Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4412

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
F 200.140.353-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverlijf.

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 23 oktober 2014

Zaaknummer: F 200.140.353/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/259668 / FA RK 13-1048

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. W.G.P. Berkers,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.M. de Winther-Meijers.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 16 januari 2014, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man is gehouden met een bedrag van € 1.396,- per maand bij te dragen in de kosten van haar levensonderhoud, althans een zodanig bedrag als bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 februari 2014, heeft de man primair verzocht het appel van de vrouw af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen.

Subsidiair heeft de man verzocht te bepalen dat hij met ingang van 25 oktober 2013, althans met ingang van een datum door het hof in goede justitie te bepalen, (in geval dat het hof bepaalt dat [dochter] haar hoofdverblijf krijgt bij de man) met een bedrag van € 350,- per maand, althans met een bedrag als het hof juist acht, dan wel (in geval dat het hof bepaalt dat [dochter]haar hoofdverblijf houdt bij de vrouw) met een bedrag van € 369,- per maand, althans met een bedrag dat het hof juist acht, dient bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Voorts heeft de man verzocht de door hem te betalen partneralimentatie te limiteren in dier voege dat de door de man te betalen partneralimentatie slechts wordt toegekend voor een bepaalde termijn/tijd (artikel 1:157 lid 3 BW) en wel tot uiterlijk 7 april 2016 dan wel een termijn als het hof juist acht.

2.2.1.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen doch uitsluitend voor zover het betreft het door de rechtbank vastgestelde hoofdverblijf van [dochter], de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [dochter] en de door de rechtbank vastgestelde door de man te betalen kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende:

- te bepalen dat [dochter] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben;

- te bepalen dat de man met ingang van 25 oktober 2013, althans met ingang van een datum die het hof juist acht, met een bedrag van € 76,04 per maand, althans met een bedrag dat het hof juist acht, dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] (in het geval het hof bepaalt dat [dochter] haar hoofdverblijf heeft bij de man), dan wel met een bedrag van € 123,30 per maand, althans met een bedrag dat het hof juist acht (in het geval het hof bepaalt dat [dochter] haar hoofdverblijf houdt bij de vrouw);

- te bepalen dat de behoefte van [dochter] dient te worden vastgesteld op een bedrag van € 189,70 per maand, althans op een bedrag dat het hof juist acht.

2.2.2.

Voorts heeft de man zijn verzoek vermeerderd en verzocht te bepalen dat de vrouw de door de man betaalde partneralimentatie over de periode vanaf 25 oktober 2013 aan de man dient terug te betalen en de vrouw daartoe te veroordelen.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 3 april 2014, heeft de vrouw verzocht het incidentele appel van de man af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen en voormelde beschikking te bekrachtigen ten aanzien van het hoofdverblijf van [dochter], de door de rechtbank vastgestelde behoefte van [dochter] en de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie.

Ten aanzien van het verzoek van de man om te bepalen dat de aan de vrouw door de man betaalde partneralimentatie over de periode vanaf 25 oktober 2013 door de vrouw dient te worden terugbetaald, verzoekt de vrouw de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek af te wijzen als zijnde ongegrond en niet steunend op de wet.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 juli 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Berkers;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. De Winther-Meijers.

2.4.1.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 september 2013;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 27 januari 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de vrouw, ingekomen ter griffie op 8 april 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de man, ingekomen ter griffie op 3 juli 2014;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 4 juli 2014;

  • -

    de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 14 juli 2014.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 17 januari 2012 gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [dochter] (hierna: [dochter]) geboren.

3.2.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 5 februari 2014 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat het hoofdverblijf van [dochter] bij de vrouw zal zijn en dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] moet voldoen een bedrag van € 175,- per maand met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw ter zake een bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen.

3.3.

Partijen kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4.

De grieven van de vrouw richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot haar behoefte en de afwijzing van haar verzoek inzake een bijdrage in haar levensonderhoud.

De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het hoofdverblijf van [dochter], de behoefte van [dochter] en zijn draagkracht.

De grieven van de vrouw en de man lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

Hoofdverblijf [dochter]

3.5.

In zijn eerste incidentele grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat [dochter] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben.

Volgens de man verbleef [dochter] van [geboortedatum] tot ongeveer eind september 2012 voornamelijk bij de vrouw, maar heeft zij in de maanden oktober, november en december 2012 het merendeel van de dagen bij de man verbleven. Vanaf 8 januari 2013 tot 28 februari 2013 verbleef [dochter] enkel bij de man en vanaf 28 februari 2013 verblijft zij vier dagen per week bij de man en drie bij de vrouw.

Voorts stelt de man dat de vrouw zonder zijn toestemming met [dochter] naar [woonplaats van de vrouw] is verhuisd. De man kan erkennen dat het noodzakelijk was dat de vrouw ging verhuizen omdat haar toenmalige woning te klein was en in een onveilige, niet-kindvriendelijke buurt lag. De man had de vrouw echter al maanden voor de verhuizing aangeboden om voor haar een woning te huren in de buurt van de school van de andere kinderen van de vrouw. De vrouw heeft dit voorstel van de man echter afgewezen.

De man is van mening dat de raad en de rechtbank consequenties hadden moeten verbinden

aan de keuze van de vrouw om te verhuizen naar [woonplaats van de vrouw]. De man acht het in het belang van [dochter] dat de zorgtaken tussen partijen min of meer gelijkelijk verdeeld blijven zoals thans het geval is. Door de verhuizing heeft de vrouw vanaf het moment dat [dochter] naar school gaat, iedere vorm van co-ouderschap feitelijk onmogelijk gemaakt.

Voorts stelt de man dat hij open staat voor een ruime contactregeling tussen [dochter] en de vrouw. Daarnaast zitten er ook praktische voordelen aan het hoofdverblijf van [dochter] bij de man omdat de man dan in aanmerking komt voor de alleenstaande ouderkorting.

3.6.

In haar verweerschrift stelt de vrouw dat de rechtbank terecht het advies van de raad heeft opgevolgd en het hoofdverblijf van [dochter] bij haar heeft bepaald. De vrouw is van mening dat het streven naar een meer evenwichtige verhouding tussen de ouders terecht is. De vrouw is eens met de stelling van de man dat het belang van [dochter] voorop dient te staan. De vrouw betwijfelt echter of de man het belang van [dochter] voorop stelt, nu hij diverse malen feitelijke onjuistheden over de vrouw verkondigd heeft en, zowel bij de raad als bij de huisarts, het AMK, het consultatiebureau en de school, een zeer negatief beeld van de vrouw heeft geschetst.

Ten aanzien van haar verhuizing naar [woonplaats van de vrouw] merkt de vrouw op dat zij zich in een overmachtsituatie bevond aangezien zij haar woning in [voormalige woonplaats] niet langer kon bewonen dan tot 10 juni 2013. De vrouw beschouwt de verhuizing als noodzakelijk, aangezien zij in [woonplaats van de vrouw], in tegenstelling tot in [voormalige woonplaats], een ‘sociale’ woning kon huren. Verder vond de vrouw het niet aantrekkelijk om op het aanbod van de man terzake het huren van een woning in te gaan omdat de man de vrouw kort daarvoor in een financieel onmogelijke situatie had geplaatst en omdat het voor partijen van belang was om (financieel) van elkaar los te komen.

Naar de mening van de vrouw is co-ouderschap in de toekomst wel degelijk mogelijk. Volgens de vrouw heeft de advocaat van de man voor de zitting in verband met de wijziging van de voorlopige voorziening op 5 maart 2014 aangegeven dat de man voornemens is ook naar [woonplaats van de vrouw] te verhuizen.

3.7.

In zijn rapport van 21 mei 2013 heeft de raad aangegeven dat beide ouders beschikken over pedagogische kwaliteiten die als aanvullend kunnen worden gezien (de duidelijkheid en ervarenheid van de vrouw en de rustige aansluiting zoekende benadering van de man). De raad is dan ook van mening dat beide ouders in principe in staat zijn om voor [dochter] te zorgen en haar veiligheid te bieden. Volgens de raad wordt, wanneer beide ouders een evenredig aandeel in de zorg voor [dochter] hebben, de toewijzing van het hoofdverblijf een meer administratief gegeven dan een punt waarbij de belangen van [dochter] zwaarwegend naar voren komen. Duidelijk moet zijn dat het hoofdverblijf niet impliceert dat de ouder bij wie het hoofdverblijf is, meer zeggenschap heeft. De raad verwacht dat een toewijzing van het hoofdverblijf aan de vrouw bijdraagt aan een meer evenwichtige verhouding tussen de ouders. De raad concludeert dat het in het belang van [dochter] is wanneer de hoofdverblijfplaats van [dochter] bij de vrouw wordt bepaald.

3.8.

Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.8.2.

In het kader van de voorlopige voorzieningen is bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 31 januari 2013, welke beschikking is aangevuld bij beschikking van 22 februari 2013, inzake de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld dat [dochter] elke week van donderdagochtend tot zaterdagavond 18.00 uur bij de vrouw verblijft en van zaterdagavond 18.00 uur tot donderdagochtend bij de man. Bij beschikking van 10 juli 2013 is deze voorlopige regeling gewijzigd, in die zin dat het wisselmoment niet meer op donderdagochtend is, maar dat de man [dochter] op woensdag naar de vrouw brengt en dat hij haar daar op zaterdagavond om 18.00 uur weer ophaalt.

Bij de bestreden beschikking is de navolgende – tussen partijen overeengekomen – regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld: “[dochter] verblijft de ene week bij de man van zaterdagavond 18.00 uur tot dinsdagmiddag 14.00 uur of dinsdagavond 19.00 uur – in onderling overleg te bepalen – en de andere week van zaterdag 18.00 uur tot woensdagmiddag 14.00 uur of woensdagavond 19.00 uur, - in onderling overleg te bepalen -, waarbij de man [dochter] haalt en brengt”.

Blijkens voornoemde beschikkingen hebben de ouders een ongeveer gelijk aandeel in de zorg voor [dochter]. Het grootste struikelblok voor voortzetting van deze zorgregeling of een soortgelijke zorgregeling vormt de beslissing van de vrouw om zonder overleg met de man te verhuizen naar [woonplaats van de vrouw]. Door deze verhuizing wordt, bij het bereiken van de schoolgerechtigde leeftijd van [dochter], een verdeling van de zorg van [dochter] waarbij ieder van partijen afwisselend een deel van de tijd zijn/haar rol als verzorgende ouder kan voortzetten, ernstig bemoeilijkt.

De vader heeft te kennen gegeven dat hij zijn appartement reeds te koop heeft gezet en dat hij na de verkoop ervan voornemens is te verhuizen naar [woonplaats van de vrouw], zodat de huidige contactregeling voortgezet kan worden wanneer [dochter] naar de basisschool gaat. De vrouw heeft verklaard dat zij de huidige regeling niet acceptabel acht indien [dochter] naar basisschool gaat en de man nog niet in [woonplaats van de vrouw] woont. Volgens de vrouw dient er dan voor de man een (iets uitgebreidere) weekendregeling te worden vastgesteld.

3.8.3.

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw door in juni 2013 naar [woonplaats van de vrouw] te verhuizen de mogelijkheid om tot een evenwichtige verdeling van de zorgtaken te komen, waarbij recht gedaan wordt aan de wens van beide ouders om een substantiële rol te spelen in de verzorging en opvoeding van [dochter], onmogelijk gemaakt. De vrouw heeft gesteld dat zij, gezien haar jarenlange inschrijving voor een huurwoning in de gemeente Wijk en Aalburg, geen andere mogelijkheid had dan de haar aangeboden sociale eengezinswoning in [woonplaats van de vrouw] te accepteren. Het hof acht deze, door de man betwiste, stelling echter onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft onvoldoende aangetoond dat een verhuizing naar [woonplaats van de vrouw] voor haar de enige optie was, temeer nu de man aangeboden heeft een woning voor haar en de kinderen te huren. Verder was de vrouw ook vanwege haar werk niet genoodzaakt om te verhuizen aangezien zij werkloos is en niet is gebleken dat haar vooruitzichten op werk in [woonplaats van de vrouw] aanzienlijk beter zijn dan die in Eindhoven.

3.8.4.

Het hof is van oordeel dat het in het belang van [dochter] is dat zij haar hoofdverblijf bij de man heeft. Het hof gaat hiermee voorbij aan het advies van de raad om het hoofdverblijf bij de vrouw te bepalen.

Immers, zowel in de stukken als ter zitting heeft de man er blijk van gegeven dat hij in staat is om de vrouw meer ruimte te bieden om de zorg en opvoeding voor [dochter] te delen dan omgekeerd het geval is. Ook heeft de man te kennen gegeven dat hij er alle moeite voor zal doen om de thans geldende - evenwichtige - regeling voor [dochter] in stand te houden. Dit blijkt, naar het oordeel van het hof, onder meer uit de intentie van de man om te verhuizen

naar [woonplaats van de vrouw]. Daarbij heeft de man het belang van de moederrol in de verzorging en de opvoeding van [dochter] onderkend en lijkt hij de vrouw daar meer ruimte in te bieden dan de ruimte die de vrouw aan de man biedt voor de vaderrol in de verzorging en opvoeding van [dochter]. De enkele omstandigheid dat de vrouw meer dan de man in staat zou zijn om [dochter] zelf op te vangen, is – gelet op het bovenstaande – onvoldoende om om die reden het hoofdverblijf bij de vrouw te bepalen.

3.8.5.

Op grond van het voorgaande zal het hof in het belang van [dochter] haar hoofdverblijf bij de man bepalen. De eerste incidentele grief van de man ter zake slaagt deels.

Kinderalimentatie

Behoefte [dochter]

3.9.

De behoefte van [dochter] is in hoger beroep in geschil.

3.10.

De man stelt dat partijen bij de vaststelling van de behoefte van [dochter] er volledig aan voorbij zijn gegaan dat de situatie van partijen geen gebruikelijke situatie was omdat partijen van meet af aan apart van elkaar hebben gewoond en twee gescheiden huishoudens hebben gehad. Van het salaris van de man werden de kosten van twee huizen betaald. Volgens de man dient hier rekening mee te worden gehouden. De totale vaste lasten van de twee woningen bedroegen, zo stelt de man, in totaal € 1.423,- per maand. De man acht het dan ook redelijk om de helft van dit bedrag in mindering te brengen op het besteedbare gezinsinkomen zodat bij de bepaling van de behoefte gerekend dient te worden met een besteedbaar gezinsinkomen van € 2.602,29 per maand. Op grond van de tabel eigen aandeel kosten kinderen voor drie kinderen bedragen de kosten voor drie kinderen dan in totaal € 713,76 per maand waarvan een bedrag van € 237,91 per maand aan [dochter] is toe te rekenen.

Nu de vrouw € 48,22 per maand aan kindgebonden budget ontvangt dient de behoefte van [dochter] in het geval dat [dochter] haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft volgens de man gesteld te worden op € 189,70 per maand. Indien [dochter] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben bedraagt de behoefte van [dochter] € 237,91 per maand.

3.11.

Naar de mening van de vrouw heeft de rechtbank de behoefte van [dochter] op de juiste wijze berekend en zij verzoekt de beschikking van de rechtbank op dit punt te bekrachtigen.

3.12.

Bij het bepalen van de behoefte van [dochter], hanteert het hof, evenals de rechtbank, de uitgangspunten zoals neergelegd in het zogenoemde Tremarapport.

Uitgangspunt is het netto besteedbaar gezinsinkomen tijdens de relatie van partijen. Het netto besteedbaar inkomen is het inkomen dat partijen op het moment van verbreking van de samenleving feitelijk ter beschikking staat. Daarbij is niet van belang voor welk doel dit inkomen wordt aangewend.

Het enkele feit dat gedurende het huwelijk van de man en de vrouw sprake is geweest van twee woningen en de daaraan verbonden dubbele woonlasten, speelt derhalve geen rol bij de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen en de behoefte van [dochter]. De tweede incidentele grief van de man slaagt dan ook niet.

Het hof stelt vast dat de man uitsluitend heeft gegriefd tegen het feit dat de rechtbank geen correctie heeft toegepast in verband met de dubbele woonlasten op het netto besteedbaar inkomen van € 3.312,79 per maand. Nu deze grief faalt en de man en de vrouw overigens geen grieven hebben gericht tegen de wijze waarop de rechtbank de behoefte van [dochter] heeft becijferd, gaat het hof uit van het netto besteedbaar gezinsinkomen op het moment van verbreking van

de relatie van € 3.312,79 per maand, welk bedrag tussen partijen niet in geschil is, en zal het hof de behoefte van [dochter] – evenals de rechtbank – vaststellen op € 269,52 per maand.

Draagkracht man en vaststelling kinderalimentatie

3.13.

In zijn eerste incidentele grief stelt de man dat hij het redelijk en billijk acht dat hij ter zake de bijdrage in kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] een bedrag van € 76,04 betaalt voor het geval [dochter] haar hoofdverblijf bij hem heeft. Bij de becijfering van dit bedrag is de man uitgegaan van een bedrag van € 5,- per dag ter zake verblijfskosten voor iedere dag dat [dochter] bij de vrouw verblijft, waarbij de man toezegt dat hij er voor zal zorgen dat [dochter] voldoende goederen voor dagelijks gebruik zoals kleding, schoeisel, luiers, speelgoed en dergelijke bij zich heeft.

3.14.Ten aanzien van de door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage voor [dochter] verzoekt de vrouw de bestreden beschikking, waarin de onderhoudsbijdrage is vastgesteld op een bedrag van € 175,- per maand, te bekrachtigen.

3.15.

Het hof overweegt als volgt

3.15.1.

De Expertgroep Alimentatienormen adviseert per 1 april 2013, voor zover thans van belang, de kosten van de zorgverdeling in aanmerking te nemen als een percentage van de totale behoefte van het kind, omdat de ouder bij wie het kind niet het hoofdverblijf heeft in natura voorziet in de behoefte van het kind in de periode dat het kind bij deze ouder verblijft. De Expertgroep adviseert een zorgkorting van 15%, 25% of 35% van het eigen aandeel van de ouders in de behoefte van het kind, afhankelijk van het aantal dagen dat het kind bij de ouder waar het niet zijn hoofdverblijf heeft, verblijft. Uitgangspunt is dat de ouder bij wie het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft de ‘vaste lasten’ voldoet, zoals schoolgeld, contributie voor sport en dergelijke, aldus het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen. Maken de ouders andere afspraken over de kosten- en zorgverdeling, dan kunnen zij een ander percentage hanteren, aldus het rapport verder.

3.15.2.

Nu partijen geen andere afspraken hebben gemaakt over deze kostenverdeling, zal het hof ook hiervoor aansluiting zoeken bij het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen, zoals dat per 1 april 2013 luidt. Dit impliceert dat de man de vaste lasten voor [dochter] voldoet. Voorts blijkt uit voornoemd rapport van de Expertgroep Alimentatienormen dat voor de lagere inkomens (beneden een netto besteedbaar inkomen van € 1.500,-) vaste bedragen per categorie van toepassing zijn, volgens de gepubliceerde tabellen. Nu de vrouw een bijstandsuitkering ontvangt en derhalve een netto besteedbaar inkomen heeft lager dan € 1.250,- netto per maand, zal het hof aan de zijde van de vrouw uitgaan van een minimale draagkracht van € 25,- per maand.

Indien de vrouw in staat zou zijn om voor een substantieel deel bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter], zou aan haar in verband met co-ouderschap een zorgkorting van 35% zijn toegekomen ter compensatie van de kosten die zij voor haar rekening zou nemen tijdens de perioden waarin [dochter] bij haar verblijft.

Dit bedrag van 35% dient geacht te worden de kosten van verzorging en opvoeding te dekken tijdens het verblijf van [dochter] bij de vrouw. Het hof becijfert deze kosten aan de zijde van de vrouw, gelet op de behoefte van [dochter], op een bedrag van afgerond € 94,- per maand (€ 269,52 x 35%), van welke kosten de vrouw een bedrag van € 25,- voor haar rekening dient te nemen.

De man heeft in hoger beroep evenwel verzocht de onderhoudsbijdrage voor [dochter] vast te

stellen op een bedrag van € 76,04 per maand, indien en voorzover [dochter] haar hoofdverblijf bij hem heeft.

Het hof zal de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage voor [dochter] met ingang van 2 februari 2014, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand – gelet op de grenzen van de rechtsstrijd – op dit bedrag vaststellen.

De derde incidentele grief van de man slaagt ten dele.

Behoefte vrouw

3.16.

In haar beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, stelt de vrouw – kort weergegeven – dat gedurende het huwelijk er in financiële zin sprake was van een gezamenlijk huishouden. De vrouw kan niet ontkennen dat beide partijen gedurende de relatie en het huwelijk steeds over een eigen woning hebben beschikt. Dit neemt echter niet weg dat partijen in de fases waarin de relatie goed was veelvuldig contact hadden en vaak bij elkaar verbleven. Volgens de vrouw was het een bewuste keuze van partijen dat de vrouw haar uitkering opgaf en dat zij zich financieel afhankelijk maakte van de man.

Voorts stelt de vrouw dat zij, anders dan het oordeel van de rechtbank, van mening is dat zij haar lasten voldoende heeft onderbouwd en dat bij de bepaling van haar behoefte de hof-formule toegepast dient te worden.

3.17.

De man heeft hiertegen – kort weergegeven – naar voren gebracht dat er naar zijn mening geen sprake kan zijn van huwelijksgerelateerde behoefte. Volgens de man is er zowel vóór als een half jaar ná de huwelijkssluiting op 17 januari 2012 slechts sprake geweest van een relatie waarin partijen niet hebben samengewoond. De zwangerschap van [dochter] was niet gepland en het huwelijk was een opwelling. De man mocht tijdens het huwelijksdiner niet naast de vrouw zitten en het werd hem ook geweigerd om bij de bevalling van [dochter] aanwezig te zijn.

Voorts stelt de man dat de vrouw tot aan het huwelijk een bijstandsuitkering ontving en dat zij die sinds de scheiding ook weer ontvangt. Tijdens het huwelijk werkte de vrouw niet vanwege de zwangerschap en de bevalling maar het was, volgens de man, de nadrukkelijke bedoeling van partijen dat de vrouw na de geboorte van [dochter] weer zou gaan werken. Ter zitting heeft de man naar voren gebracht dat hij tijdens het huwelijk de vaste lasten van de vrouw ad € 700,- à € 800,- per maand voor zijn rekening heeft genomen.

3.18.

Het hof overweegt als volgt.

3.18.1.

De wettelijke onderhoudsverplichting tussen ex-echtgenoten vindt haar grondslag in het huwelijk, waarbij echtelieden over en weer een verzorgingsplicht jegens elkaar hebben. De onderhoudsverplichting behoudt haar werking dus ook nadat het huwelijk is ontbonden. Of de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot ook daadwerkelijk een onderhoudsbijdrage is verschuldigd, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij gaat het niet alleen om financiële omstandigheden die de behoefte en draagkracht bepalen, maar ook om de niet-financiële omstandigheden. Wat dit laatste betreft kan het gaan om de objectieve omstandigheden, zoals de duur van het huwelijk en de aanwezigheid van kinderen, en de subjectieve omstandigheden waaronder bijvoorbeeld gedragingen van de onderhoudsgerechtigde vallen.

Eén van de achterliggende gedachten van de onderhoudsverplichting is dat geen van partijen na het huwelijk in een slechtere financiële positie mag komen te verkeren dan voorafgaand dan wel tijdens het huwelijk.

3.18.2.

Naar het oordeel van het hof heeft het zeer kortdurende huwelijk van partijen, waarin partijen nimmer hebben samengewoond, in redelijkheid geen negatieve invloed gehad op de financiële positie van de vrouw.

Vast staat dat de vrouw voorafgaand aan het huwelijk van partijen haar vaste lasten voldeed uit de WWB-uitkering van ongeveer € 700,- à € 800,- netto per maand die zij destijds ontving. Ook heeft het huwelijk van partijen geen wijziging gebracht in hun beider woonsituatie. Ter zitting is onweersproken door de man naar voren gebracht dat hij gedurende het huwelijk van partijen, als gevolg waarvan de uitkering van de vrouw is beëindigd, de vaste lasten van de vrouw voor zijn rekening heeft genomen tot een bedrag van € 700,- à € 800,- per maand. Voorts is gebleken dat de vrouw sedert de beëindiging van het huwelijk wederom een bijstandsuitkering ontvangt.

Nu uit het bovenstaande blijkt dat de vrouw na het huwelijk niet in een slechtere financiële positie is komen te verkeren dan voorafgaand dan wel tijdens het huwelijk, is het hof van oordeel dat het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen tot betaling van een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, dient te worden afgewezen. De grieven in het principaal appel van de vrouw slagen niet.

Het hof zal de beschikking van de rechtbank op dit punt dan ook bekrachtigen zij het met wijziging van de gronden.

Vermeerdering van verzoek

3.19.

In hoger beroep heeft de man nog verzocht te bepalen dat de vrouw de door de man betaalde partneralimentatie over de periode vanaf 25 oktober 2013, zijnde de datum van de echtscheidingsbeschikking tot heden, aan de man dient terug te betalen en de vrouw daartoe te veroordelen.

3.20.

Het hof zal dit verzoek van de man afwijzen.

Het hof overweegt dat de voorlopige voorziening zoals deze is vastgesteld bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 31 januari 2013 op grond van art. 826 lid 1 sub c Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tussen partijen haar kracht behoudt totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in art. 1:157 BW, indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat.

Het voorgaande brengt met zich dat de voorlopige voorziening inzake de partneralimentatie van kracht blijft totdat de onderhavige beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Het hof overweegt dat de man de terugvordering van teveel betaalde partneralimentatie slechts kan bereiken door een procedure tot wijziging van de voorlopige voorzieningen te entameren. Dat de door de man verzochte wijziging van de voorlopige voorzieningen bij beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2014 is afgewezen, kan de man in de onderhavige procedure niet baten.

3.21.

De beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, doch uitsluitend voor zover het betreft het hoofdverblijf van [dochter] en de onderhoudsbijdrage voor [dochter];

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van [dochter], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], bij de man;

bepaalt dat de man met ingang van 5 februari 2014 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter] aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 76,04 per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. Bijleveld-van der Slikke, C.D.M. Lamers en E.L. Schaafsma-Beversluis en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2014.