellante]. [vriend van appellante] was vroeger goed bevriend met de echtgenoot van [geïntimeerde], de heer [echtgenoot geïntimeerde].

c) [appellante] heeft in 2006 kort na elkaar haar ouders en haar schoonouders verloren. Toen haar ouders overleden heeft zij een bankrekening op haar eigen naam geopend (nummmer [bankrekeningnummer]), waar het door haar geërfde geld op is gestort.

7.2

[appellante] heeft [geïntimeerde] in rechte betrokken en betaling gevorderd van in hoofdsom € 35.845,-- te vermeerderen met de wettelijke rente en incassokosten. Aan de vordering heeft [appellante] ten grondslag gelegd dat zij met [geïntimeerde] een overeenkomst van bewaarneming van geldbedragen heeft gesloten. Het betrof bedragen van € 13.890,--,
€ 3.850,--, € 10.000,-- € 3.500,--, € 1.500,-- en € 3.105,--. Omdat de ex-man van [appellante] weigerde alimentatie te betalen en [appellante] daardoor geen geld had om van te leven, ontstond het plan om geld van de gezamenlijke bankrekening (van [appellante] en haar ex-man, naar het hof begrijpt) af te halen. Dat geld zou [geïntimeerde] storten op een door haar op haar eigen naam geopende rekening bij de Rabobank te [vestigingsplaats], aldus [appellante].

7.2.1.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.


7.3. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 15 december 2010 a) geoordeeld dat [appellante] het deel van de vordering groot € 3.105,-- onvoldoende had onderbouwd, zodat dit deel zou worden afgewezen en b) voor het restant van de vordering ad € 32.740,-- [appellante] toegelaten te bewijzen dat [geïntimeerde] dit bedrag in het kader van een tussen partijen gesloten overeenkomst van bewaarneming voor [appellante] in bewaring heeft genomen.

7.3.1

Na getuigen te hebben gehoord heeft de rechtbank bij het eindvonnis waarvan beroep geoordeeld dat [appellante] niet in de bewijslevering was geslaagd en de vordering afgewezen.

7.4.

Tegen het tussenvonnis heeft [appellante] geen grieven gericht. De beslissing tot afwijzing van het deel van de vordering groot € 3.105,-- maakt daarom geen deel uit van de procedure in hoger beroep.

7.5.

De grief van [appellante] richt zich, samengevat, tegen het oordeel van de rechtbank bij het bestreden eindvonnis dat [appellante] niet in de bewijslevering, waartoe zij bij het tussenvonnis was toegelaten, is geslaagd.

7.5.1

Een overeenkomst van bewaarneming is, zo volgt uit artikel 7:600 BW, een overeenkomst waarbij in dit geval [geïntimeerde] zich tegenover in dit geval [appellante] verbindt een zaak die door [appellante] aan [geïntimeerde] is toevertrouwd, te bewaren en terug te geven. Op [appellante] rust krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv., zoals de rechtbank bij het tussenvonnis overwoog, de bewijslast van haar stelling dat partijen een overeenkomst van bewaarneming sloten. [appellante] draagt derhalve ook het bewijsrisico.

7.5.2.

Evenals de rechtbank heeft gedaan stelt het hof voorop dat op grond van artikel 164 lid 2 Rv. de verklaring van [appellante] als getuige omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel kan opleveren, tenzij die verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake als er, naast de partijgetuigenverklaring, aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat deze de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.

7.5.3

Met de rechtbank (impliciet) en op de door de rechtbank gegeven gronden is het hof van oordeel dat in dit geval dergelijke aanvullende bewijzen niet aanwezig zijn. Aan de desbetreffende overwegingen 2.1.3. en 2.1.4. van de rechtbank voegt het hof het volgende toe.

7.5.4.

De inhoud van de door [appellante] in de memorie van grieven genoemde sms berichten geeft geen enkel uitsluitsel over de data waarop en de omstandigheden waaronder [appellante] aan [geïntimeerde] geldbedragen in bewaring zou hebben gegeven, welke door [geïntimeerde] zouden moeten worden teruggegeven. Dit oordeel wordt niet anders door het feit dat [geïntimeerde] voor een deel van die inhoud geen bevredigende verklaring kan geven. Ook voor de getuigenverklaring van de getuige [vriend van appellante] geldt dat deze niet voldoende concreet en overtuigend is over de momenten waarop de getuige van [geïntimeerde] zou hebben gehoord dat zij geld van [appellante] in bewaring had gekregen. Hij verklaart slechts dat dit zich in 2007 en 2008 heeft afgespeeld. [vriend van appellante] heeft ook niets verklaard over de data waarop volgens [geïntimeerde] geld aan haar in bewaring zou zijn gegeven.

7.5.5.

Naast het hiervoor overwogene merkt het hof op dat [appellante] ook in hoger beroep niet is ingegaan op de door de rechtbank reeds in het tussenvonnis onder 3.4.1. gesignaleerde ongerijmdheden in de stellingen van [appellante]. Ook dit punt draagt bij tot het bewijsoordeel van het hof.

7.6.

Nu [appellante] in hoger beroep geen (nader) bewijs heeft aangeboden is de conclusie van al het voorgaande dat het eindvonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellante] is de in het ongelijk gestelde partij. Zij zal in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld.

8 De uitspraak

Het hof:


bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 666,-- aan verschotten en op € 2.316,-- aan salaris advocaat;

Dit arrest is gewezen door mrs. J.A.M. van Schaik-Veltman, S.M.A.M. Venhuizen en C.W.T. Vriezen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2014.