Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:450

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
HD 200.121.158_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

toerekening betalingen art. 6:43 BW

gezag van gewijsde

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 43, geldigheid: 2014-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.121.158/01

arrest van 18 februari 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr.drs. A.L.M. Simons te Gulpen,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. R.C. Breuls te Geleen,

op het bij exploot van dagvaarding van 28 januari 2013 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, gewezen vonnissen van 11 juli 2012 en 7 november 2012 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde (en aanvankelijk tevens als eiser in reconventie) en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 463940 CV EXPL 12-741)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met tien producties;

- de memorie van antwoord met dertien producties;

- het op 27 november 2013 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de met een H-formulier op 21 november 2013 door de advocaat van [geïntimeerde] toegezonden producties (nummer 14 en 15).

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

4.1.1.

[appellant] en [geïntimeerde] zijn broers. Zij dreven tot 1997 samen een vennootschap onder firma genaamd het Drukkerscollectief [Drukkerscollectief]. Deze vennootschap is per 1 mei 1997 ontbonden. [geïntimeerde] is toen uit de vennootschap getreden en [appellant] heeft de drukkerij voortgezet als eenmanszaak. De accountants van partijen (de heer [accountant 1.] namens [appellant] en de heer [accountant 2.] namens [geïntimeerde]) hebben na 1 mei 1997 met elkaar gecorrespondeerd over de gevolgen van de ontbinding van de vennootschap.

4.1.2.

Partijen hebben op 14 oktober 1997 een stamrechtovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is vastgelegd dat de behaalde stakingswinst wordt omgezet in een door [appellant] aan [geïntimeerde] uit te keren lijfrente die ingaat op 1 mei 1997 en eindigt op 31 oktober 2012. De hoogte van het maandelijks uit te keren bedrag is in de tussen de accountants van partijen gevoerde correspondentie nader uitgewerkt.

4.1.3.

Partijen zijn over het kapitaal van [geïntimeerde] in de vennootschap overeengekomen dat [geïntimeerde] een geldlening verstrekt aan [appellant] ter hoogte van het bedrag dat het kapitaal van [geïntimeerde] in de vennootschap vertegenwoordigt en dat [appellant] die geldlening gedurende 10 jaar aflost in maandelijkse termijnen. Het firmantenkapitaal is in 2008 afgelost.

4.1.4.

In nadere correspondentie tussen voornoemde accountants wordt melding gemaakt van de overname van een privé autolening van [geïntimeerde] (hierna kort aangeduid als de autolening) door de eenmanszaak van [appellant]. Ook wordt in die correspondentie melding gemaakt van door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden ten behoeve van de eenmanszaak van [appellant] tegen betaling (hierna kort aangeduid als de werkzaamheden).

4.2.1.

[geïntimeerde] heeft in dit geding in eerste aanleg gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van achterstallige lijfrente over de periode 2008 tot en met 2010. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan en dat hij zelfs te veel aan [geïntimeerde] heeft betaald. In reconventie heeft [appellant] € 68.540,96 als onverschuldigd betaald van [geïntimeerde] terug gevorderd. De kantonrechter heeft zich bij vonnis van 11 juli 2012 in reconventie onder verwijzing naar artikel 93 aanhef en onder a Rv onbevoegd verklaard om van die vordering kennis te nemen en heeft de zaak in reconventie verwezen naar de sector civiel, unit handel, van de rechtbank. Bij eindvonnis van 7 november 2012 heeft de kantonrechter, na eiswijziging, de vordering in conventie toegewezen tot een bedrag van € 16.023,27 (waarvan € 15.023,27 als hoofdsom en € 1.000,00 als buitengerechtelijke incassokosten; het in het dictum opgenomen bedrag van € 15.027,23 waarover wettelijke rente verschuldigd is betreft een kennelijke verschrijving en dient te worden gelezen als € 15.023,27).

4.2.2.

De procedure in reconventie is bij de rechtbank Limburg, afdeling burgerlijk recht, voortgezet. Bij vonnis van 14 augustus 2013 heeft de rechtbank de (reconventionele) vorderingen van [appellant] afgewezen. Daarvan is geen appel ingesteld.

4.2.3.

[geïntimeerde] heeft op 19 april 2013 een nieuwe procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Limburg en, kort gezegd, gevorderd dat [appellant] wordt veroordeeld om ook de lijfrente te betalen over 2011 en 2012. Bij vonnis van 20 november 2013 heeft de rechtbank Limburg de vorderingen van [geïntimeerde] toegewezen.

4.3.

Grief I is gericht tegen rov. 4.1 van het tussenvonnis van de kantonrechter van 11 juli 2012 in conventie waarin het volgende is overwogen:

“[geïntimeerde] heeft zijn vordering deugdelijk onderbouwd met de door hem als productie 2 en 3 overgelegde berekeningen waaruit blijkt dat per 31 december 2010 een achterstand in betalingen van [appellant] bestond van € 17.240,96. Deze vordering ligt derhalve in principe voor toewijzing gereed, nu deze vordering met wat [appellant] in zijn conclusie van antwoord heeft gesteld niet - althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd - is weersproken.” en “Ook wat overigens nog door [appellant] als verweer is aangevoerd kan hem, omdat het onvoldoende gemotiveerd is, niet baten en wordt gepasseerd. De berekening van [appellant] (verschuldigd aan lening en lijfrente minus betaald is teveel betaald) heeft de charme van de eenvoud, maar is onjuist, althans vergaand onvolledig reeds omdat daarin het verschuldigde uit hoofde van de autolening en het dienstverband (productie 1 bij dagvaarding, laatste twee streepjes) niet is meegenomen.”.

De toelichting op de grief valt uiteen in diverse klachten over deze rechtsoverweging. Het hof onderscheidt de volgende onderwerpen:

  • -

    de hoogte van de door [geïntimeerde] in zijn berekening in aanmerking genomen betalingen;

  • -

    de toerekening van de gedane betalingen aan de diverse deelvorderingen;

  • -

    de autolening en de werkzaamheden (zie rov. 4.1.4).

De hoogte van de door [geïntimeerde] in zijn berekening in aanmerking genomen betalingen

4.4.

Volgens [appellant] blijkt uit zijn administratie dat hij meer heeft betaald dan waarmee [geïntimeerde] in zijn vordering rekening heeft gehouden. [appellant] heeft dienaangaande verwezen naar de jaarstukken van zijn onderneming.

4.5.

De grief faalt op dit onderdeel. Immers, de juistheid van de jaarstukken is op dit punt door [geïntimeerde] betwist en aan die jaarstukken kan niet het bewijs worden ontleend dat daadwerkelijk door [appellant] is betaald tot het door hem gestelde bedrag. [appellant] heeft ter gelegenheid van het pleidooi aangegeven dat hij niet beschikt over betalingsbewijzen. Ook heeft hij medegedeeld dat hij geen bewijs kan leveren op dit punt en hij heeft ter gelegenheid van het pleidooi desgevraagd uitdrukkelijk medegedeeld van bewijslevering over dit onderwerp af te zien.

De toerekening van de gedane betalingen aan de diverse deelvorderingen

4.6.

Volgens [appellant] volgt uit artikel 6:17 BW dat de schuldenaar zelf bepaalt voor welk doel een betaling wordt gedaan. Het hof begrijpt dat [appellant] bedoelt te stellen dat de vordering van [geïntimeerde] onjuist is, omdat [geïntimeerde] in zijn berekening van die vordering de door hem ([appellant]) gedane betalingen op onjuiste wijze heeft toegerekend aan de diverse deelvorderingen.

4.7.

Indien een betaling door een schuldenaar kan worden toegerekend op twee of meer verbintenissen, zoals in dit geval aan de orde was, dan geschiedt de toerekening volgens artikel 6:43 lid 1 BW op de verbintenis welke de schuldenaar bij de betaling aanwijst. De stelling van [geïntimeerde] dat een dergelijke aanwijzing heeft ontbroken, is niet betwist door [appellant]. Volgens [geïntimeerde] heeft hij de betalingen toegerekend volgens hetgeen is bepaald in lid 2 van artikel 6:43 BW. Dat dit niet op goede wijze zou zijn geschied, heeft [appellant] naar het oordeel van het hof niet aangevoerd. Met zijn beroep op artikel 6:17 BW gaat [appellant] eraan voorbij dat van alternatieve verbintenissen geen sprake is geweest. Tussen partijen staat vast dat [appellant] tot het voldoen van (in ieder geval) twee verbintenissen was gehouden, te weten de lijfrente (4.1.2) en de aflossing op de geldlening (rov. 4.1.3). Indien sprake is geweest van schulden ter zake van de autolening en de werkzaamheden (rov. 4.1.4), dan zijn dat geen alternatieve verbintenissen geweest. Dat leidt ertoe dat het hof ook op dit onderdeel de grief verwerpt.

De autolening en de werkzaamheden

4.8.

[geïntimeerde] heeft de betalingen van [appellant] niet alleen toegerekend aan de lijfrente en de aflossing op de geldlening, maar over het jaar 1997 ook aan een geldlening ten behoeve van een auto en over de jaren 1997 tot en met 2000 ook aan facturen voor al dan niet door hem verrichte werkzaamheden (zie rov. 4.1.4). [appellant] heeft aangevoerd dat dit ten onrechte is gebeurd, omdat hij met [geïntimeerde] uitsluitend overeenstemming had bereikt over de lijfrente en de geldlening met betrekking tot het vennootschapskapitaal van [geïntimeerde], maar niet over de autolening en/of over de werkzaamheden. Volgens [appellant] heeft hij zodoende te veel aan [geïntimeerde] betaald.

4.9.

[appellant] heeft deze stelling ook in eerste aanleg ingenomen. In conventie heeft zich dat vertaald (althans zo begrijpt het hof dat) in een beroep op verrekening, en in reconventie in een vordering tot terugbetaling van hetgeen onverschuldigd is betaald. In zijn toelichting op grief I heeft [appellant] nader uiteengezet waarom volgens hem geen overeenstemming is bereikt over de autolening en/of de werkzaamheden. Het hof is van oordeel dat, om hierna te noemen redenen, in het midden kan blijven of partijen over laatstgenoemde twee onderwerpen al dan niet overeenstemming hebben bereikt.

4.10.

Zoals hiervoor al is vermeld, heeft [appellant] aan zijn beroep op verrekening de stelling ten grondslag gelegd, dat hij in het verleden te veel heeft betaald, omdat zijn betalingen ook zijn toegerekend aan de autolening en de werkzaamheden. Volgens [appellant] kon [geïntimeerde] daar niets voor bij hem in rekening brengen, omdat zij daarover geen overeenstemming hadden bereikt. Het hof begrijpt dat dit ook de grondslag is geweest van de reconventionele vordering van [appellant], althans [appellant] heeft die stelling van [geïntimeerde] in dit verband niet betwist. Die vordering is echter (na verwijzing door de kantonrechter naar de rechtbank) bij vonnis van 14 augustus 2013 afgewezen. Dat vonnis is in kracht van gewijsde gegaan en [geïntimeerde] heeft daar uitdrukkelijk een beroep op gedaan. Ingevolge artikel 236 lid 1 Rv heeft dat vonnis gezag van gewijsde gekregen. Voor het beroep op verrekening in conventie in dit hoger beroep, betekent dit dat ervan uitgegaan dient te worden dat [appellant] geen vordering meer heeft waarmee hij kan verrekenen.

4.11.

Voor zover uit het voorgaande al niet volgt dat het beroep op verrekening dient te falen, geldt nog het volgende. Het beroep op verrekening valt in dit geval niet op eenvoudige wijze vast te stellen, omdat daartoe nader onderzoek noodzakelijk is naar hetgeen partijen zijn overeengekomen. Het hof maakt (voor zover dat nog noodzakelijk zou zijn) gebruik van zijn in artikel 6:136 BW gegeven bevoegdheid om het beroep op verrekening te passeren. De gegrondheid van het verweer van [appellant] is immers niet op eenvoudige wijze vast te stellen en de vordering van [geïntimeerde] is overigens voor toewijzing vatbaar. In de vordering van [geïntimeerde] zijn geen bedragen begrepen ter zake de in geschil zijnde autolening en/of werkzaamheden. Voorts is van belang dat de door [appellant] in eerste aanleg geuite kritiek op de gehanteerde rente heeft geleid tot een wijziging van de eis van [geïntimeerde] en uiteindelijk tot een door de kantonrechter bij het eindvonnis zelf uitgevoerde berekening, waartegen geen grief is gericht.

4.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat grief I op alle onderdelen faalt. Voor zover niet alle onderwerpen in de toelichting op deze grief hiervoor zijn besproken, vindt dat zijn oorzaak in de voortbouwing daarvan op de hiervoor wel besproken uitgangspunten van [appellant] die allemaal onjuist zijn bevonden.

4.13.

Grief II mist zelfstandige betekenis en kan dus verder onbesproken blijven.

4.14.

Met grief III klaagt [appellant] over de aan [geïntimeerde] toegewezen buitengerechtelijke incassokosten. [appellant] heeft gesteld dat de vordering van [geïntimeerde] dient te worden afgewezen, althans dat [geïntimeerde] ten onrechte heeft volstaan met verwijzing naar drie brieven en wat e-mailcorrespondentie, althans dat het gaat om werkzaamheden waarop artikel 241 Rv van toepassing is, althans dat het toegewezen bedrag te hoog is.

4.15.

De grief slaagt. [geïntimeerde] heeft in antwoord op deze grief slechts aangevoerd dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de kosten zijn gemaakt in overeenstemming met Rapport Voorwerk II. Van [geïntimeerde] had echter verlangd mogen worden dat hij gespecificeerd had aangegeven welke buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Zijn stellingen in de inleidende dagvaarding zijn in te algemene termen geformuleerd en diverse van de aldaar genoemde werkzaamheden dienen te worden aangemerkt als kosten gericht op de voorbereiding van de procedure en de instructie van de zaak. Aan bewijslevering komt het hof niet toe omdat [geïntimeerde] in dit verband onvoldoende aan zijn daaraan voorafgaande stelplicht heeft voldaan.

4.16.

Grief IV is gericht tegen de proceskostenveroordeling. [appellant] heeft onder verwijzing naar artikel 237 Rv aangevoerd dat de kosten dienen te worden gecompenseerd omdat partijen broers zijn. Daarmee gaat [appellant] eraan voorbij dat de rechter de mogelijkheid heeft om de kosten te compenseren en dat daartoe geen verplichting bestaat. Het hof ziet geen aanleiding voor een kostencompensatie omdat het geschil geen verband heeft met de familiebetrekkingen tussen partijen, maar voortvloeit uit de afwikkeling van de ontbonden vennootschap onder firma waarvan zij de vennoten waren. Het hof verwerpt dus ook deze grief.

4.17.

De slotsom luidt dat de vonnissen van 11 juli 2012 en 7 november 2012 dienen te worden bekrachtigd, behoudens voor zover in laatstgenoemd vonnis aan [geïntimeerde] een bedrag van € 1.000,- is toegewezen ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Zoals hiervoor al onder 4.2.1. is opgenomen, betreft het in het dictum van het bestreden eindvonnis genoemde bedrag van € 15.027,23 een kennelijke verschrijving die het hof zal verbeteren. Uitsluitend omwille van de leesbaarheid van het dictum zal het hof eindvonnis geheel vernietigen en het dictum opnieuw formuleren. Het hof zal [appellant] als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht van 11 juli 2012 (zaaknummer 463940 CV EXPL 12-741);

vernietigt het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht van 7 november 2012 (zaaknummer 403940 CV EXPL 12-741) en doet opnieuw recht:

veroordeelt [appellant] om aan [geïntimeerde] te betalen een bedrag van € 15.023,27 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 1 januari 2011 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 513,17 aan verschotten en op € 600,00 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 683,00 aan verschotten en op € 2.682,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, M. van Ham en A.W. Rutten en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2014.