Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:449

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
HD 200.123.590_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huur bedrijfsruimte. Vordering tot betaling schadevergoeding in verband met niet correcte oplevering. Beroep op art. 6:89 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89, geldigheid: 2014-02-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.123.590/01

arrest van 18 februari 2014

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. L.F. Portier te Eindhoven,

tegen

Polyex Paint Industrial B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 7 mei 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Venlo, onder zaaknr. 339221/CV EXPL 12-1434 gewezen vonnis van 14 november 2012 tussen appellant in principaal hoger beroep – [appellant] – als eiser en geïntimeerde in principaal hoger beroep – PPI – als gedaagde.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 7 mei 2013;

- het proces-verbaal van comparitie na aanbrengen van 12 juni 2013;

- de memorie van grieven met producties;

- de memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel met producties;

- de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, het in het tussenarrest van 7 mei 2013 in r.o. 2.1 vermelde exploot van dagvaarding en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

6.1

In hoger beroep kan van de volgende feiten worden uitgegaan.

6.1.1

[appellant] is, tezamen met zijn echtgenote [appellant's echtgenote], eigenaar van een bedrijfspand, gelegen te [plaats] aan de [bedrijfspand] (hierna ook: het pand). [appellant's zoon], zoon van [appellant], exploiteerde, samen met diens echtgenote [echtgenote van appellant's zoon], in het pand een autobedrijf in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma, genaamd “Autobedrijf [Autobedrijf]” (hierna: de v.o.f.).

6.1.2

PPI exploiteert een bedrijf waarbij meubels worden gespoten. In 2008 had PPI ten behoeve van haar bedrijfsvoering tijdelijk de behoefte aan een spuitcabine en een mengafdeling.

6.1.3

[appellant] heeft in 2008 aan PPI een klein gedeelte van zijn pand verhuurd voor een bedrag van € 1.625,-- per maand. Het verhuurde omvatte een spuitcabine en mengafdeling. Door partijen is bij aanvang van de huur geen beschrijving van het gehuurde opgemaakt. In de door beide partijen overgelegde huurovereenkomst staat vermeld dat de overeenkomst is aangegaan voor de duur van 3 maanden, ingaande op 1 februari 2008 en lopende tot en met 30 april 2008. De spuitcabine en mengafdeling behoorden in eigendom toe aan de v.o.f.

6.1.4

[appellant] heeft het gehuurde tot en met 15 mei 2008 aan PPI ter beschikking gesteld. De oplevering van het gehuurde heeft op 15 mei 2008 plaatsgevonden.

6.1.5

De v.o.f. heeft (de inboedel van) haar bedrijf, waaronder de spuitcabine, per 1 oktober 2008 verkocht aan Autobedrijf [vestigingsnaam].

6.1.6

De rechtsbijstandsverzekeraar van de v.o.f. heeft bij brief van 13 november 2008 PPI aansprakelijk gesteld voor, onder meer, de schade aan de spuitcabine.

6.1.7

In opdracht van [appellant's zoon] heeft ITS Expertise B.V. (hierna: ITS) in december 2008 onderzoek gedaan naar de schade aan/in de spuitcabine en de mengafdeling. In haar rapportage van 25 februari 2009 heeft ITS de herstelkosten van het schoonmaken en waar nodig vervangen van de diverse vervuilde en niet meer te retourneren zaken, inclusief expertise kosten van € 880,--, begroot op € 10.189,50.

6.1.8

[appellant's zoon] heeft PPI bij dagvaardingsexploot van 19 februari 2010 in rechte betrokken en betaling gevorderd van vermeld bedrag van € 10.189,50. De rechtbank Roermond heeft deze vordering bij vonnis van 23 maart 2011 afgewezen nu van de door [appellant's zoon] ten aanzien van de spuitcabine en mengafdeling gestelde bruikleenovereenkomst met PPI naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was.

6.2.1

[appellant] vordert in dit geding veroordeling van PPI om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te voldoen een bedrag van € 10.000,-- exclusief BTW, te vermeerderen wettelijke rente, met veroordeling van PPI in de proceskosten. [appellant] stelt daartoe dat PPI is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten huurovereenkomst en dat PPI gehouden is de daardoor veroorzaakte schade aan [appellant] te vergoeden. [appellant] heeft aangevoerd dat PPI het gehuurde niet heeft opgeleverd in de staat waarin dit zich bevond bij aanvang van de overeenkomst nu de spuitcabine en de mengafdeling (ernstig) zijn vervuild met rubberachtige coating.

6.2.2

PPI heeft de vordering gemotiveerd bestreden. Zij heeft met een beroep op het bepaalde in artikel 6:89 BW onder meer aangevoerd dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd.

6.2.3

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] bij vonnis van 14 november 2012 afgewezen. [appellant] is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

6.3

[appellant] bestrijdt het vonnis van de kantonrechter met vijf grieven. Grief 4 is gericht tegen het oordeel dat [appellant] niet tijdig heeft geklaagd als bedoeld in artikel 6:89 BW. Het hof zal eerst deze grief behandelen. Het zal daarbij mede acht slaan op hetgeen [appellant] heeft aangevoerd in zijn toelichting op grief 2, die is gericht tegen het oordeel dat uit de door [appellant] overgelegde stukken, waaronder het hiervoor in 6.1.7 vermelde rapport van 25 februari 2009, niet kan worden afgeleid dat PPI verantwoordelijk is te houden voor de vervuiling, te meer niet nu het onderzoek heeft plaatsgevonden in december 2008 en vaststaat dat na oplevering op 15 mei 2008 derden gebruik hebben gemaakt van de spuitcabine.

6.3.1

Artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen. Bij de beantwoording van de vraag of tijdig is geklaagd op de voet van artikel 6:89 BW dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Voorts is van belang of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 6:89 BW vermeld - te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming - en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. Toepassing van artikel 6:89 BW vergt dus een waardering van belangen door de rechter, waarbij zowel het belang van de schuldeiser bij de handhaving van zijn rechten in aanmerking wordt genomen, als het belang van de schuldenaar dat zou worden geschaad doordat de schuldeiser niet binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd tegen de gebrekkige prestatie. In die beoordeling speelt het tijdsverloop tussen het moment waarop het gebrek in de prestatie is ontdekt of redelijkerwijs had moeten worden ontdekt en de klacht weliswaar een belangrijke, maar geen doorslaggevende rol. Een vaste termijn kan niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. (vgl. HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600 en HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7617).

6.3.2

[appellant] heeft in hoger beroep gesteld dat na afloop van de huurtermijn de spuitcabine en mengafdeling ernstig bleken te zijn vervuild, dat [appellant] en/of zijn zoon de directeur van PPI, de heer [directeur van PPI], daarop onmiddellijk hebben aangesproken en dat [directeur van PPI] bij herhaling heeft toegezegd het gehuurde netjes te zullen schoonmaken en op te leveren in de staat als bij aanvang van de huur. [appellant] heeft ter onderbouwing van deze stellingen verwezen naar verklaringen van derden, waaruit, aldus [appellant], volgt dat hij spoedig na het einde van de huurovereenkomst PPI op de vervuiling heeft gewezen en heeft verzocht om het gehuurde in de oude staat op te leveren.

PPI heeft onder meer gesteld dat medewerkers van PPI na beëindiging van de huurovereenkomst het gehuurde hebben schoongemaakt en dat bij oplevering, welke in het bijzijn van [appellant] werd uitgevoerd, niet erover is geklaagd dat de oplevering van het gehuurde niet zou voldoen. Voorts heeft PPI aangevoerd dat zowel tijdens de huurperiode als na 15 mei 2008 geen klachten zijn geuit en dat eerst bij brief van 13 november 2008 namens de v.o.f. melding ervan is gemaakt dat de spuitcabine ernstig zou zijn vervuild.

6.3.3

Het hof stelt vast dat [appellant] in dit verband kennelijk doelt op de verklaringen van [appellant's echtgenote], [getuige 1.], [getuige 2.] en [getuige 3.] (producties 4, 5, 6 en 7 mvg, aangehaald in de toelichting op grief 3), uit welke verklaringen volgt dat, zoals door [appellant] is gesteld en door PPI niet is weersproken, [directeur van PPI] in de laatste week van juli 2008 mondeling door [appellant] erop is aangesproken dat de spuitcabine en mengafdeling ernstig waren vervuild en toen is verzocht om het gehuurde alsnog schoon op te leveren. Dat [appellant] reeds bij gelegenheid van de oplevering in mei 2008 klachten heeft geuit over de vervuiling is niet door [appellant] gesteld en volgt ook niet uit de andere door [appellant] overgelegde verklaringen. Dat de vervuiling op het moment van oplevering niet zichtbaar zou zijn geweest, is gesteld noch gebleken. Voorts is niet gebleken dat er bij gelegenheid van de oplevering een inspectierapport is opgemaakt waaruit van op dat moment aanwezige vervuiling of van nadere afspraken over de oplevering zou kunnen blijken. Evenmin is door [appellant], zoals de kantonrechter in hoger beroep onbestreden heeft overwogen, direct na de oplevering een ingebrekestelling verzonden waaruit de klachten voor PPI kenbaar waren geweest. Hoewel het enkele tijdsverloop van ruim twee maanden tussen de datum van oplevering en het (mondeling) uiten van klachten over de oplevering in juli 2008, gelet op het ingrijpende rechtsgevolg van te laat protesteren, op zichzelf nog geen beroep op artikel 6:89 BW rechtvaardigt, weegt het niet reeds bij of direct na oplevering uiten van klachten naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval zwaar. Door [appellant] is namelijk niet bestreden de vaststelling van de kantonrechter in r.o. 4.3 dat na 15 mei 2008 derden gebruik hebben gemaakt van de spuitcabine. PPI heeft in verband hiermee gesteld dat zij in haar verdediging is benadeeld. Het hof volgt PPI hier in. Weliswaar is tussen partijen niet in geschil dat de vervuiling is veroorzaakt door rubberachtige coating en dat PPI met deze coating heeft gewerkt, maar uit de door [appellant] gestelde omstandigheid dat vóór de komst van PPI eerder geen gebruik was gemaakt van dit materiaal volgt nog niet dat ná het vertrek van PPI derden niet met dergelijke coating hebben gewerkt. In het bijzonder is door [appellant] niet gesteld dat de op verzoek van PPI aangebrachte elektriciteitsaansluiting (die nodig was voor het werken met rubbercoating, vgl. toelichting op grief 2) na het vertrek van PPI is verwijderd of dat het apparaat waarmee de coating werd aangebracht bijvoorbeeld na de beëindiging van de huurovereenkomst door PPI is meegenomen althans zich niet meer in het gehuurde bevond. De stelling van [appellant] dat Autobedrijf [vestigingsnaam], aan wie de spuitcabine per 1 oktober 2008 is verkocht, niet werkt met rubbercoating laat nog steeds de mogelijkheid open dat in de periode tussen oplevering en de laatste week van juli 2008 derden met deze coating hebben gewerkt. Dat de bewijslast van de stelling dat de vervuiling/beschadiging van het gehuurde is veroorzaakt door PPI, bij gebreke van een van het verhuurde opgemaakte beschrijving, ingevolge het bewijsvermoeden van (artikel 7:218 lid 3 jo.) artikel 7:224 lid 2 BW op [appellant] rust, laat onverlet dat PPI, in het geval dat zij wordt toegelaten tot tegenbewijs tegen een (voorshands) bewijsoordeel in het voordeel van [appellant], toch het nadeel lijdt dat zij geen kennis draagt van de wijze waarop derden in de periode na oplevering (tot eind juli 2008) de spuitcabine en mengafdeling hebben gebruikt. Gelet op de belangen van PPI als huurster had het op de weg van [appellant] als verhuurder gelegen reeds bij gelegenheid van de oplevering klachten te uiten. Dat [appellant] dit heeft nagelaten, moet, gelet op de benadeling in bewijspositie van PPI, in het onderhavige geval voor rekening van [appellant] blijven. Dit geldt ook indien zou komen vast te staan dat, zoals [appellant] stelt en PPI nadrukkelijk betwist, PPI eind juli 2008 nog zou hebben toegezegd de spuitcabine in de oude staat te zullen herstellen, aangezien op dat moment de rechten van [appellant] uit de huurovereenkomst reeds waren komen te vervallen en niet is gesteld of gebleken dat PPI in verband met deze toezegging geen rechtsgeldig beroep op artikel 6:89 BW zou toekomen dan wel afstand heeft gedaan van haar recht om op die bepaling alsnog een beroep te doen.

6.3.4

Het hof is op grond van het bovenstaande van oordeel dat het beroep van PPI op artikel 6:89 BW slaagt en dat grief 4 dus faalt. Dit brengt mee dat de vordering van [appellant] niet kan worden toegewezen. De overige grieven behoeven geen behandeling.

6.3.5

[appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat het hof aan het door [appellant] aan het slot van grief 4 gedane bewijsaanbod voorbijgaat.

6.4

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, te vermeerderen met de door PPI gevorderde wettelijke rente.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van PPI worden begroot op € 683,-- aan verschotten en op € 894,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente op de voet van artikel 6:119 BW indien betaling daarvan niet binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, P.Th. Gründemann en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2014.