Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4528

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
Wr 222-14-2014
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Herhaald wrakingsverzoek

1. De wrakingskamer stelt vast dat het verzoek voor het deel dat zich richt tegen de afwijzing van de getuigenverzoeken ter terechtzitting van 27 september 2013 en de daaraan te ontlenen vooringenomenheid van de gewraakte raadsheren een herhaling is van het wrakingsverzoek gedaan op de zitting van 28 maart 2014 en waarin verzoeker bij beslissing van de wrakingskamer van 14 mei 2014 niet ontvankelijk is verklaard.

2. Voor wat betreft de overige onderbouwing van het verzoek zijn door verzoeker geen feiten of omstandigheden aangevoerd die tot toewijzing van het wrakingsverzoek zouden kunnen leiden.

3. Derhalve kan een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven en dient het wrakingsverzoek reeds aanstonds niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4. Nu het onderhavige wrakingsverzoek het tweede verzoek op rij in dezelfde zaak is, welke verzoeken naar de kern genomen steeds dezelfde achtergrond hebben, ziet de wrakingskamer aanleiding om, met toepassing van artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek op dezelfde gronden niet in behandeling zal worden genomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 512
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek

Registratienummer: Wr 222-14-2014

Datum uitspraak: 31 oktober 2014

BESLISSING

op het verzoek als bedoeld in artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak met parketnummer 20-003210-09 van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

hierna te noemen: “de verzoeker”,

strekkende tot wraking van mr. A.R.O. Mooy en mr. G.Th.C. van der Bilt, raadsheren in de afdeling strafrecht van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.

1 Het procesverloop

1.1.

De wraking van voornoemde raadsheren is door verzoeker mondeling verzocht

bij gelegenheid van de voortgezette behandeling van de vordering ter zake van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter terechtzitting van 6 oktober 2014.

Het onderzoek was op 28 maart 2014 geschorst naar aanleiding van een wrakingsverzoek van verzoeker tegen de leden van die strafkamer. Bij beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van dit hof van 14 mei 2014 is verzoeker in het wrakingsverzoek deels niet ontvankelijk verklaard en het wrakingsverzoek voor het overige afgewezen.

Op de voortgezette terechtzitting van 6 oktober 2014 heeft verzoeker mondeling beide raadsheren gewraakt en daarna het schriftelijk stuk overgelegd waarin is vervat hetgeen verzoeker mondeling heeft voorgedragen. Dat stuk is door de griffier gehecht aan het proces-verbaal van die terechtzitting met als aantekening van de griffier “Overgelegd door [verzoeker] tzt in hb op 6-10-2014”. De wrakingskamer heeft van deze stukken kennis genomen.

1.2.

In een noot onder aan voornoemd proces-verbaal is door de griffier het volgende

opgemerkt:

Kort nadat het onderzoek ter zitting was geschorst bleek dat veroordeelde meer stukken aan het hof had overgelegd dan waaruit hij ter zitting had voorgedragen ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek. Omdat veroordeelde nog in het gerechtsgebouw aanwezig was heeft de griffier daarop deze stukken aan veroordeelde teruggegeven. Op 7 oktober 2014 ontving het hof per post de zojuist genoemde - niet voorgedragen - stukken retour met een begeleidend schrijven van de veroordeelde. Deze stukken zijn voor de volledigheid ook bij dit proces-verbaal gevoegd en door mij – griffier – voorzien van de aantekening “niet voorgedragen”.

De wrakingskamer heeft tevens kennis genomen van deze door de verzoeker nagezonden stukken (een stuk met opschrift pleitnota wraking hof en een omvangrijk pakket stukken met opschrift toelichting wraking hof).

1.3.

De voornoemde gewraakte raadsheren hebben niet in de wraking berust.

2 De gronden voor de wraking

2.1.

Ter terechtzitting van 6 oktober 2014 is in de ontnemingszaak tegen verzoeker het onderzoek ter terechtzitting met instemming van de raadsman van verzoeker en de advocaat-generaal hervat in de stand waarin het zich bevond op 28 maart 2014.

Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt dat desgevraagd de raadsman van verzoeker en de advocaat-generaal hebben medegedeeld dat zij geen onderzoekswensen meer hebben en dat voor zover zij deze wel hadden daarop door het hof is beslist. Vervolgens heeft de voorzitter de korte inhoud medegedeeld van de stukken van de zaak. Hierop heeft verzoeker het woord gevoerd overeenkomstig het aan het proces-verbaal gehechte stuk en heeft aanvullend verklaard dat hij op grond van hetgeen hij heeft aangevoerd de raadsheren mr. Mooy en mr. Van der Bilt wraakt.

2.2.

Uit hetgeen verzoeker ter terechtzitting ter onderbouwing van zijn wraking heeft aangedragen, maakt de wrakingskamer op dat de wraking in de kern ziet op het feit dat op de eerdere terechtzitting van 27 september 2013 verzoeken tot het horen van getuigen, verbalisanten in het opsporingsonderzoek, op gronden die volgens verzoeker getuigen van vooringenomenheid zijn afgewezen. Mede uit de door de verzoeker daarna nagezonden (uitvoerige) stukken begrijpt de wrakingskamer dat verzoeker zich in het algemeen op het standpunt stelt dat de strafrechtelijke procedure in Nederland, met name ook de wijze waarop daar door de opsporingsinstanties, het openbaar ministerie en de zittende magistratuur invulling aan wordt gegeven, niet meer voldoen aan de eisen van een eerlijk proces zoals vastgelegd in artikel 6 van het EVRM. Daarbij geldt dan ten aanzien van

mr. Mooy in het bijzonder dat hij in het verleden deel uit heeft gemaakt van het openbaar ministerie.

3 De beoordeling van het wrakingsverzoek

3.1.

Ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering kan wraking van een rechter worden verzocht op grond van feiten en omstandigheden waardoor diens onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Bij de beoordeling van het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.3.

Verzoeker heeft zijn wrakingsverzoek vervat in een pleitnota van 11 pagina’s, met een zevental bijlagen. Tevens is toegezonden een omvangrijke toelichting van 41 pagina’s met 60 bijlagen.

3.4.

Allereerst stelt de wrakingskamer vast dat het verzoek voor het deel dat zich richt tegen de afwijzing van de getuigenverzoeken ter terechtzitting van 27 september 2013 en de daaraan te ontlenen vooringenomenheid van de gewraakte raadsheren, onder wie Mr. Mooy, een herhaling is van het wrakingsverzoek gedaan op de zitting van 28 maart 2014 en waarin verzoeker bij beslissing van de wrakingskamer van 14 mei 2014 niet ontvankelijk is verklaard.

3.5.

Wat de overige onderbouwing van het verzoek betreft, stelt de wrakingskamer vast dat door verzoeker geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die tot toewijzing van het wrakingsverzoek tegen mr. Mooy en mr. Van der Bilt zouden kunnen leiden. De pleitnota en de daarbij behorende toelichting bevat een veelheid van klachten en kwesties die naar het oordeel van de wrakingskamer niets met de onderhavige ontnemingszaak of met de gewraakte raadsheren van doen hebben. Voor zover de stukken wel verhalen over mr. Mooy wordt daarbij niet toegelicht hoe daaruit kan worden afgeleid dat hij een vooringenomenheid zou koesteren jegens verzoeker. Overigens zijn de stellingen die betrekking hebben op

mr. Mooy veelal een herhaling, althans een nadere uitwerking van die welke in het eerdere wrakingsverzoek jegens mr. Mooy werden verwoord. Er is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 513 lid 3 Sv. (alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk worden voorgedragen). Van feiten en omstandigheden die eerst bekend zijn geworden ná de behandeling van het vorige wrakingsverzoek en die een nadere behandeling zouden kunnen rechtvaardigen, is het hof niet gebleken.

3.6.

Het wrakingsverzoek tegen mr. Van der Bilt komt geen zelfstandige betekenis toe, nu door verzoeker geen gronden zijn aangevoerd die specifiek betrekking hebben op mr. Van der Bilt.

3.7.

Om die reden kan een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven en dient het wrakingsverzoek, gericht tegen voornoemde leden, reeds aanstonds niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.8.

Gelet op de omstandigheid dat het onderhavige wrakingsverzoek het tweede verzoek op rij in dezelfde zaak is tegen zowel de voorzitter als bijzitter, welke verzoeken naar de kern genomen steeds dezelfde achtergrond hebben zoals hiervoor vermeld, ziet de wrakingskamer aanleiding om, met toepassing van artikel 515, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek op dezelfde gronden tegen mr. Mooy en/of een of meer van de andere leden van de behandelend strafkamer in de onderhavige ontnemingszaak niet in behandeling zal worden genomen.

BESLISSING:

Het hof:

verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek;

bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker tegen mr. A.R.O. Mooy en/of een van de andere leden van de behandelend strafkamer op dezelfde gronden niet in behandeling wordt genomen;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het wrakingsverzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan de verzoeker, diens raadsman, de advocaat-generaal en de raadsheren mr. A.R.O. Mooy en mr. G.Th.C. van der Bilt.

Aldus gedaan in raadkamer door:

mr. N.J.M. van Etten, voorzitter,

mr. W.H.B. den Hartog Jager en mr. N.J.M. Ruyters, leden,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2014.