Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4508

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
04-11-2014
Zaaknummer
F 200.144.641-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gerechtelijke vaststelling vaderschap. Toepassing Belgisch recht: artikelen 1:322, 1:332quinquies, 1:324 en 1:331octies van het Belgisch Burgerlijk Wetboek.

De man heeft bewijs van al zijn stellingen door alle middelen rechtens aangeboden, in het bijzonder door het overleggen van nadere stukken, om aan te tonen dat hij niet de biologische vader van het kind is c.q. kan zijn. De man heeft in eerste aanleg en in hoger beroep geen rechtens relevante redenen aangevoerd om zijn medewerking aan een DNA-onderzoek te weigeren. Uit de weigering zonder rechtens relevante reden om zich aan het bevolen onderzoek te onderwerpen, kan de rechter een feitelijk vermoeden van het vaderschap afleiden. Op grond van het voorgaande en gelet op de uitvoerige verklaringen en gedetailleerde beschrijvingen van de moeder over onder meer de relatie met de man en gebeurtenissen rondom de geboorte van het kind, is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man de vader van het kind kan zijn.

Aan het bewijsaanbod van de man gaat het hof voorbij nu hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn aanbod schriftelijke bewijsstukken aan het hof over te leggen, niet wenst mee te werken aan een DNA-onderzoek en overigens zijn bewijsaanbod onvoldoende heeft gespecificeerd.

Bij gebreke van bewijs van het tegendeel gaat het hof er dan ook vanuit dat de man de verwekker is van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 30 oktober 2014

Zaaknummer: F 200.144.641/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/12/85780 / FA RK 12-1333 en C/12/85801 / FA RK 12-1345

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats], België,

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.P.M. Hendrikx-Heeren,

tegen

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

en

[de zoon] ,

hierna te noemen: [de zoon],

beiden wonende te [woonplaats],

verweerders,

advocaat: mr. G.M.J.O. Haaijer-Cattrysse.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 29 mei 2013 en 15 januari 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 27 maart 2014, heeft de man verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende de verzoeken van de moeder alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 14 mei 2014, hebben de moeder en [de zoon] verzocht bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de man ten aanzien van zijn verzoek met betrekking tot de beschikking van 29 mei 2013 niet-ontvankelijk te verklaren en voor het overige zijn verzoek af te wijzen en de beschikking van 15 januari 2014 te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Hendrikx-Heeren;

- de moeder en [de zoon], bijgestaan door mr. Haaijer-Cattrysse.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V8-formulier met bijlage van de advocaat van de man d.d. 3 juli 2014;

- het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van verweerders d.d. 26 augustus 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder is[de zoon] (hierna: [de zoon]) geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats], België.

De heer [de juridische vader] (hierna: de heer [de juridische vader]) heeft [de zoon] erkend met toestemming van de moeder.

De moeder oefent het eenhoofdig gezag over [de zoon] uit.

3.2.

De man, de moeder, [de zoon] en de heer [de juridische vader] hebben allen de Belgische nationaliteit.

3.3.

Bij verzoekschrift van 23 oktober 2012 heeft de moeder verzocht om vernietiging van de erkenning van [de zoon] door de heer [de juridische vader], gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man en vaststelling van een door de man ten behoeve van [de zoon] te betalen onderhoudsbijdrage.

3.4.

Bij beschikking van 5 december 2012 heeft de rechtbank Middelburg, voor zover thans van belang, mr. M. Kalle tot bijzondere curator over [de zoon] benoemd.

3.5.

Bij beschikking van 29 mei 2013 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg:

  • -

    de erkenning van [de zoon] door de heer [de juridische vader] vernietigd;

  • -

    een onderzoek door een deskundige gelast ter beantwoording van de vraag of de man al dan niet de biologische vader is van [de zoon] en – zakelijk weergegeven – een deskundige benoemd;

  • -

    de zaak ten aanzien van het verzoek van de moeder tot vaststelling van het vaderschap van de man en de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage naar de familiekamerrol van 6 augustus 2013 verwezen;

  • -

    iedere verdere beslissing aangehouden.

3.6.

Bij beschikking van 15 januari 2014 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

  • -

    vastgesteld dat de man de vader van [de zoon] is;

  • -

    de zaak ten aanzien van de kinderbijdrage naar de familiekamerrol van 11 februari 2014 verwezen en iedere verdere beslissing ten aanzien van de kinderbijdrage aangehouden.

3.7.

De man kan zich met voormelde beslissingen van 29 mei 2013 en 15 januari 2014 niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.7.1.

Ter zitting van het hof heeft de man het hoger beroep tegen de beschikking van 29 mei 2013 ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat hij zijn grieven tegen die beschikking niet langer handhaaft. Het hof zal het verzoek van de man derhalve in zoverre afwijzen.

3.8.

De man voert tegen de beschikking van 15 januari 2014 – kort samengevat – het volgende aan.

De man stelt dat de moeder reeds in 2006 een procedure heeft geëntameerd bij de rechtbank in België teneinde de erkenning van [de zoon] door de heer [de juridische vader] te vernietigen en het vaderschap van de man gerechtelijk te doen vaststellen. De vordering was destijds ontoelaatbaar op grond van artikel 1:330 § 2, tweede lid, laatste alinea van het Belgisch Burgerlijk Wetboek (oud), zo heeft het bureau voor rechtsbijstand van de rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde op 8 september 2006 beslist. Uit de EEX-verordening volgt dat een beslissing gegeven in een lidstaat zonder vorm van proces moet worden erkend in de overige lidstaten (artikel 33 lid 1). De eerdere beslissing van 2006 dient volgens de man gerespecteerd te worden, zodat de heer [de juridische vader] nog steeds de juridische vader is van [de zoon].

Omtrent het verleden tussen de man en de moeder, stelt de man het volgende. Hij heeft in het verleden gewerkt als politieagent. In die hoedanigheid is hij ooit oppervlakkig in contact gekomen met de moeder. De moeder heeft toen aan de man een visitekaartje gegeven van het beveiligingsbedrijf waar zij destijds werkte. De moeder is een keer langsgekomen bij zijn vakantieverblijf in [plaats], België. De man stelt echter dat hij nimmer een relatie met de moeder heeft gehad. De man stelt dat de moeder in die tijd een bekende was van de politie, onder meer in verband met conflicten tussen haar en mannen met wie zij een relatie had. De moeder heeft volgens de man in die periode met verschillende mannen een relatie gehad, van wie hij de namen ter zitting van het hof heeft genoemd.

Reeds in 2006 heeft de moeder geprobeerd de man ertoe te dwingen [de zoon] te erkennen, tot welk moment de man niet afwist van het bestaan van [de zoon]. De man heeft om hem moverende redenen geen medewerking willen verlenen aan een DNA-onderzoek. Een DNA-onderzoek is een inbreuk op zijn lichamelijke integriteit, die hij niet gerechtvaardigd acht. Daarnaast doet de man in dit kader een beroep op zijn recht op bescherming en instandhouding van zijn eigen gezinsleven. Hij kent [de zoon] niet en hij wist jarenlang niet van zijn bestaan. Voorts stelt de man de vraag of het belang van [de zoon] wel gediend is met een DNA-onderzoek nu hij zeventien jaar lang een andere juridische vader heeft gehad en de man thans geen vaderrol voor [de zoon] wenst te vervullen. Het leven van [de zoon] zal dus niet wijzigen. De man stelt voorts dat in deze zaak een helder standpunt van de bijzondere curator en de raad voor de kinderbescherming ontbreekt en dat het bureau voor rechtsbijstand van de rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde in de hiervoor genoemde beslissing van 8 september 2006 tevens heeft beslist dat een DNA-onderzoek niet nodig was.

In het onderhavige geval had de rechtbank, gelet op de gevolgen daarvan voor de man, de weigering om mee te werken aan het DNA-onderzoek niet ten nadele van de man mogen uitleggen en de gevolgtrekking mogen maken dat hij de verwekker is van [de zoon], mede gelet op alles wat door de man is gesteld en gemotiveerd is betwist. De man verwijst in dit kader naar de beschikking van het gerechtshof Arnhem van 20 december 2012 (ECLI:NL:GHARN:2012: BY9828).

3.9.

De moeder en [de zoon] voeren - kort samengevat - het volgende aan.

Zij betwisten uitdrukkelijk dat de rechtbank te Dendermonde eerder een uitspraak ter zake het vaderschap van de man heeft gedaan. De man baseert zijn stellingen op een conclusie ingediend door zijn toenmalige advocaat in de procedure in 2006. De toenmalige Belgische advocaat van de moeder had verzuimd om eerst vernietiging van de erkenning te verzoeken. De zaak is dus destijds niet eens door de rechtbank in behandeling genomen, maar reeds aan de poort gestrand.

In het kader van de procedure in 2006 stelde de man nog dat hij de moeder niet kende. Op die stelling is de man nu teruggekomen, nu hij in de onderhavige procedure heeft erkend als politieagent oppervlakkig met de moeder in contact te zijn gekomen. Het niet meewerken aan het deskundigenonderzoek in combinatie met de tegenstrijdige verklaringen is op zijn minst opmerkelijk te noemen volgens de moeder en [de zoon]. In werkelijkheid hebben de moeder en de man gedurende negen maanden een affectieve lange-afstands-relatie met elkaar gehad en in dit kader ook geslachtsgemeenschap, hetgeen resulteerde in een zwangerschap. De moeder bezocht de man altijd in zijn huis in [plaats]. Ook de familie van de man was op de hoogte van de zwangerschap. De vader van de man heeft destijds tegen de moeder gezegd dat zij altijd mocht langskomen als zij kon bewijzen dat [de zoon] een kind van de man is. De man wilde geen kind en verzocht de moeder de zwangerschap af te breken. Voor de moeder was dit geen optie en de relatie werd beëindigd. Na de geboorte van [de zoon] heeft de moeder aan de man een geboortekaartje gestuurd. [de zoon] hoopt dat hij de man ooit mag leren kennen.

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 25 maart 2005 (NJ 2005, 313) blijkt volgens de moeder en [de zoon] dat bij de vaststelling van het vaderschap geen plaats is voor een afweging van de belangen van het kind tegenover die van de verwekker, terwijl het enkele feit dat de vaststelling van het vaderschap meebrengt dat overige familieleden een familielid opgedrongen krijgen, niet kan worden aangemerkt als een door artikel 8 EVRM verboden inbreuk. De vrouw verwijst voorts naar de inhoud van de beschikking van de Hoge Raad van 22 september 2000 (ECLI:NL:HR:2000:AA7204) en de beschikking van het hof Leeuwarden van 15 mei 2012 (ECLI:NL:GHLEE:2012:BW7509).

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.10.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijke recht. Het hof verwijst hiervoor naar de daaraan gewijde overwegingen van de rechtbank waartegen geen grieven zijn gericht en die het hof onderschrijft. De Nederlandse rechter komt rechtsmacht toe met betrekking tot het onderhavige verzoek en daarop is Belgisch recht van toepassing.

Inhoudelijke beoordeling

3.10.2.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:322 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek (BBW) kan, wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 1:315 of 1:317 BBW, noch op grond van een erkenning, het bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 1:332quinquies BBW bepaalde voorwaarden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:332quinquies § 3 BBW wijst de rechtbank de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is.

3.10.3.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:324 BBW wordt de afstamming bewezen door het bezit van staat ten aanzien van de vermeende vader. Bij gebreke van bezit van staat wordt de afstamming van vaderszijde door alle wettelijke middelen bewezen. Behalve wanneer er twijfel over bestaat, wordt het vaderschap vermoed wanneer is komen vast te staan dat de verweerder gedurende het wettelijk tijdperk van de verwekking gemeenschap heeft gehad met de moeder.

3.10.4.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:331octies BBW kunnen de rechtbanken, zelfs ambtshalve, een bloedonderzoek of enig ander onderzoek volgens beproefde wetenschappelijke methode gelasten.

3.10.5.

Nu de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 mei 2013, waarbij de erkenning van [de zoon] door de heer [de juridische vader] is vernietigd, in kracht van gewijsde is gegaan, stelt het hof vast dat [de zoon] geen juridische vader heeft.

Een bezit van staat ten aanzien van de man ontbreekt en het vaderschap van de man wordt door hem betwist. De afstammingsrelatie tussen [de zoon] en de man zal derhalve door andere wettelijke middelen bewezen dienen te worden.

3.10.6.

De man heeft bewijs van al zijn stellingen door alle middelen rechtens aangeboden, in het bijzonder door het overleggen van nadere stukken, om aan te tonen dat hij niet de biologische vader van [de zoon] is c.q. kan zijn. Deze stukken heeft de man echter niet in het geding gebracht, terwijl hij ook in hoger beroep heeft aangegeven zijn medewerking aan het door de rechtbank in eerste aanleg gelaste DNA-onderzoek niet te willen verlenen.

Het hof begrijpt dat de man met betrekking tot de daad van verwekking van [de zoon], tot op zekere hoogte in bewijsnood verkeert. Het had echter, mede gelet op de – naar het oordeel van het hof – voldoende onderbouwde stellingen van de moeder, op de weg van de man gelegen om zijn medewerking te verlenen aan een DNA-onderzoek, nu juist dit bewijsmiddel bij uitstek geschikt is om met een tot aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid aan te tonen dat hij niet de biologische vader van [de zoon] is.

3.10.7.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht en op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, geoordeeld dat de man geen rechtens relevante redenen heeft aangevoerd om zijn medewerking aan een DNA-onderzoek te weigeren. In hoger beroep heeft de man niets aangevoerd op grond waarvan het hof tot een ander oordeel komt.

De loutere mogelijkheid dat een andere man de biologische vader van [de zoon] kan zijn en de stelling van de man dat, wat de uitslag van het DNA-onderzoek ook zou zijn, hij niet de rol van vader jegens [de zoon] zal vervullen, kunnen naar het oordeel van het hof de weigering van de man om medewerking aan een DNA-onderzoek te verlenen niet rechtvaardigen, mede gezien het zwaarwegende recht van ieder kind heeft om te weten van wie het afstamt (HR 15 april 1994, NJ 1994,608 en HR 3 januari 1997, NJ 1997, 451 en artikel 7 IVRK).

De man beroept zich voorts op meergenoemde beslissing van het bureau voor rechtsbijstand van de rechtbank van Eerste Aanleg te Dendermonde van 8 december 2006 (welke beslissing zich overigens niet onder de stukken bevindt). De beslissing dat het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man niet kon worden ontvangen c.q. toegewezen, omdat de vernietiging van de erkenning van [de zoon] door de heer [de juridische vader] niet tevens was verzocht en dat (kennelijk om die reden) het gelasten van een DNA-onderzoek niet nodig was, is geen rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 33 lid 1 van de EEX-verordening, zodat het beroep van de man op het ne bis in idem beginsel niet slaagt. Daar komt bij dat in de door de moeder in 2006 geëntameerde procedure, anders dan in de onderhavige procedure, [de zoon] niet als procespartij is opgetreden. [de zoon] had derhalve aan enige daaruit voortvloeiende beslissing niet gebonden kunnen worden.

3.10.8.

De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof terecht overwogen dat de rechter uit de weigering zonder rechtens relevante reden om zich aan het bevolen onderzoek te onderwerpen, een feitelijk vermoeden van het vaderschap kan afleiden. Het gegeven dat de man het vaderschap uitdrukkelijk en gemotiveerd heeft betwist, brengt het hof niet tot een ander oordeel.

3.10.9.

Daar komt bij dat de moeder uitvoerig heeft verklaard over haar relatie met de man en gedetailleerde beschrijvingen heeft gegeven van de woonsituatie van de man en gebeurtenissen in de periode omstreeks de verwekking en de geboorte van [de zoon], alsmede foto’s heeft overgelegd.

De man heeft daarentegen – zoals de moeder onweersproken heeft gesteld – in het kader van de door de moeder in 2006 in België geëntameerde procedure aanvankelijk verklaard dat hij de moeder niet kende, maar in zijn beroepschrift verklaard dat hij in de hoedanigheid van politieagent ooit oppervlakkig met de moeder in contact is gekomen. Ter zitting van het hof verklaarde de man vervolgens dat hij met de moeder éénmaal een ontmoeting heeft gehad van zakelijke aard. Op de vragen van het hof in dit kader, gaf de man steeds pas volledig antwoord, nadat de moeder gedetailleerde beschrijvingen van zaken en situaties had gegeven. Zo ontkende de man aanvankelijk dat de moeder destijds in zijn ‘huis’ is geweest. Na een beschrijving van de verblijfplaats van de man, verklaarde de man dat hij de moeder wel in zijn ‘buitenverblijf’ in [plaats] heeft ontvangen. De man kon voorts niet zeggen of hij de persoon is die op een van de door de moeder in het geding gebrachte foto’s staat afgebeeld. Het hof acht het onaannemelijk dat de man zich op een (overigens duidelijke) foto van 18 jaar geleden niet kon herkennen.

3.11.

Op grond van al het vorenoverwogene is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man de vader van [de zoon] kan zijn.

Aan het bewijsaanbod van de man gaat het hof voorbij nu hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn aanbod schriftelijke bewijsstukken aan het hof over te leggen, niet wenst mee te werken aan een DNA-onderzoek en overigens zijn bewijsaanbod onvoldoende heeft gespecificeerd.

Bij gebreke van bewijs van het tegendeel gaat het hof er dan ook vanuit dat de man de verwekker is van [de zoon].

3.12.

Nu de rechtbank het verzoek van de moeder tot gerechtelijke vaststelling van het vaderschap van de man terecht heeft toegewezen en de grieven van de man falen, zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

Proceskosten

3.13.

De moeder en [de zoon] hebben verzocht de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, nu de man hen nodeloos in rechte heeft betrokken. Het zou derhalve in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid om de proceskosten te compenseren.

3.14.

Het hof ziet in hetgeen de moeder en [de zoon] hebben aangevoerd, onvoldoende aanleiding om af te wijken van het in zaken van familierechtelijke aard gehanteerde uitgangspunt dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd. Het hof zal het verzoek van de moeder en [de zoon] om de man in de door hen gemaakte proceskosten te voordelen, derhalve afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 15 januari 2014;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.D.M. Lamers en M.A. Ossentjuk en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.