Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4409

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
F 200.125.031_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2013:6164
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 23 oktober 2014

Zaaknummer: F 200.125.031/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/244436 / FA RK 12-1277

in de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw ] ,

wonende te

[woonplaats],

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel

,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. B. du Fossé

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats]

,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.W.A.M. Scheepens.

5 De beschikking d.d. 10 oktober 2013

Bij die beschikking heeft het hof, onder aanhouding van de beslissing met betrekking tot het gezag en de contactregeling, de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar het gezag over de kinderen en de mogelijkheden met betrekking tot het contact tussen de vader en de kinderen.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad van 3 januari 2014;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 20 januari 2014;

- het V-formulier met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 20 januari 2014;

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 mei 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Du Fossé;

- de vader, bijgestaan door mr. Scheepens;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger raad].

Op die mondelinge behandeling is de behandeling van de zaak wederom aangehouden. Het hof heeft de raad verzocht een beschermingsonderzoek in te stellen en aanvullend te

rapporteren over het gezag en de contactregeling.

6.3.

Het hof heeft nadien kennis genomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad van 26 juni 2014;

- de brief van de advocaat van de moeder d.d. 9 juli 2014;

- de brief van de advocaat van de vader d.d. 27 augustus 2014.

6.4.

Geen van de partijen heeft het hof bij voormelde brieven te kennen gegeven een nadere mondelinge behandeling te wensen.

Het hof heeft vervolgens besloten de zaak op de stukken af te doen en uitspraak bepaald op heden.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Uit de stukken is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking van 27 februari 2013 op

22 augustus 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

7.2.

Uit het rapport van de raad van 3 januari 2014 blijkt het volgende. De raad acht een wijziging van het gezag niet in het belang van [zoon 1] en [zoon 2]. Inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken adviseert de raad om een contactregeling tussen de vader en de kinderen op te leggen, zodra de hulpverlening tot stand is gekomen.

7.3.

Bij de mondelinge behandeling op 6 mei 2014 is gebleken dat de Combinatie Jeugdzorg in april 2014 het hulpverleningscontact met de ouders en de kinderen heeft afgesloten. De Combinatie zag geen mogelijkheden om het contact tussen [zoon 1] en de vader te herstellen.

Verder is op die zitting gebleken dat de vader niet meer in [woonplaats] woonde, maar bij zijn vader in [woonplaats].

Naar aanleiding van deze ontwikkelingen en overeenkomstig het advies van de raad ter zitting heeft het hof de raad verzocht verder onderzoek te doen.

7.4.

Uit het rapport van de raad van 26 juni 2014 komt het volgende naar voren. Een ondertoezichtstelling van [zoon 1] en [zoon 2] is noodzakelijk om hen een positieve, veilige en gestructureerde opvoedingssituatie te garanderen. De noodzaak voor een ondertoezichtstelling vloeit voort uit de voortdurende echtscheidingsstrijd tussen de ouders.

De raad acht een wijziging in het gezag niet in het belang van [zoon 1] en [zoon 2]. Een wijziging in het gezag zou het beeld van de vader bij [zoon 1] en [zoon 2] aantasten.

De raad is verder van mening dat het in het belang van [zoon 1] en [zoon 2] is dat zij beiden een onbelast contact hebben met ieder van de ouders. In het geval van [zoon 2] kan het contact met de vader blijven doorlopen. De raad adviseert om het contact tussen de vader en [zoon 2] om het weekend te laten plaatsvinden van vrijdagavond 18.00 uur tot en met zondagavond 19.30 uur. Wat betreft het contact op doordeweekse dagen is de raad van mening dat dit nog steeds een belasting vormt voor [zoon 2]. Zowel [zoon 2] als de vader willen echter vasthouden aan dit contact. De raad is van mening dat het contact tussen [zoon 2] en de vader niet dient te worden verminderd. De belasting voor [zoon 2] komt voort uit de spanning en de strijd tussen de ouders. De ouders moeten hieraan werken.

De raad adviseert om [zoon 1] de rust en de duidelijkheid te geven waarom hij vraagt en geen contact op te leggen, nu er sprake is van contra-indicaties. Het opleggen van contact tussen [zoon 1] en de vader zal een grote belasting vormen voor [zoon 1] en zijn ontwikkeling. Eerst dient de situatie tot rust te komen door middel van de ondertoezichtstelling.

7.5.

In de hiervoor genoemde brief van 9 juli 2014 heeft de moeder kenbaar gemaakt dat zij

kan instemmen met een ondertoezichtstelling. De moeder heeft voorts verzocht om ten aanzien van het contact tussen [zoon 2] en de vader een contactregeling vast te stellen overeenkomstig het advies van de raad, zij het dat het doordeweekse contact op woensdagavond met overnachting in haar visie dient te vervallen vanwege de spanningen die dit voor [zoon 2] met zich meebrengt.

Voor het overige berust de moeder in het rapport van de raad, waarbij zij hoopt dat met behulp van de gezinsvoogd partijen samen tot invulling van het ouderlijk gezag kunnen komen.

7.6.

De vader heeft bij de hiervoor genoemde brief van 27 augustus 2014 laten weten geen reden te zien om op het rapport van de raad te reageren, nu de ondertoezichtstelling inmiddels is uitgesproken.

7.7.

Het hof overweegt als volgt.

7.7.1.

Nu de moeder ten aanzien van het ouderlijk gezag heeft aangegeven te berusten in het rapport van de raad, gaat het hof er vanuit dat de moeder geen belang meer heeft bij haar verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

7.7.2.

Wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zijn partijen het erover eens dat [zoon 2] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag 18.00 uur tot zondagavond 19.30 uur bij de vader verblijft. Het hof zal dienovereenkomstig - conform het advies van de raad - beslissen.

Het hof overweegt verder dat uit het rapport van de raad van 26 juni 2014 wat betreft het contact op doordeweekse dagen naar voren komt dat het niet in het belang van [zoon 2] is om het wekelijkse contact met de vader op dinsdagavond met overnachting te laten vervallen. In de visie van de raad vormt dit contact weliswaar een belasting voor [zoon 2], maar wordt deze belasting gevormd door de strijd tussen de ouders. Zowel de vader als [zoon 2] willen aan dit contact vasthouden. Het hof onderschrijft de bevindingen van de raad. Het hof ziet derhalve geen gronden om de huidige zorgregeling ten aanzien van [zoon 2] te wijzigen en terug te gaan naar een meer beperkte zorgregeling zoals door de moeder wordt voorgestaan.

Ten aanzien van [zoon 1] volgt het hof het advies van de raad om geen contactregeling tussen [zoon 1] en de vader vast te stellen, nu er sprake is van contra-indicaties. In zoverre zal het verzoek van partijen worden afgewezen.

Het hof gaat er verder vanuit dat de gezinsvoogd de relevante ontwikkelingen volgt en zo nodig de geëigende maatregelen neemt.

7.8.

Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beschikking waarvan beroep voor zover het betreft de zorgregeling in zijn geheel vernietigen en beslissen als hierna te melden.

Het hof zal aanvullend een haal- en brengregeling vaststellen overeenkomstig de regeling die op de zitting van 6 mei 2014 voorlopig door het hof is bepaald.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 februari 2013 voor zover

daarbij een zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen [zoon 1] en [zoon 2] is vastgesteld,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt met ingang van heden inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de volgende regeling vast:

* de vader en de minderjarige [zoon 2], geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], zijn gerechtigd tot contact met elkaar:

- eenmaal in de veertien dagen vanaf vrijdag 18.00 uur tot zondag 19.30 uur;

- iedere week van dinsdag 18.00 uur tot woensdagochtend;

- gedurende de zomervakantie afwisselend de eerste drie aaneengesloten weken, dan wel de laatste drie weken, te beginnen in 2015 met de eerste drie weken;

- de herfstvakantie in de oneven jaren;

- de carnavalsvakantie in de even jaren;

- de eerste week van de kerstvakantie in de oneven jaren,

waarbij iedere vakantie aanvangt op vrijdag 18.00 uur en eindigt op vrijdag 18.00 uur;

* het weekend volgend op de vakanties voornoemd verblijven de kinderen bij de ouder bij wie ze op dat moment volgens de reguliere weekendregeling of vakantieregeling zouden verblijven;

bepaalt dat in de weekenden waarin [zoon 2] bij de vader verblijft, de moeder [zoon 2] naar de vader brengt en de vader [zoon 2] terugbrengt naar de moeder en dat op de dinsdag de vader [zoon 2] ophaalt bij de moeder;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, M.C. van Dijkhuizen en H.J.M. van Arkel-van Gasselt en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2014.