Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4499

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
03-11-2014
Zaaknummer
HV 200.131.592-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:2610
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf. Zorgregeling.

De beslissing omtrent het hoofdverblijf en de zorgregeling brengt met zich dat tevens omtrent het verzoek vervangende toestemming tot verhuizing wordt beslist. Het hof acht na een belangafweging van alle partijen de verhuizing in het belang van de minderjarige gerechtvaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 30 oktober 2014

Zaaknummer: HV 200.131.592/01

Zaaknummer eerste aanleg: 247251 / FA RK 12-2476_2

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A.P.J. van den Biggelaar,

tegen

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M. van Vliet.

5 De beschikking d.d. 31 juli 2014

Bij die beschikking heeft het hof onder meer:

een deskundigenonderzoek gelast zoals in het lichaam van die beschikking vermeld;

tot deskundigen benoemd mevrouw drs. [psycholoog] (psycholoog) en de heer mr. [advocaat] (advocaat);

in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing aangehouden;

bepaald dat de behandeling van deze zaak zal worden voortgezet ter zitting van dinsdag 23 september 2013 vanaf 13.30 uur tezamen met de zaak van partijen bekend onder nummer F 200.143.063/01 (alimentatie).

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van het deskundigenbericht van mevrouw drs. [psycholoog] en de heer mr. [advocaat], ingekomen ter griffie van het hof op 15 september 2014.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van den Biggelaar;

- de vader, bijgestaan door mr. Van Vliet;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [medewerker raad].

6.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 15 juli 2014;

- het V8-formulier ingediend door de advocaat van de moeder op 19 augustus 2014;

- het V6-formulier met bijlage ingediend door de advocaat van de moeder op 11 september 2014.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Uit het deskundigenbericht volgt, voor zover thans van belang, dat [de zoon] er belang bij heeft dat beide ouders in een gelijkwaardige positie als verzorger en opvoeder betrokken kunnen blijven. Indien de geografische afstand tussen partijen niet wordt overbrugd zal voortzetting van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet meer mogelijk zijn vanaf het moment dat [de zoon] naar school gaat. Er zal een regeling moeten worden getroffen waarbij [de zoon] het hoofdverblijf bij de moeder heeft en waarbij sprake is van een ruime contactregeling met de vader, zodat deze ook in de gelegenheid is om in voldoende mate als betrokken vader voor [de zoon] te blijven functioneren. [de zoon] zou dan door de week het hoofdverblijf bij de moeder kunnen hebben en één keer in de veertien dagen een lang weekend bij de vader kunnen verblijven, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen. De ouders hebben aangegeven dat [de zoon] voorts ook op roostervrije dagen of studiedagen van school bij de vader kan verblijven. Voorts zou [de zoon] een sport of een buitenschoolse activiteit in het weekend bij de vader in [woonplaats] kunnen beoefenen, ongeacht de woonplaats van moeder. Beide ouders hebben aangegeven daarin te kunnen en te willen participeren.

7.2.

De moeder is tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om op voornoemd advies van de deskundigen te reageren. Zij heeft – kort samengevat – het navolgende aangevoerd.

De moeder heeft de forensische mediation als positief ervaren, omdat zij hierdoor inzicht heeft gekregen in de verschillen in de persoonlijkheid van partijen. De moeder betreurt het dat de vader nog steeds externe mensen nodig heeft om samen met haar tot afspraken te komen. De communicatie over bijvoorbeeld de allergie van [de zoon] en de daarvoor noodzakelijk medische behandeling blijft moeizaam verlopen. De moeder kan zich verenigen met de bevindingen van de deskundigen, inhoudende dat zij [de zoon] structuur en stabiliteit kan bieden. Zij staat open voor een ruime contactregeling tussen de vader en [de zoon]. De moeder denkt daarbij aan een regeling waarbij [de zoon] drie van de vier weekenden of op woensdag, wanneer hij geen kinderfeestje heeft, bij de vader verblijft. De weekenden zouden eventueel nog kunnen worden verlengd indien op vrijdag de school eerder uit is dan wel wanneer sprake is van een roostervrije dag of studiedag. De moeder heeft – desgevraagd – verklaard dat zij geen bezwaar heeft tegen een eventuele ongelijke (in de zin dat zij een groter aandeel daarin draagt) haal- en brengregeling ter uitvoering van deze regeling.

7.3.

De vader is tijdens de voortgezette mondelinge behandeling in de gelegenheid gesteld om op voornoemd advies van de deskundigen te reageren. Hij heeft – kort samengevat – het navolgende aangevoerd.

De vader betreurt het dat partijen tijdens de forensische mediation geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. De vader heeft de moeder twee voorstellen gedaan waarop zij niet heeft gereageerd. De vader erkent dat hij op financieel gebied niet sterk staat, maar hij is van mening dat hij [de zoon] veel te bieden heeft, ondanks deze financiële beperkingen. Zo heeft hij nu alle tijd beschikbaar om [de zoon] op te vangen. De vader ziet niet in waarom zijn situatie minder stabiel zou zijn dan de situatie bij de moeder. De vader vindt een co-ouderschapregeling nog steeds de beste optie. Nu de huidige regeling volgens de bevindingen van de deskundigen en de raad niet in stand kan blijven moet er tussen de ouders “gekozen” worden. De vader stelt dat hij [de zoon] de beste zorg kan bieden. Indien er een zorgregeling tussen de moeder en [de zoon] zou moeten worden vastgesteld dan denkt hij daarbij aan een regeling waarbij [de zoon] drie van de vier weekenden van vrijdagmiddag uit school tot maandagochtend voor school bij de moeder verblijft. De vader merkt op dat hij niet meer in het bezit van een auto is en thans niet weet welke haal- en brengregeling ter uitvoering van de zorgregeling voor hem haalbaar is.

7.4.

De raad heeft tijdens de voortgezette mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende geadviseerd.

De raad acht het in het belang van [de zoon] dat de zorgregeling tussen [de zoon] en de ouder bij wie hij niet zijn hoofdverblijf heeft zo uitgebreid mogelijk is. De raad is van mening dat de vast te stellen regeling het beste kan aansluiten bij de schoolgang van [de zoon]. Op die manier heeft ook de andere ouder contact met de school en is de duur van het contactweekend maximaal. In ieder geval dient het ophalen van [de zoon] aan te sluiten bij de schoolgang van [de zoon]. Het wegbrengen naar school na afloop van het weekend is lastig vanwege de geografische afstand tussen partijen en mogelijke files.

7.5.

Het hof overweegt als volgt.

7.5.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

7.5.2.

Het hof zal in dit kader de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar afwegen.

Het hof stelt vast dat de vader er belang bij heeft dat de huidige (voorlopige) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zijnde een co-ouderschapregeling doorloopt. De vader heeft daartoe aangevoerd dat hij alle tijd heeft voor [de zoon] en een echte “vader” voor [de zoon] wil zijn. De moeder heeft er belang bij dat zij hoofdzakelijk de zorg krijgt voor [de zoon], nu zij van mening is dat zij [de zoon] meer structuur en stabiliteit kan bieden dan de vader. Het hof acht het in het belang van [de zoon] dat hem structuur en stabiliteit wordt geboden wat betreft zijn dagelijkse verzorging en opvoeding.

7.5.3.

Hoewel het belang van de vader bij handhaving van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken een te respecteren belang is, is het hof van oordeel dat het belang van [de zoon] dient te prevaleren. Het hof is naar aanleiding van de overgelegde stukken en het verhandelde tijdens de mondelinge behandelingen in hoger beroep van oordeel dat de handhaving van de huidige co-ouderschapregeling geen optie is. Door de verhuizing van de moeder naar [woonplaats] is de geografische afstand tussen partijen zo groot, dat de schoolgang van [de zoon] per oktober 2014 al met zich brengt, dat de huidige regeling feitelijk niet langer meer uitvoerbaar is.

7.5.4.

Het hof dient daarom te beoordelen bij wie van de ouders het zwaartepunt van de zorg voor [de zoon] dient te komen te liggen. Het hof overweegt hieromtrent dat zowel uit het deskundigenrapport alsmede uit het rapport van de raad d.d. 21 februari 2014 volgt dat de situatie bij de moeder op dit moment voor wat betreft de gezinsomstandigheden meer waarborgen biedt voor structuur en stabiliteit voor [de zoon] dan de situatie bij de vader. De raad heeft in zijn onderzoek geconstateerd dat er bij de moeder sprake is van twee beschikbare opvoeders en een financieel stabiele situatie. De vader moet veel terugvallen op zijn moeder, heeft geen financiële middelen en zal minder voor [de zoon] beschikbaar zijn als hij weer gaat werken. Daarbij komt dat ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader op 14 augustus 2014 is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en in dat kader de verplichting heeft om werk te zoeken. Het hof is, gelet op het vorenstaande, met de deskundigen en de raad van oordeel dat het zwaartepunt van de zorg voor [de zoon] bij de moeder dient te liggen en dat [de zoon] zijn hoofdverblijfplaats bij haar in [woonplaats] zal hebben.

7.5.5.

Het hof acht een regeling omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken als na te melden in het belang van [de zoon]. Zowel de deskundigen als de raad zijn het erover eens dat er een ruime regeling tussen [de zoon] en de vader dient te worden vastgesteld. Nu de moeder ter zitting van het hof een regeling heeft voorgesteld waarbij [de zoon] drie van de vier weekenden bij de vader verblijft, zal het hof deze regeling met ingang van de datum van deze beschikking vaststellen. Zoals de moeder zelf ter zitting heeft verklaard kan deze regeling eventueel op donderdagmiddag aanvangen wanneer [de zoon] op vrijdag een roostervrije dag of studiedag op school heeft. Het hof bepaalt voorts dat ter uitvoering van deze regeling de vader [de zoon] op vrijdagmiddag (of in het geval van een roostervrije dag of studiedag op vrijdag op donderdagmiddag) uit school ophaalt en de moeder [de zoon] op zondagmiddag om 17.00 uur bij de vader ophaalt. Daarnaast is de vader gedurende de helft van de vakanties en feestdagen gerechtigd tot contact met [de zoon], nader in onderling overleg te bepalen.

Ingeval de vader gedurende de tijd dat hij in de schuldsanering zit voor onoverkomelijke financiële problemen komt te staan bij de uitvoering van de haal- en brengregeling verwacht het hof van de moeder dat zij tenminste bij één van de drie weekeinden waarin [de zoon] bij de vader zal zijn, de bereidheid toont zowel het halen als het terugbrengen voor haar rekening te nemen.

7.5.6.

Het hof realiseert zich, dat met de beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling impliciet – en in afwijking van de eerdere beslissing van het hof d.d. 3 oktober 2013 – goedkeuring wordt gegeven aan de verhuizing van [de zoon] met moeder naar [woonplaats]. Het hof is van oordeel, dat de situatie in die zin afwijkt van die waarin eerder is beslist, dat thans vaststaat, dat beide ouders niet bereid zijn dichter bij elkaar te gaan wonen, dat [de zoon] vanaf zijn 4e jaar naar school gaat, dat moeder inmiddels hertrouwd is met haar in [woonplaats] woonachtige partner en een kind van hem verwacht en dat zij instemt met een zeer ruime contactregeling. Mede gelet op hetgeen hierboven onder 7.5.4. is overwogen en nu het belang van [de zoon] voorop dient te staan bij de te maken belangenafweging acht het hof deze verhuizing thans in het belang van [de zoon] gerechtvaardigd. Het belang van de vader bij een uitgebreider contact met [de zoon] dan hetgeen thans uit de situatie voortvloeit zou alleen te verwezenlijken zijn indien het hoofdverblijf van [de zoon] bij de vader zou worden bepaald. Dat belang dient echter niet te prevaleren boven het beschreven belang van [de zoon].

7.6.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen, behoudens voor wat betreft het bepaalde ten aanzien van de proceskosten.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juni 2013, behoudens voor wat betreft het bepaalde ten aanzien van de proceskosten;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt het hoofdverblijf van [de zoon], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], bij de moeder;

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [de zoon], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], de volgende regeling vast:

bepaalt dat [de zoon] met ingang van de datum van deze beschikking bij de vader verblijft drie van de vier weekenden waarbij de vader [de zoon] op vrijdagmiddag (indien vrijdag een roostervrije dag of studiedag op school is op donderdagmiddag) op school ophaalt en de moeder [de zoon] op zondag bij de vader om 17.00 uur ophaalt, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen nader in onderling overleg te bepalen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.E.M. Renckens en M.J. van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.