Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4456

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-10-2014
Datum publicatie
31-10-2014
Zaaknummer
HD 200.105.235_01
Formele relaties
Na prejudiciële beslissing van : ECLI:NL:HR:2014:2804
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zes dagen voor de dienende dag gevraagd uitstel voor het nemen van een memorie na getuigenverhoren is pas op de dienende dag geweigerd, waarbij het recht om een memorie na getuigenverhoren te nemen verviel. Het hof komt bij vervolgarrest terug van die weigering, omdat de weigering ten onrechte zo laat kenbaar is gemaakt dat het alsnog nemen van de memorie niet meer mogelijk was. Vergelijk HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.105.235/01

arrest van 28 oktober 2014

in de zaak van

Snackworld B.V., tevens h.o.d.n. FHC Formulebeheer,

gevestigd te [vestigingsplaats 1],

appellante in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als Snackworld,

advocaat: mr. B.G. Baljet te IJmuiden,

tegen

1 [geïntimeerde 1] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde sub 1 in principaal hoger beroep,

appellante sub 1 in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1],

advocaat: mr. R.H.G.M. Kerckhoffs te Maastricht,

2. [C&E] Communication & Events B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde sub 2 in principaal hoger beroep,

appellante sub 2 in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [C&E],

advocaat: mr. R.H.G.M. Kerckhoffs te Maastricht,

3. Creative Principals B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 2],

geïntimeerde sub 3 in principaal hoger beroep,

hierna aan te duiden als Creative Principals,

niet verschenen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 29 mei 2012 en 24 december 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht onder zaaknummer 159882/HA ZA 11-285 gewezen vonnis van 14 december 2011.

Het hof zal de geïntimeerden sub 1 en 2 in principaal appel tezamen aanduiden als [geïntimeerden]

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 december 2013;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 17 maart 2014;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting van getuigenverhoor van 7 mei 2014;

  • -

    het proces-verbaal van contra-enquête van 7 juli 2014;

  • -

    de rolbeslissing van 2 september 2014, waarbij aan [geïntimeerden] uitstel voor het nemen van een memorie na enquête is geweigerd;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van Snackworld.

Partijen hebben arrest gevraagd.

8 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

8.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof [geïntimeerden] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stellingen:

  1. dat [directeur geïntimeerde 1] omstreeks begin 2007 heeft toegezegd dat op de facturen voor de door [geïntimeerde 1] voor SEM dan wel Snackworld te verrichten werkzaamheden een bedrag van € 25.000,-- excl. btw in mindering zou worden gebracht vanwege de budgetoverschrijding die er in 2006 was geweest;

  2. dat [geïntimeerde 1] met ingang van februari 2007 volgens de nieuwe manier is gaan werken met goedkoper papier en volgens de efficiëntere werkafspraken.

8.2.

Ter levering van dit tegenbewijs hebben [geïntimeerden] vijf getuigen laten horen. Snackworld heeft in contra-enquête drie getuigen laten horen. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van dinsdag 2 september 2014 voor memorie na enquête aan de zijde van [geïntimeerden]

8.3.

Op dinsdag 2 september 2014 heeft de rolraadsheer een door [geïntimeerden] gevraagd uitstel voor het nemen van de memorie na enquête afgewezen en de zaak verwezen naar de rol van dinsdag 30 september 2014 voor memorie van antwoord na enquête aan de zijde van Snackworld. Snackworld heeft op die datum een memorie van antwoord na enquête genomen.

8.4.1.

Het hof ziet aanleiding om de rolbeslissing van 2 september 2014, waarbij het door [geïntimeerden] gevraagde uitstel voor het nemen van een memorie na enquête is geweigerd, te heroverwegen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

8.4.2.

Bij arrest van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2804, heeft de Hoge Raad moeten oordelen over een situatie waarin een appellante op 25 juni 2013 (peremptoir) van grieven moest dienen. De appellante in die zaak vroeg op 14 juni 2013 uitstel op grond van klemmende redenen (met onjuist formulier en zonder vermelding van de klemmende redenen). Op 25 juni 2013 heeft de rolraadsheer daarop akte niet dienen verleend. Het hof heeft de appellante vervolgens bij arrest van 16 juli 2013 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, op de grond dat zij tegen het beroepen vonnis geen grieven heeft aangevoerd. De appellante heeft daartegen cassatieberoep ingesteld. Op dat cassatieberoep heeft de Hoge Raad de beslissing van de rolraadsheer en het arrest van het hof vernietigd. De Hoge Raad heeft daartoe in rov. 3.4 van zijn arrest het volgende overwogen:

“Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 17 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1774, NJ 2013/376, strekt het aan art. 1.9 pilotreglement identieke art. 1.9 LPR ertoe dat vóór de afloop van de desbetreffende termijn komt vast te staan of het gevraagde uitstel al dan niet wordt verleend, klaarblijkelijk opdat – in het laatste geval – de verzoeker de gelegenheid heeft de proceshandeling waarvoor uitstel was gevraagd zo mogelijk alsnog tijdig te verrichten. Hiermee strookt dat de beslissing op een tijdig ingediend verzoek om uitstel voor het verrichten van een proceshandeling als de onderhavige, dat slechts op grond van klemmende redenen toewijsbaar is, in alle gevallen, en dus ongeacht of het juiste H-formulier is gebruikt en of daarin klemmende redenen zijn vermeld, gegeven wordt op een zodanig tijdstip dat in geval van weigering de verzoeker nog de gelegenheid heeft de proceshandeling tijdig te verrichten.

In het onderhavige geval heeft [eiseres] op 14 juni 2013, en dus tijdig in de zin van art. 1.9 pilotreglement, een verzoek om nader uitstel ingediend. De afwijzende beslissing van de rolraadsheer op dat verzoek had derhalve op zodanig tijdstip vóór 25 juni 2013 gegeven moeten worden dat [eiseres] nog in de gelegenheid zou zijn geweest de memorie van grieven te nemen. Die beslissing is echter pas op 25 juni 2013 genomen.”

8.4.3.

Uit dit arrest volgt dat een beslissing op een verzoek om uitstel dat tijdig in de zin van artikel 1.9 van het pilotreglement is ingediend (uiterlijk vier dagen voor afloop van de termijn), moet worden gegeven op een zodanig tijdstip dat de verzoeker in geval van weigering nog de gelegenheid heeft om de proceshandeling te verrichten. In het onderhavige geval is het verzoek om uitstel ingediend op woensdag 27 augustus 2014, derhalve zes kalenderdagen (vier werkdagen) voor de dienende dag. Als het hof de beslissing tot afwijzing van het verzoek nog voor het weekend, dus uiterlijk op vrijdag 29 augustus 2014, aan de advocaat van [geïntimeerden] kenbaar zou hebben gemaakt, zouden [geïntimeerden] wellicht de memorie na enquête alsnog op dinsdag 2 september 2014 hebben kunnen nemen. Naar het oordeel van het hof volgt uit het arrest van de Hoge Raad dat het verzoek om uitstel in de onderhavige zaak ten onrechte pas op dinsdag 2 september 2014 is afgewezen. Dit brengt mee dat [geïntimeerden] alsnog tot het verrichten van de betreffende proceshandeling in de gelegenheid moeten worden gesteld.

8.4.4.

Het hof zal de zaak daarom verwijzen naar de rol van dinsdag 25 november 2014 voor memorie na enquête aan de zijde van [geïntimeerden] Een antwoordmemorie na enquête van Snackworld wordt niet verwacht. Zij heeft die immers al genomen.

9 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 november 2014 voor memorie na enquête aan de zijde van [geïntimeerden] (geen antwoordmemorie);

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, S.M.A.M. Venhuizen en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 oktober 2014.