Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4398

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2014
Datum publicatie
24-10-2014
Zaaknummer
F 200.152.002_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De moeder is ongeschikt en onmachtig om de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Perspectief van de minderjarige ligt elders waardoor maatregelen ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn uitgewerkt. Anders dan de moeder is het hof van oordeel dat de ontheffing van het gezag niet in strijd is met artikel 7 en 8 van het IVRK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 oktober 2014

Zaaknummer : F 200.152.002/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/270695 / FA RK 13-5953

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.T.A.G. Keller,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie Eindhoven,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende kan worden aangemerkt:

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2014.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 juli 2014, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de raad zijn inleidend verzoek te ontzeggen, althans dit verzoek af te wijzen als ongegrond c.q. onbewezen.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2014, heeft de stichting verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 september 2014. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. G.H.M. van Laarhoven, waarnemend voor mr. Keller;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer [de medewerker raad];

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw [de medewerker stichting] en mevrouw [de medewerker stichting].

2.3.1.

De heer [de vader] (hierna te noemen: de vader), die door het hof als informant is opgeroepen, is niet ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de raad d.d. 21 juli 2014;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen ingediend door de advocaat van de moeder op 28 juli 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader is, op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats], [de zoon] (hierna te noemen: [de zoon]) geboren.

De vader heeft [de zoon] erkend.

De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag uit over [de zoon].

3.2.

[de zoon] staat sinds 8 mei 2008 onder toezicht van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 16 mei 2014.

[de zoon] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 26 februari 2012 uit huis geplaatst in een kortverblijf pleeggezin. [de zoon] verblijft sinds 29 juni 2013 in een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.3.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank de moeder ontheven van het gezag over [de zoon] en de stichting tot voogdes benoemd.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aan.

De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat ondanks de duurzame instemming van de moeder met het verblijf van [de zoon] in het pleeggezin de ontheffing van het gezag in het belang van [de zoon] is. De moeder heeft steeds haar medewerking verleend aan al hetgeen noodzakelijk was voor [de zoon] om in het pleeggezin goed te kunnen verblijven en zij zal dit ook blijven doen. De moeder heeft ter zitting van het hof erkend dat zij weliswaar een periode niet bereikbaar is geweest voor de hulpverlening, maar zij heeft voor beslissingen omtrent [de zoon] altijd toestemming verleend. De moeder is daarom van mening dat er geen acute noodzaak bestaat om haar uit het gezag over [de zoon] te ontheffen.

De moeder voert verder aan dat op grond van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna: IVRK) een kind een nadrukkelijk recht heeft om door zijn ouders te worden verzorgd. Voorts vloeit uit artikel 8 van het IVRK voort dat [de zoon] het recht heeft tot behoud van familierechtelijke betrekkingen, waaronder de moeder ook het ouderlijk gezag verstaat. De moeder is van mening dat deze rechten en het behoud van enig perspectief op gezinshereniging in de toekomst dienen te prevaleren boven het recht van [de zoon] op duidelijkheid. De moeder heeft ter zitting hieraan toegevoegd dat [de zoon] heel goed beseft dat zijn toekomst in het pleeggezin ligt zodat er bij hem geen onduidelijkheid over zijn toekomstperspectief bestaat. De moeder sluit echter een gezinshereniging in de toekomst niet uit, omdat zij momenteel hard aan de toekomst aan het werken is. De moeder wil nu vooral aan [de zoon] laten weten dat zij er weer voor hem is en voor hem vecht. Indien de moeder uit het gezag wordt ontheven, dan heeft zij het gevoel dat zij [de zoon] in de steek heeft gelaten.

3.6.

De stichting heeft in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

De stichting begrijpt de belangen van de moeder maar is van mening dat het belang van [de zoon] voorop dient te worden gesteld. De stichting heeft verder verklaard dat de moeder ook na de ontheffing van het gezag de moeder van [de zoon] zal blijven. De stichting is van mening dat [de zoon] baat heeft bij duidelijkheid over zijn opvoedsituatie, zodat hij kan opgroeien in het huidige pleeggezin zonder dat de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing jaarlijks dienen te worden verlengd. De stichting heeft ter zitting verklaard dat het gedrag van [de zoon] voor problemen in het pleeggezin en op school zorgt. [de zoon] zal worden aangemeld voor een traject bij een psychologenpraktijk en voor de pleegouders zal er psycho-educatie en begeleiding worden ingezet. De stichting acht het van groot belang dat de ontwikkeling van [de zoon] wordt gestabiliseerd, hij zich verder kan hechten in het pleeggezin en hij voor zijn ADHD en hechtingsproblemen wordt behandeld. Veranderingen en onrust rondom eventuele wijzigingen in het ouderlijk gezag zullen hierbij niet helpend zijn, temeer nu de moeder tegenstrijdig is over het toekomstperspectief van [de zoon]. Enerzijds stemt zij in met het verblijf van [de zoon] in het pleeggezin en anderzijds sluit zij een gezinshereniging in de toekomst niet uit. In de komende periode wordt bekeken welke stappen gezet kunnen worden om toe te werken naar contactherstel tussen [de zoon] en de moeder. Op korte termijn zullen daartoe belcontacten tussen [de zoon] en de moeder worden opgestart. De stichting ziet de inzet en betrokkenheid bij de moeder terugkomen, nu er sinds april 2014 sprake is van een structureel contact tussen de moeder en de stichting. Uit de evaluatie van de belcontacten zal volgen of de moeder betrouwbaar zal blijken voor [de zoon].

3.7.

De raad heeft ter zitting in hoger beroep - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

[de zoon] verdient duidelijkheid en zekerheid dat de zaken rondom zijn verblijf in het pleeggezin goed geregeld zijn en blijven. De raad leest in het beroepschrift van de moeder dat het perspectief op gezinshereniging dient te prevaleren boven duidelijkheid voor [de zoon], de raad vindt dat dit een signaal is dat niet aan [de zoon] dient te worden afgegeven. De jaarlijkse verlengingen van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing acht de raad niet in het belang van [de zoon].

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen worden ontheven op de grond dat die ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

In het geval een ouder zich verzet tegen de ontheffing kan op grond van artikel 1:268 lid 1 BW de ontheffing niet worden uitgesproken. Deze regel leidt ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing krachtens het bepaalde in artikel 1:261 BW van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen - onvoldoende is om de dreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.8.2.

Het hof stelt voorop dat de moeder ter zitting van het hof heeft erkend dat zij – vanwege persoonlijke problemen – een periode voor [de zoon] niet bereikbaar is geweest.

Voorts volgt uit het rapport van de raad d.d. 4 november 2013 dat de moeder veelal reageert en handelt vanuit de bij haar op dat moment spelende emoties en dat zij moeite heeft om structuur in de dag te brengen en zich aan die structuur te houden. Hieruit volgt – naar het oordeel van het hof – dat voldoende vast staat dat de moeder ongeschikt en/of onmachtig is om [de zoon] te verzorgen en op te voeden. Daarbij komt dat uit voornoemd rapport van de raad volgt dat bij [de zoon] sprake is van kindeigenproblematiek. Zo vertoont [de zoon] grensoverschrijdend gedrag en is hij omgevingsgevoelig. Het gedrag van [de zoon] vertoont (veel) kenmerken van ADHD, een (oppositionele) gedragsstoornis, een niet-verbale leerstoornis en hechtingsproblemen, hetgeen maakt dat [de zoon] een grote behoefte heeft aan rust, regelmaat en structuur in de opvoedingssituatie. De moeder kan – gelet op het vorenoverwogene – [de zoon] een dergelijke opvoedingssituatie niet bieden. In het pleeggezin ontwikkelt [de zoon] zich positief.

3.8.3.

Nu de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing gericht dienen te zijn op een thuisplaatsing van een minderjarige en een thuisplaatsing van [de zoon] niet meer aan de orde is, heeft de rechtbank terecht een verderstrekkende maatregel uitgesproken.

Het hof overweegt daarnaast dat bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing de onzekerheid over het toekomstperspectief van [de zoon] blijft voortduren, hetgeen het hof niet in het belang van [de zoon] acht. Het hof acht, mede gelet op de hechtingsproblematiek van [de zoon], duidelijkheid voor [de zoon] omtrent zijn toekomstperspectief geboden. Deze duidelijkheid zorgt ervoor dat [de zoon] zich optimaal kan hechten en ontwikkelen in het pleeggezin en deze hechting op geen enkele manier (meer) door onduidelijkheid over zijn verblijfplaats kan worden bedreigd. De moeder stelt weliswaar dat zij instemt met de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zodat een ontheffing van het gezag – in haar optiek – niet noodzakelijk is, maar het hof betwijfelt of deze instemming duurzaam is. De moeder heeft zowel in het beroepschrift als ter zitting in hoger beroep betoogd dat enig perspectief op gezinshereniging in de toekomst dient te prevaleren boven het recht van [de zoon] op duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief. Het hof begrijpt dat het gezag voor de moeder een emotionele betekenis heeft en zij [de zoon] wil laten zien dat zij voor hem vecht, maar het hof is van oordeel dat het belang van [de zoon] bij duidelijkheid omtrent zijn toekomstperspectief zwaarder dient te wegen dan het belang van de moeder bij handhaving van het gezag.

3.8.4.

Hetgeen de moeder verder nog in hoger beroep heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. Anders dan de moeder heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat de ontheffing van het gezag van de moeder niet in strijd is met artikel 7 van het IVRK. Het hof overweegt daartoe dat uit artikel 7 lid 1 van het IVRK, voor zover thans aan de orde, volgt dat een kind het recht heeft om, voor zover mogelijk, zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd. Nu het hof reeds onder rov. 3.8.2. heeft geoordeeld dat de moeder ongeschikt en onmachtig is om [de zoon] te verzorgen en op te voeden, levert de ontheffing van het gezag van de moeder geen strijd op met de inhoud van artikel 7 lid 1 van het IVRK.

Ontheffing van het gezag van de moeder levert – naar het oordeel van het hof – evenmin strijd op met de inhoud van artikel 8 van het IVRK. De ontheffing van het gezag van de moeder tast de familierechterlijke betrekking tussen de moeder en [de zoon] niet aan. De moeder blijft – ondanks de ontheffing van het gezag – de biologische moeder van [de zoon] en zij zal een plaats in het leven van [de zoon] als “ouder op afstand” blijven behouden. Het hof merkt in dat kader op dat de stichting ter zitting van het hof heeft verklaard dat er gewerkt wordt aan contactherstel tussen de moeder en [de zoon] en op korte termijn de belcontacten tussen de moeder en [de zoon] zullen worden opgestart.

3.8.5.

Het hof concludeert – alles in onderlinge samenhang bezien – dat het belang van [de zoon] zich niet tegen de ontheffing verzet.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 april 2014;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.D.M. Lamers, O.G.H. Milar en H.J. Witkamp en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2014.