Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4563

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-11-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
HD 200.129.315_01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:2215, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Einduitspraak: ECLI:NL:GHARL:2017:2617
Oorspronkelijk arrest: ECLI:NL:GHARL:2018:9111
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsfouten arbiters, advocaten. Herstel handtekeningengebrek arbitraal vonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TvA 2015/11
NTHR 2015, afl. 1, p. 42
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.129.315/01

arrest van 4 november 2014

in de zaak van

[appellante] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante in het principaal appel,
geïntimeerde in het incidenteel appel van [geïntimeerde 3],

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck te Maastricht,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
advocaat mr A.J. Kok,

2. [geïntimeerde 2],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
advocaat mr M.H.S. Verhoeven,

3. [geïntimeerde 3],

kantoorhoudende de te [vestigingsplaats],
advocaat mr. K.P. Meegdes,

4. [geïntimeerde 4],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
advocaat mr M. Jongkind,

geïntimeerden in het principaal appel,
en [geïntimeerde 3] tevens appellant in het incidenteel appel,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 juni 2013 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Limburg gewezen vonnis van 29 mei 2013 tussen appellante – [appellante] – als eiseres in conventie, alsmede (in de zaak tegen [geïntimeerde 2]) verweerster in reconventie, en geïntimeerden – nader respectievelijk te noemen [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 2], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] –als gedaagden in conventie, en [geïntimeerde 2] tevens als eiser in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/03/159592/HA ZA 11-245)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het daaraan voorafgegane vonnis van 21 september 2011.

2 Het geding in hoger beroep

In eerste aanleg heeft [appellante] naast geïntimeerden tevens [partij] gedagvaard; de rechtbank heeft de vordering tegen [partij] afgewezen en [appellante] heeft daartegen geen hoger beroep ingesteld.
De vordering van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] wordt blijkens de dagvaarding in hoger beroep niet gehandhaafd; het hoger beroep van [appellante] tegen [geïntimeerde 2] heeft alleen betrekking op de reconventionele vordering van [geïntimeerde 2].
In eerste aanleg heeft ieder van de gedaagden afzonderlijk verweer gevoerd; ook in hoger beroep voeren geïntimeerden afzonderlijk verweer, zij hebben ieder een eigen memorie van antwoord genomen. Alleen door geïntimeerden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] is pleidooi gevraagd; in de zaken tussen [appellante] enerzijds en respectievelijk [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] anderzijds is dus geen pleidooi gehouden.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven en akte tot aanvulling (in de zaak tegen [geïntimeerde 3]) en wijziging van de (rechts)grondslag (in de zaak tegen [geïntimeerde 4]) van [appellante], met producties;

- de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] met producties;

- de memorie van antwoord tevens vermeerdering van eis in reconventie van [geïntimeerde 2], met producties;

- de memorie van antwoord tevens houdende incidenteel appel van [geïntimeerde 3], met producties;

- de memorie van antwoord tevens houdende antwoordakte aanvulling en wijziging grondslag van [geïntimeerde 4], met producties;

- de memorie van antwoord in incidenteel appel in het geding tussen [appellante] en [geïntimeerde 3];

- de antwoordakte van [appellante] in het geding tussen [appellante] en [geïntimeerde 4];

- het pleidooi in het geding tussen [appellante] en [geïntimeerde 1], waarbij [geïntimeerde 1] pleitnotities heeft overgelegd;

- het pleidooi in het geding tussen [appellante] en [geïntimeerde 4], waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling in principaal en incidenteel appel

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

  • -

    a) [appellante] heeft aan zekere [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] een pakket aandelen verkocht voor een prijs van ƒ 30.000.000. Betaling diende te geschieden in termijnen. De aandelen zijn in september 1997 geleverd; [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] hebben in mindering op de koopsom in termijnen ƒ 10.000.000 betaald maar vervolgens de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden c.q. vernietigd op grond van bedrog, althans dwaling.

  • -

    b) Tussen partijen is inzake dit geschil een arbitrale procedure gevoerd met als arbiters [geïntimeerde 1] (als voorzitter), [arbiter 2] en [arbiter 3].

  • -

    c) Arbiters hebben op 13 februari 2004 uitspraak gedaan. Blijkens het dictum van dat vonnis (productie 1 bij dagvaarding in eerste aanleg) hebben arbiters een vervangende koopprijs voor de aandelen vastgesteld ad ƒ 25.000.000 (€ 11.344.550), bepaald dat [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] ieder naast het reeds betaalde bedrag nog € 3.403.352 (ƒ 7.500.000) dienden te betalen aan [appellante], vermeerderd met wettelijke rente, en bepaald dat iedere partij haar eigen kosten van juridische bijstand moest dragen alsmede de helft van de kosten van de arbitrage.

  • -

    d) Tijdens de arbitrale procedure trad [geïntimeerde 2] op als advocaat voor [appellante] (en wel vanaf het indienen van de memorie van antwoord, voordien werd [appellante] bijgestaan door [partij]).

  • -

    e) Het arbitrale vonnis is op 13 februari 2004 aan partijen toegestuurd. Het was toen ondertekend door de voorzitter en de griffier bij de arbitrage.

  • -

    f) Het – alleen door [geïntimeerde 1] als voorzitter en door de griffier getekende – arbitrale eindvonnis is op 5 maart 2004 bij de rechtbank Amsterdam gedeponeerd.

  • -

    g) De voorzieningenrechter van die rechtbank heeft op 15 maart 2004 exequatur verleend op dit vonnis.

  • -

    h) Na het wijzen van het arbitrale vonnis heeft [geïntimeerde 3], als advocaat werkzaam bij [geïntimeerde 3] Advocaten BV, vanaf 25 februari 2004 tot ongeveer juli 2005 juridische diensten verricht in opdracht van [appellante].

  • -

    i) Bij dagvaarding van 4 mei 2004 hebben [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] de vernietiging van het arbitrale tussenvonnis en eindvonnis gevorderd.

  • -

    j) [X] heeft namens [appellante] aan [Advocaten] te [kantoorplaats] bij brief van 21 augustus 2005 opdracht gegeven tot het verrichten van diverse juridische diensten (productie G11 bij conclusie van antwoord [geïntimeerde 4]). Deze opdracht is bij fax van 25 augustus 2005 (productie G12) door Mr. M. Moszkowicz jr aanvaard namens de maatschap [maatschap].
    [geïntimeerde 4], als advocaat in loondienst bij [Advocaten], heeft deze diensten feitelijk verricht tot ongeveer mei 2007.

  • -

    k) Bij vonnis van 28 september 2005 heeft de rechtbank Amsterdam op vordering van [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] het op 5 maart 2004 gedeponeerde vonnis vernietigd omdat het niet door alle drie de arbiters was ondertekend.
    Dit vonnis is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 29 maart 2007 (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) bekrachtigd.
    Van het arrest is geen beroep in cassatie ingesteld.

  • -

    l) [appellante] heeft bij dagvaarding van 4 mei 2006 (aangebracht door [geïntimeerde 4]) bij de rechtbank Maastricht een vordering ingediend – dit voor het geval dat de in deze dagvaarding genoemde arbitrale uitspraak niet te executeren zou blijken te zijn – welke vordering ertoe strekte dat verklaard zou worden voor recht dat de tussen partijen gewezen arbitrale uitspraak van de 13 februari 2004 tussen partijen bindend is.
    De behandeling van deze zaak voor [appellante] is medio mei 2007 overgenomen door een ander advocatenkantoor, toen is een eiswijziging gevolgd.

  • -

    m) De rechtbank Maastricht heeft bij vonnis van 17 maart 2010 geoordeeld dat [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] niet tijdig hebben geklaagd over de gebreken in de door hen gekochte aandelen, zodat het recht van [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] om beroep te doen op bedrog en op dwaling is vervallen.
    [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] hebben voorts een beroep gedaan op verjaring. Dit beroep is door de rechtbank gehonoreerd ten aanzien van de termijnen die op 28 februari 2000 en 28 februari 2001 hadden moeten worden betaald. De rechtbank heeft vervolgens de vordering van [appellante] ten aanzien van deze termijnen afgewezen maar [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] veroordeeld tot betaling van de op 28 februari 2002 en 28 februari 2003 verschenen termijnen van de koopprijs van de aandelen.
    Tegen dit vonnis van de rechtbank Maastricht hebben [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] hoger beroep ingesteld bij dit hof. Naar het hof ambtshalve bekend is is deze procedure ambtshalve geroyeerd.

3.2

In eerste aanleg heeft [appellante] gesteld dat thans geïntimeerden als arbiter dan wel advocaat ieder een of meer beroepsfouten hebben gemaakt, en dat [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] hun vermogensbestanddelen na 13 februari 2004 en voor 17 maart 2010 aan de verhaalsmogelijkheid van [appellante] hebben onttrokken zodat [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] thans geen verhaal meer bieden ondanks de veroordeling bij vonnis van 17 maart 2010.
[appellante] heeft daarop gevorderd dat de rechtbank bij eindvonnis [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 14.600.502,84, alle gedaagden zal veroordelen aan [appellante] te betalen € 7.798.450,70, subsidiair [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] zal veroordelen aan [appellante] te betalen € 340.944,33 (genoemde bedragen steeds vermeerderd met wettelijke rente), met dien verstande dat alle gedaagden gezamenlijk nimmer tot meer veroordeeld zullen worden dan een bedrag van € 14.600.502,84; alles vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 maart 2011, en met hoofdelijke veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.
[geïntimeerde 2] heeft in eerste aanleg in reconventie vergoeding gevorderd van schade bestaande uit de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand, daartoe aanvoerende dat [appellante] [geïntimeerde 2] rauwelijks heeft gedagvaard en bovendien een kansloze vordering heeft ingesteld.
De rechtbank heeft in conventie de vorderingen van [appellante] afgewezen. De vordering tegen [geïntimeerde 1] is afgewezen omdat de schending van artikel 1057 lid 2 Rv weliswaar een ernstige fout is maar niet leidt tot de conclusie dat arbiters hebben gehandeld met kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
Bij de beoordeling van de vorderingen tegen de overige thans geïntimeerden laat de rechtbank in het midden of dezen in persoon dan wel met hun rechtspersoonlijkheid bezittende kantoor hadden moeten worden gedagvaard. Het verwijt dat genoemde advocaten de betalingstermijnen van het koopcontract betreffende 2000 en 2001 niet hebben gestuit is door de rechtbank verworpen omdat wel stuiting had plaatsgehad, maar in de procedure voor de rechtbank Maastricht niet kenbaar gemaakt was. Het verwijt dat geen reconventionele vordering is ingesteld is door de rechtbank verworpen omdat dat wel was gebeurd, maar arbiters daarop niet in de vorm van een veroordelend vonnis hadden beslist. Het verwijt dat [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 2] [appellante] niet tijdig hebben gewaarschuwd in verband met het ontbreken van de handtekeningen van de mede-arbiters onder het arbitrale vonnis is door de rechtbank verworpen omdat dit gebrek na deponeren van het vonnis niet meer kan worden hersteld.
In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde 2] toegewezen conform het gevorderde.

3.3

In hoger beroep heeft [appellante] de grondslag van de vordering jegens [geïntimeerde 3] aangevuld en die jegens [geïntimeerde 4] gewijzigd. In hoger beroep vordert [appellante], stellende dat door fouten van [geïntimeerde 1], [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] schade is ontstaan door het wegraken van verhaalsmogelijkheden:
[geïntimeerde 1] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 12.310.202,60 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 maart 2011;
[geïntimeerde 3] hoofdelijk naast [geïntimeerde 1] te veroordelen tot betaling van € 12.310.202,60 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 maart 2011, althans te veroordelen – hoofdelijk naast [geïntimeerde 4] – tot betaling van € 130.900 inzake honoraria arbiters, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 25 februari 2004, alsmede tot terugbetaling van het eigen honorarium tot een bedrag van € 102.074,38;
[geïntimeerde 4] hoofdelijk naast [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] te veroordelen tot betaling van € 12.310.202,60 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 3 maart 2011 alsmede – naast [geïntimeerde 3] – tot betaling van € 130.900 inzake honorarium arbiters (het hiernaast in de memorie van grieven gevorderde bedrag van € 44.435,02 is tijdens het pleidooi in hoger beroep ingetrokken).
Voorts vordert [appellante] dat de reconventionele vordering van [geïntimeerde 2] alsnog worden afgewezen.
heeft zijn vordering in reconventie in hoger beroep verhoogd tot € 54.738,05 omdat deze kosten na de conclusie van repliek in reconventie verder zijn opgelopen.

3.4

Grief 1a houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat er geen sprake is van onrechtmatigheid aan de zijde van [geïntimeerde 1] met betrekking tot het ontbreken van de handtekeningen van de andere twee arbiters onder het (gedeponeerde) arbitrale vonnis.

3.5

Het hof overweegt daarover als volgt. Bij de beantwoording van vraag of een arbiter aansprakelijk is staat voorop dat een scheidsrechterlijke beoordeling in een uitspraak die wordt vernietigd slechts in uitzonderlijke gevallen onrechtmatig te achten is. Dat neemt niet weg dat zich gevallen kunnen voordoen waarin blijkt dat de arbiter met betrekking tot de vernietigde uitspraak opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt. Arbiters kunnen slechts persoonlijk aansprakelijk zijn indien zij met betrekking tot de vernietigde beslissing opzettelijk of bewust roekeloos hebben gehandeld dan wel met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt (HR 4 december 2009, NJ 2011/131 (Greenworld)).
Naar het oordeel van het hof is aan laatstgenoemd criterium in dit geval niet voldaan. Dat bij het ontbreken van de handtekeningen van twee van de arbiters sprake is geweest van opzettelijk dan wel bewust roekeloos handelen bij arbiters kan uit de stellingen van [appellante] niet worden afgeleid. Ook kan het feit dat door welke omstandigheden dan ook de handtekeningen van twee van de arbiters ontbreken onder het bij de rechtbank gedeponeerde arbitrale vonnis, hoe ongelukkig dat ook is, niet leiden tot de conclusie dat is gehandeld met kennelijke grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.
Ook als het handtekeningengebrek na deponeren van het vonnis niet meer te repareren is leidt dat – anders dan [appellante] heeft aangevoerd – niet tot een ander oordeel.
De grief faalt.

3.6

Grief 1b houdt in dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van [appellante] hierover een prejudiciële beslissing aan de Hoge Raad te vragen niet heeft gehonoreerd.
Het hof overweegt als volgt. De in artikel 392 lid 1 Rv genoemde omstandigheden die kunnen leiden tot het stellen van een prejudiciële vraag doen zich hier niet voor. De vraag of het niet ondertekenen van een arbitraal vonnis grove schuld oplevert aan de zijde van de arbiter(s) is immers niet een vraag die zich bij een veelheid van vorderingsrechten voordoet terwijl ook gesteld noch gebleken is dat dezelfde vraag zich voordoet bij talrijke andere geschillen als in deze bepaling bedoeld.
De grief faalt.
Uit het voorgaande volgt tevens dat het hof het door [appellante] in het kader van deze grief herhaalde verzoek, nu aan het hof, deze vraag aan de Hoge Raad voor te leggen passeert.

3.7

Grief 2a keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het handtekeningengebrek niet meer hersteld kon worden. Volgens [appellante] is de ratio van de verplichting dat alle arbiters het vonnis tekenen te voorkomen dat een of meerdere arbiters het niet eens zijn met de tekst van het vonnis, dat bijvoorbeeld alleen door de voorzitter is geredigeerd en ondertekend. In dit geval staat echter vast dat alle drie de arbiters samen dit vonnis hebben gemaakt, en bovendien waren zij bereid het handtekeningengebrek te herstellen. De door de wetgever beoogde veiligheidsklep speelde in dit geval dus niet en daarom kan het gebrek in dit geval wel worden hersteld.

3.8

Het hof overweegt als volgt.
3.8.1 Volgens artikel 1058 Rv dient het scheidsgerecht ervoor te zorgen dat elk arbitraal vonnis in afschrift, getekend door een arbiter of de secretaris van het scheidsgerecht, aan de partijen wordt gezonden. Daarnaast moet het origineel worden neergelegd ter griffie; uit artikel 1057 lid 2 Rv volgt dat dit vonnis door de arbiters moet zijn ondertekend.
3.8.2 Het arbitrale vonnis is op 5 maart 2004 gedeponeerd bij de rechtbank Amsterdam. Volgens de stellingen van [appellante] is het arbitrale vonnis voordien, op 13 februari 2004, al aan partijen toegestuurd; daarbij gaat het kennelijk om het hiervoor bedoelde afschrift. Omdat het vonnis in afschrift de handtekeningen van de arbiters niet hoeft te dragen bevatte het arbitrale vonnis gewezen tussen [appellante] enerzijds en [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] anderzijds zoals vóór de deponering toegezonden aan partijen geen kenbaar gebrek.
3.8.3 Het vonnis is vervolgens op 5 maart 2004 vanwege het scheidsgerecht gedeponeerd bij de rechtbank Amsterdam. Eerst toen werd duidelijk dat de vereiste handtekeningen op het origineel ontbraken. Naar het oordeel van het hof is dit gebrek na het deponeren niet meer herstelbaar. Het overweegt daartoe als volgt.
3.8.4 De ondertekening van het arbitrale vonnis is een van de essentialia daarvan. Voor zover het gaat om een scheidsgerecht dat uit meer arbiters bestaat wordt daarmee vooral beoogd zoveel mogelijk te waarborgen dat deze ook daadwerkelijk collegiaal tot een beslissing komen (HR 5 december 2008, NJ 2009/6). Deze bepalingen zijn niet louter vormvoorschriften, maar strekken tot waarborg voor partijen dat alle arbiters daadwerkelijk betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het vonnis, dat zij allen het vonnis – voordat is gewezen – hebben gezien en dat zij controle hebben kunnen uitoefenen op het resultaat en dus geen onduidelijkheid bestaat over de vraag of en in hoeverre alle arbiters het met het vonnis eens zijn. De stelling van [appellante] dat onderscheid moet worden gemaakt tussen gevallen waarin arbiters het vonnis niet tekenen omdat zij het niet eens zijn met dat vonnis en gevallen waarin om andere redenen handtekeningen ontbreken moet worden verworpen omdat een dergelijk onderscheid te veel onduidelijkheid schept en tot onwenselijke executieproblemen kan leiden.
3.8.5 Het na deponering alsnog plaatsen van een handtekening door een of meer van de arbiters kan niet worden gekwalificeerd als rekenfout of schrijffout in de zin van artikel 1060 lid 1 Rv en valt ook niet onder de gegevens genoemd in artikel 1057 lid 4, in welke gevallen volgens artikel 1060 Rv verbetering van het vonnis mogelijk is. Ook is het alsnog zetten van een handtekening door een of meer van de arbiters geen aanvulling van het vonnis in die zin dat daarmee een verzuim te beslissen om omtrent een of meer zaken die aan het oordeel van arbiters waren onderworpen wordt gecorrigeerd. Ook artikel 1061 Rv is dus niet van toepassing.
3.8.6 De grief faalt.

3.9

Grief 2b houdt in dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van [appellante] ook op dit punt een prejudiciële beslissing aan de Hoge Raad te vragen niet heeft gehonoreerd.
Het hof overweegt daarover als volgt. De in artikel 392 lid 1 Rv genoemde omstandigheden die kunnen leiden tot het stellen van een prejudiciële vraag doen zich hier niet voor. De vraag wat de consequenties moeten zijn van het niet ondertekenen van een arbitraal vonnis is immers niet een vraag die zich bij een veelheid van vorderingsrechten voordoet terwijl ook niet is gesteld of gebleken dat dezelfde vraag zich voordoet bij talrijke andere geschillen als in deze bepaling bedoeld.
De grief faalt.
Uit het voorgaande volgt ook in dit geval dat het hof het door [appellante] in het kader van deze grief herhaalde verzoek deze vraag (zelf) aan de Hoge Raad voor te leggen passeert.

3.10

Grief 3 heeft betrekking op de vordering in reconventie van [geïntimeerde 2] tot betaling van de door [geïntimeerde 2] daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand ter hoogte van € 41.303,55 (in hoger beroep door [geïntimeerde 2] verhoogd tot € 54.738,05) die volgens [appellante] ten onrechte is toegewezen. [geïntimeerde 2] heeft daartoe aangevoerd dat [appellante] hem rauwelijks heeft gedagvaard en nadien de vordering tegen [geïntimeerde 2] niet heeft laten vallen hoewel [geïntimeerde 2] hem had aangetoond dat hij geen fouten had gemaakt en dat de vordering jegens hem geen kans van slagen had. Derhalve is sprake van misbruik van recht of onrechtmatig handelen.
De rechtbank heeft in conventie aan [geïntimeerde 2] geen proceskosten toegekend, maar in reconventie de vordering van [geïntimeerde 2] toegewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat [appellante] heeft erkend dat zij [geïntimeerde 2] rauwelijks heeft gedagvaard en de vordering van [geïntimeerde 2] niet gemotiveerd heeft weersproken.

3.11

Het hof overweegt als volgt.
3.11.1 Een vordering tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (HR 29 juni 2007, LJN BA3516, NJ 2007/353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 16 april 2012, NJ 2012, 233).
3.11.2 [appellante] heeft aangevoerd dat zij [geïntimeerde 2] (in hoger beroep) aansprakelijk stelt vanwege het niet instellen van een reconventionele vordering in de arbitrale procedure en vanwege het niet attenderen op het handtekeninggebrek van het arbitrale vonnis.
heeft erop gewezen dat [appellante] (met betrekking tot [geïntimeerde 2]) niet heeft gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat in de arbitrale procedure een reconventionele vordering is ingesteld en dat het gebrek in de ondertekening niet kon worden hersteld, zodat die oordelen van de rechtbank tot uitgangspunt moeten dienen bij de beoordeling van de vraag of [appellante] door het instellen van de vordering tegen [geïntimeerde 2] onrechtmatig had gehandeld dan wel misbruik van recht had gepleegd.
3.11.3 Het hof oordeelt dat de door [geïntimeerde 2] aangehaalde beslissingen van de rechtbank niet betekenen dat een andersluidende opvatting van [appellante] over deze punten bij voorbaat zo onaannemelijk was dat dat [appellante] had moeten weerhouden van het instellen van een vordering op deze punten jegens [geïntimeerde 2]. Aan de strenge eisen zoals door de Hoge Raad inzake de hier bedoelde onrechtmatigheid dan wel misbruik van recht, geformuleerd in de hiervoor genoemde arresten, is dan ook niet voldaan.
3.11.4 Derhalve slaagt de grief. De vordering van [geïntimeerde 2] tot betaling van een hoger bedrag dan de proceskosten volgens het liquidatietarief – welke aanspraak [geïntimeerde 2] ook in conventie had kunnen geldend maken – faalt. Aan [geïntimeerde 2] zullen alsnog (in de reconventie) de kosten worden toegewezen volgens het liquidatietarief op dezelfde voet als die door de rechtbank aan de andere gedaagden in eerste aanleg (in de conventie) zijn toegekend. Aan [geïntimeerde 2] zullen dan ook worden toegekend een bedrag van € 1.414 aan griffierecht en 2 punten volgens het tarief van € 3.211 zijn de € 6.422 aan salaris advocaat, zijnde in totaal € 7.836.
Onder vernietiging van het vonnis in reconventie zal de vordering van [geïntimeerde 2] in reconventie alsnog worden afgewezen voor zover deze het bedrag van € 7.836 te boven gaat. Slechts laatstgenoemd bedrag zal worden toegewezen. [geïntimeerde 2] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in reconventie in eerste aanleg. Ook zal [geïntimeerde 2] worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep voor zover gewezen tussen [appellante] en [geïntimeerde 2].

3.12

Grief 4 voert aan dat – indien het oordeel van de rechtbank omtrent de grove schuld van de arbiters en/of de onmogelijkheid van herstel van het handtekeninggebrek juist is – de elkaar opvolgende advocaten [geïntimeerde 3] en [geïntimeerde 4] een beroepsfout jegens [appellante] hebben gemaakt door
– niet bij de aanvaarding van hun opdracht te adviseren de herstelprocedure bij de rechtbank Maastricht te beginnen;
– niet bij de aanvaarding van hun opdracht [appellante] te adviseren arbiters aan te spreken tot terugbetaling van de betaalde honoraria en verschotten.

3.13

De voorwaarde waaronder de grief is ingesteld is blijkens het voorgaande vervuld, zodat het hof de grief zal behandelen.
Het hof zal daarbij eerst het preliminaire verweer van zowel [geïntimeerde 4] als [geïntimeerde 3] bespreken, te weten dat [appellante] inzake de door haar gestelde beroepsfouten de verkeerde partij heeft gedagvaard; [appellante] had de desbetreffende kantoorvennootschap moeten dagvaarden.
In rechtsoverweging 2.10 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank in het midden gelaten of de partijen in persoon dan wel met hun rechtspersoonlijkheid bezittende kantoor hadden moeten worden gedagvaard.
Het hof zal hierna wel op dat verweer ingaan.

3.14

[geïntimeerde 4] heeft zich erop beroepen dat de opdracht tot juridische dienstverlening niet aan hem is verstrekt, maar aan de advocatenmaatschap [maatschap] waarbij hij toen in loondienst was, zodat hij niet in persoon kan worden aangesproken voor de gestelde fouten.
[appellante] heeft erkend dat [geïntimeerde 4] in loondienst was, maar heeft een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2013 (NJ 2013/290).

3.15

Het hof overweegt als volgt. Het door [appellante] genoemde arrest heeft (onder meer) betrekking op artikel 7:404 BW. Volgens dat artikel is, indien een opdracht is verleend met het oog op een persoon die met de opdrachtnemer of in zijn dienst een beroep of bedrijf uitoefent, de desbetreffende persoon gehouden de werkzaamheden, nodig voor de uitvoering van de opdracht, zelf te verrichten. In het arrest van 15 maart 2013 heeft de Hoge Raad beslist dat voor eventuele tekortkomingen in de uitvoering van die opdracht die persoon in dat geval naast de opdrachtnemer hoofdelijk aansprakelijk is. De Hoge Raad heeft er daarbij op gewezen dat blijkens de parlementaire geschiedenis bij die regeling onder andere is gedacht aan de advocaat die werkzaam is in maatschapsverband, waarbij de maatschap optreedt als opdrachtnemer.
Uit de door [appellante] overgelegde brief waarbij opdracht wordt gegeven aan advocatenkantoor [maatschap] blijkt niet dat deze opdracht is gegeven specifiek aan [geïntimeerde 4], en ook uit de antwoordfax van het advocatenkantoor blijkt niet dat de opdracht is begrepen als een opdracht specifiek aan [geïntimeerde 4] (zie hiervoor, rechtsoverweging 3.1 onder (j)).
[appellante] heeft voorts erkend dat [geïntimeerde 4] in loondienst was bij de maatschap. Daarom faalt het beroep van [appellante] op artikel 7:404 BW. Aan de vereisten voor rechtstreekse aansprakelijkheid zoals in dat artikel opgenomen (alsmede de daaraan gegeven uitleg door de Hoge Raad in het hier genoemde arrest) is derhalve niet voldaan.
Op die grond behoeft de grief, voor zover betrekking hebbend op [geïntimeerde 4], geen verdere behandeling. De vordering van [appellante] jegens [geïntimeerde 4] moet worden afgewezen omdat het beroep van [geïntimeerde 4] op zijn werknemerschap slaagt.

3.16

Inzake dit verweer met betrekking tot [geïntimeerde 3] hanteert het hof dezelfde uitgangspunten als ten aanzien van [geïntimeerde 4] genoemd in rechtsoverweging 3.15.
Op grond van de stellingen van partijen en de thans beschikbare producties neemt het hof voorshands aan dat inzake de te verlenen juridische bijstand de overeenkomst van opdracht is gesloten tussen [appellante] en Advocatenkantoor [geïntimeerde 3] BV.
Uit diezelfde stellingen en producties kan door het hof – anders dan in het geval van [geïntimeerde 4] – niet op voorhand met voldoende zekerheid worden afgeleid of de opdracht is gegeven aan Advocatenkantoor [geïntimeerde 3] BV met het oog op de persoon van [geïntimeerde 3] (in welk geval dit preliminaire verweer van [geïntimeerde 3] zou moeten worden verworpen).
Weliswaar is door [geïntimeerde 3] aangevoerd (conclusie van dupliek bladzijde 5) dat [appellante] zich heeft gewend tot [geïntimeerde 3] Advocaten en niet tot [geïntimeerde 3] in privé, dit omdat een advocaat werkzaam bij [geïntimeerde 3] Advocaten de opdracht heeft aangenomen van [appellante] toen [geïntimeerde 3] op vakantie was. Het enkele feit dat een ander dan [geïntimeerde 3] de opdracht heeft aangenomen sluit echter niet uit dat [appellante] het advocatenkantoor heeft benaderd met het oog op behandeling van de zaak door [geïntimeerde 3] zelf (het advocatenkantoor draagt ook diens naam, hetgeen leidt tot de reële mogelijkheid dat [appellante] wilde dat juist [geïntimeerde 3] zelf voor hem zou optreden, zoals ook daadwerkelijk is geschied).
Of, gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2013, [geïntimeerde 3] hoofdelijk naast Advocatenkantoor [geïntimeerde 3] BV kan worden aangesproken is derhalve zonder nader onderzoek naar de gang van zaken bij het verstrekken van de opdracht niet vast te stellen. Het hof zal niet tot een dergelijk onderzoek overgaan, omdat de vordering – zoals hierna zal blijken – op andere gronden zal worden afgewezen.

3.17

Inzake grief 4 zelf, voor zover gericht tegen [geïntimeerde 3], overweegt het hof als volgt.
3.17.1 Zoals in rechtsoverweging 3.8 is overwogen moet onderscheid worden gemaakt tussen de toezending van een afschrift van een arbitrale vonnis en de deponeren van het origineel van bij de rechtbank.
3.17.2 [geïntimeerde 3] heeft zijn opdracht van [appellante] gekregen nadat [appellante] een afschrift van het arbitrale eindvonnis had ontvangen, maar voordat dit was gedeponeerd. Op dat moment was dus voor [geïntimeerde 3] niet kenbaar dat het (origineel van het) eindvonnis een gebrek bevatte, zodat er ook geen reden was te adviseren tot herstel van dit gebrek. Voor zover de stellingen van [appellante] tijdens het pleidooi in hoger beroep zo moeten worden begrepen dat [appellante] [geïntimeerde 3] het verwijt maakt dat hij niet voorafgaand aan de deponering al heeft aangedrongen op herstel van dat vonnis moet dat verwijt derhalve worden verworpen. Ook was er op dat moment nog geen grond tot terugbetaling van betaalde honoraria.
Wat dat betreft is dus van een beroepsfout geen sprake
3.17.3 Vervolgens is, kennelijk door tussenkomst van [geïntimeerde 3], een vonnis verkregen van de voorzieningenrechter waarin exequatur is verleend op het gedeponeerde arbitrale eindvonnis.
Daarop is door [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] een procedure aangevangen tot vernietiging van het arbitrale vonnis wegens het handtekeningengebrek. In die procedure heeft [geïntimeerde 3], naar het hof begrijpt, [appellante] als gedaagde bijgestaan tot kort voordat in die procedure in eerste aanleg uitspraak werd gedaan (volgens de eigen stellingen van [appellante] heeft [geïntimeerde 3] haar bijgestaan tot ongeveer juli 2005, terwijl het vonnis van de rechtbank is uitgesproken op 28 september 2005).
3.17.4 In deze situatie kon [geïntimeerde 3] niet anders dan [appellante] als gedaagde bijstaan. Het arbitrale vonnis was immers zolang deze procedure liep geldig, en de burgerlijke rechter was toen ook niet bevoegd te beslissen in het geschil tussen [appellante] enerzijds en [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] anderzijds.
De bevoegdheid van de burgerlijke rechter herleeft immers pas zodra het vonnis waarbij een arbitraal vonnis is vernietigd onherroepelijk is geworden (artikel 1067 Rv). Tijdens de dienstverlening door [geïntimeerde 3] (die eindigde voordat de rechtbank in deze zaak vonnis wees) was het nog geenszins evident dat [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] succes zouden hebben met hun vordering tot vernietiging van het arbitrale vonnis, terwijl bovendien de gewone rechter dus niet bevoegd was te beslissen. [appellante] heeft aangevoerd dat [geïntimeerde 2] een "tweesporenbeleid" had moeten voeren, te weten niet alleen verweer voeren in de vernietigingprocedure, maar daarnaast een nieuwe procedure opstarten bij de burgerlijke rechter.
Het hof acht een dergelijk beleid in ieder geval prematuur voordat duidelijk was hoe de rechtbank zou oordelen over de door [koper 1 aandelen] en [koper 2 aandelen] ingestelde procedure. Mede gelet op de kosten van een procedure bij de burgerlijke rechter kan het op dat moment niet adviseren tot het aangaan van een nieuwe bij de burgerlijke rechter gelet op de omstandigheden van het geval niet als kunstfout worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het (niet) adviseren de arbiters aan te spreken om hun honorarium terug te betalen. Ten tijde van de dienstverlening door [geïntimeerde 3] stond immers nog niet vast dat het arbitrale vonnis in geen geval zou kunnen worden geëxecuteerd, zodat er toen geen grond bestond voor het terugvorderen van deze honoraria.
3.17.5 Het hof overweegt daarbij voorts, dat het weliswaar heeft geoordeeld is dat het ontbreken van de handtekeningen van een of meer arbiters onder een arbitraal vonnis een gebrek oplevert dat tot vernietiging van dat vonnis moet leiden, en dat dat gebrek na deponeren van het vonnis ook niet kan worden hersteld, maar ten tijde van de advisering door [geïntimeerde 3] (in 2004 en 2005) was het geenszins evident dat dit gebrek deze consequenties moest hebben, en dat niet op goede gronden een ander standpunt kon worden ingenomen. Het arrest van de Hoge Raad waarnaar hiervoor wordt verwezen en waarop het oordeel van het hof mede is gebaseerd dateert van 2008.
3.17.5 Grief 4 faalt.

3.18

Derhalve falen in principaal appel alle grieven. Dit leidt tot de conclusie dat in principaal appel het vonnis van de rechtbank in conventie zal worden bekrachtigd.
Als in het ongelijk gestelde partij zal [appellante] in de kosten van het hoger beroep in principaal appel worden veroordeeld.

In incidenteel appel (in het geschil tussen [appellante] en [geïntimeerde 2]) zal het vonnis in reconventie worden vernietigd, zal de vordering van [geïntimeerde 2] alsnog worden afgewezen voor zover deze bedrag van € 7.836 te boven gaat, zal [geïntimeerde 2] alsnog in de kosten van de eerste aanleg worden veroordeeld, alsmede in de kosten van het hoger beroep.

3.19

Gelet op het voorgaande behoeft de grief van [geïntimeerde 3] in incidenteel appel – inhoudende dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verweer dat niet hij, maar Advocatenkantoor [geïntimeerde 3] BV partij was bij de overeenkomst van opdracht met [appellante] – geen behandeling. Gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep diende het hof dit verweer van [geïntimeerde 3] ook zonder incidenteel appel te behandelen, en dat is ook gebeurd. Voor een afwijzing of proceskostenbeslissing is geen grond (HR 10 juni 1988, NJ 1989, 30).

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 29 mei 2013 van de rechtbank Limburg voor zover gewezen in conventie;

vernietigt dit vonnis voor zover gewezen in reconventie (in het geding tussen [appellante] en [geïntimeerde 2]);

en in zoverre opnieuw recht doend:

veroordeelt [appellante] inzake de proceskosten van de eerste aanleg tot betaling aan [geïntimeerde 2] van € 7.836, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf twee weken nadat de betekening van het vonnis in eerste aanleg heeft plaatsgehad;

veroordeelt [geïntimeerde 2] in de kosten van het geding in hoger beroep (betrekking hebbend op de reconventie tussen [geïntimeerde 2] en [appellante]), tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op nihil voor verschotten en € 1.631 voor salaris advocaat;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep (voor zover betrekking hebbend op het geding in eerste aanleg in conventie), tot aan deze uitspraak begroot op:
aan de zijde van [geïntimeerde 1] € 1.553 aan verschotten en € 13.440 aan salaris advocaat, alsook in de nakosten van € 131 dan wel, indien betekening plaatsvindt, € 199;
aan de zijde van [geïntimeerde 4] € 1.553 aan verschotten en € 13.440 aan salaris advocaat;
aan de zijde van [geïntimeerde 3] € 1.553 aan verschotten en € 4.580 aan salaris advocaat

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, P.M. Arnoldus-Smit en T.J. Dorhout Mees en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 november 2014.

er