Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4426

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-10-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
20-000039-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een mededeling in de trant van 'ze moesten je ... (doodmaken e.d.) is niet aan te merken als bedreiging in de zin van artikel 285 WvSr

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000039-14

Uitspraak : 27 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 januari 2014, parketnummer 02-066541-13 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-094914-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te[geboorteplaats] op[geboortedatum],

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep, op tegenspraak gewezen, is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 week. Voorts heeft de eerste rechter de tenuitvoerlegging van de straf bevolen in de zaak met parketnummer 02-094914-11.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde bedreiging van [slachtoffer 2] en van hetgeen onder gedachtestreepje 4 (bedreiging op 14 november 2012) ten laste is gelegd.

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd voor zover dit ziet op [slachtoffer 1] onder gedachtestreepjes

1. en 5. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen met uitzondering van de straf en te dien aanzien, opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf van 20 uur, subsidiair 10 dagen. Voorts heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging gevorderd van de in de zaak met parketnummer

02-094914-11 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 maand, met dien verstande dat de gevangenisstraf zou dienen te worden omgezet in een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Namens verdachte is primair integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit en afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging.

Subsidiair heeft de verdediging verzocht om voor wat betreft de strafoplegging te volstaan met oplegging van een geldboete, te betalen in termijnen. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht om de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot 1 dag in combinatie met een taakstraf dan wel geldboete. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 02-094914-11 heeft de verdediging verzocht om deze bij toewijzing om te zetten in een taakstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 7 juni 2012 tot en met 18 november 2012 te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk en/of te Langeweg, gemeente Moerdijk, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte (telkens) opzettelijk dreigend op Facebook (een) bericht(en) geplaatst/gezet:

- op 7 juni 2012: “kanker [slachtoffer 1] zoek je op maak je af door jou moet 49 zitten met je kut motor waar jij in Klunder heb gereden met kut moeter en mijn de schuld geefen je gaat er nu zoek je kankker hond leven is voor jou bij" en/of

- op 07 augustus 2012 (via [derde]): “moe ben je altijd vlikker betalen ho maar denk maar niet dat je er vanaf bent in je kist dan kun je zeggen dat je moet bent” en/of

- op 12 november 2012: “allemaal vlikker hier vooral die vlikker met die baby die 2 dumpe in de diepste zee en de baby aan goed ouders geefen dan kom er iets van terecht van dat kind nu helemaal niks" en/of

- op 18 november 2012: "ik praat heel maal niet meer op die kut facebook die [slachtoffer 1] moeten in een groote kist stoppen en in de vik zetten en dan af zinken koma iedereen wie durft wat te zeggen gooi gelijk eruit",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging, anders dan in de geciteerde Facebook berichten, taal- en/of schrijffouten of omissies voorkwamen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 juni 2012 te Standdaarbuiten, gemeente Moerdijk, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend op Facebook een bericht geplaatst:

- op 7 juni 2012: “kanker [slachtoffer 1] zoek je op maak je af je kankker hond leven is voor jou bij".

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Het hof is in het bijzonder van oordeel dat mededelingen in de trant van ‘ze moesten je ..(doodmaken, in zee dumpen, in de fik zetten etc.)’ niet kunnen worden aangemerkt als bedreigingen in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling, die aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Namens verdachte is integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat gelet op a. de omstandigheid dat verdachte en [slachtoffer 1] in het verleden bevriend waren, b. het onduidelijke en algemene taalgebruik in de berichten en c. de context waarbinnen de uitingen door verdachte zijn gedaan, de berichten niet zijn aan te merken als (telkens) bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht, maar slechts zijn aan te merken als een uiting van frustratie of boosheid.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Voor bedreiging met bepaalde ernstige misdrijven in de zin van artikel 285, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, is vereist dat de bedreiging van dien aard was en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij het slachtoffer de redelijke vrees kon ontstaan dat aan de bedreiging uitvoering zou kunnen worden gegeven, dat het opzet van verdachte op het teweegbrengen van zulk een indruk was gericht en dat het slachtoffer van de bedreiging kennis heeft genomen.

Zowel in zijn verklaring ten overstaan van de politie als in zijn verklaringen afgelegd bij de politierechter en bij het hof, heeft verdachte naar voren gebracht dat hij [slachtoffer 1] verweet geld en goederen van hem gestolen te hebben en schade aan de auto van zijn vader te hebben toegebracht, maar dat [slachtoffer 1], ondanks herhaaldelijk daarop te zijn aangesproken, niet bereid was om geld te betalen of goederen terug te geven. Verdachte heeft uiteindelijk, derhalve niet in een opwelling, het bewezenverklaarde bericht op zijn Facebookpagina geplaatst, waarbij hij ook de bedoeling had om [slachtoffer 1] bang te maken. [slachtoffer 1] heeft daarvan kennis genomen en heeft bij zijn aangifte verklaard dat hij weet dat verdachte tot alles in staat is en dat hij bang is voor verdachte.

Het hof stelt vast dat het in de bewezenverklaring voorkomende bericht moet worden begrepen en door [slachtoffer 1] kennelijk ook is begrepen als: kanker [slachtoffer 1], ik zoek je op en maak je af, kanker hond, het leven is voor jou voorbij. Gelet op de aard en inhoud van de aldus door verdachte gebezigde woorden, welke naar oordeel van het hof voldoende concreet zijn en waarvan de strekking eveneens voldoende duidelijk is, alsmede de omstandigheden waaronder verdachte deze heeft geuit, zoals uit de bewijsmiddelen naar voren komt, is het hof van oordeel dat hier geen sprake is van een uiting van frustratie of boosheid, maar dat bij [slachtoffer 1] de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte zijn voornemen tot uitvoering zou brengen. Mitsdien is het bewezenverklaarde aan te merken als bedreiging in de zin van de wet.

Gelet op het vorenstaande verwerpt het hof het verweer.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

  • -

    de mate waarin het bewezen verklaarde feit gevoelens van angst en onveiligheid bij [slachtoffer 1] heeft veroorzaakt alsmede

  • -

    de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de eerste rechter.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d.
    10 september 2014, waaruit blijkt dat verdachte ter zake van soortgelijke strafbare feiten reeds eerder onherroepelijk door de strafrechter is veroordeeld;

  • -

    de omstandigheid dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde heeft plaatsgevonden inmiddels geruime tijd is verstreken en verdachte nadien niet meer in aanraking met politie en/of justitie is gekomen;

  • -

    de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die inmiddels in gunstige zin lijken te zijn gewijzigd alsmede

  • -

    de overige bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen acht het hof, anders dan de raadsman van verdachte, maar met de advocaat-generaal, het opleggen van een taakstraf voor het hieronder te vermelden aantal uren de meest passende straf.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Aan de veroordeelde is bij vonnis van de Politierechter te Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2011 onder parketnummer 02-094914-11 onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand opgelegd. Het openbaar ministerie te Zeeland-West Brabant heeft de tenuitvoerlegging van die straf gevorderd.

Het hof is, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat - nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbaar handelen heeft schuldig gemaakt - gedeeltelijke tenuitvoerlegging van die straf op zijn plaats is.

Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat, op grond van hetgeen omtrent de veroordeelde ter terechtzitting is gebleken, omzetting van de vrijheidsstraf in een taakstraf aangewezen is. Mitsdien zal het hof, in plaats van de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, uitvoering van een taakstraf gelasten, voor het hierna te vermelden aantal uren.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Gelast de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Zeeland-West-Brabant van 18 mei 2011, parketnummer 02-094914-11, te weten van een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen, te vervangen door een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. R.C.A.M. Philippart en mr. J.M. Reijntjes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.A.H. Tappenbeck, griffier,

en op 27 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. R.C.A.M. Philippart is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.