Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4364

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
22-10-2014
Zaaknummer
20-000670-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof veroordeelt verdachte wegens bedreiging van de eigenaar van een coffeeshop in Maastricht met enig misdrijf tegen het leven gericht en wegens mishandeling. Het hof legt aan verdachte op een taakstraf van honderd uur, subsidiair vijftig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. De politierechter had verdachte eerder vrijgesproken van mishandeling en hem wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht veroordeeld tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis, de advocaat-generaal had een taakstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar gevorderd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285, 300
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000670-14

Uitspraak : 22 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 21 februari 2014 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-086492-13 en 03-218639-13, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

wonende te [adres].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van mishandeling (parketnummer 03-218639-13) en is de verdachte ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (parketnummer 03-086492-13) veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het ten laste gelegde zal bewezen verklaren en verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van tachtig uur, subsidiair veertig dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar.

Namens verdachte is vrijspraak bepleit en een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03-086492-13 ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

Parketnummer 03-086492-13

hij op of omstreeks 9 mei 2013 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (opengeklapt) mes ter hoogte van de buik van voornoemde [slachtoffer 1] gehouden althans getoond en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik maak je kapot dat zweer ik op de dood van mijn moeder. Ik eis 2000 euro per dag van jou. Ik stuur Satudarah op je af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Parketnummer 03-218639-13


hij op of omstreeks 7 april 2013 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) meermalen, althans eenmaal, (met een riem) heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-086492-13 en in de zaak met parketnummer 03-218639-13 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Parketnummer 03-086492-13

hij op 9 mei 2013 in de gemeente Maastricht [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een opengeklapt mes ter hoogte van de buik van voornoemde [slachtoffer 1] gehouden;

Parketnummer 03-218639-13


hij op 7 april 2013 in de gemeente Maastricht opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]) meermalen met een riem heeft geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkorte arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Door de verdediging is ten aanzien van zowel het onder parketnummer 03-086492-13 als het onder parketnummer 03-218639-13 ten laste gelegde vrijspraak bepleit.

Parketnummer 03-086492-13

Voor het onder parketnummer 03-086492-13 ten laste gelegde is daartoe aangevoerd primair dat er onvoldoende bewijs voorhanden is dat verdachte de ten laste gelegde gedragingen heeft begaan, nu op de camerabeelden niet is te zien dat verdachte het mes ter hoogte van de buik van [slachtoffer 1] heeft gehouden en alleen het tonen van het mes geen bedreiging in de zin van art. 285 Sr oplevert. Subsidiair is aangevoerd dat die gedragingen, voor zover die bewezen kunnen worden verklaard, geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven dan wel met zware mishandeling opleveren, omdat uit de gedragingen van [slachtoffer 1] zelf blijkt dat bij hem niet de vrees is ontstaan dat hij het leven zou laten dan wel zwaar letsel zou bekomen en omdat de door verdachte beweerdelijk geuite bewoordingen zagen op het in financiële zin ‘kapot maken’ van [slachtoffer 1].

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij een Marokkaanse man, zijnde verdachte, heeft aangesproken die voor de coffeeshop aan het tieren was, dat hij heeft getracht de man te kalmeren maar dat dit niet hielp, dat de man op een gegeven moment een mes tevoorschijn haalde en dit openklapte en dat de man op hem, [slachtoffer 1], af stapte en het mes ter hoogte van de buik van [slachtoffer 1] hield, op zo’n 20 cm afstand.

Het voorval waarvan [slachtoffer 1] aangifte heeft gedaan is gefilmd door [getuige 1], cameraman bij [bedrijf]. Het hof heeft de opnamen die door [getuige 1] zijn gemaakt ter terechtzitting van het hof bekeken. Op deze beelden is verdachte te zien voor de coffeeshop van aangever. Op de beelden is onder meer te zien dat verdachte een opengeklapt mes in de hand heeft en daarmee zwaaiende bewegingen maakt. Voorts is op de beelden te zien dat verdachte het mes dichtgeklapt in de hand heeft, het mes vervolgens openklapt en daarmee in de richting van [slachtoffer 1] zwaait. Voorts heeft het hof waargenomen dat de camera wegzwenkt van hetgeen buiten de coffeeshop gebeurt. Dat verdachte een opengeklapt mes ter hoogte van de buik van [slachtoffer 1] houdt op een afstand van ongeveer 20 cm is op de beelden niet te zien.

Naar aanleiding van de opnamen van het voorval is [slachtoffer 1] op 11 februari 2014 opnieuw door de politie gehoord. Hem is voorgehouden dat op de beelden niet is te zien dat de verdachte het mes op twintig centimeter van de buik van [slachtoffer 1] heeft gehouden. [slachtoffer 1] heeft daarop verklaard dat de cameraman eerst opnamen maakte vanuit de rookruimte in de coffeeshop en dat de cameraman later is omgelopen en er daardoor geen opnamen zijn gemaakt.

Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte van [slachtoffer 1] en zijn latere aanvullende verklaring. Dat niet op de beelden is waar te nemen dat het mes ter hoogte van de buik is gehouden zoals door [slachtoffer 1] is verklaard staat hier niet aan in de weg, nu dit valt te verklaren doordat de cameraman niet het hele incident heeft gefilmd. Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] doet dit geen afbreuk.

Het hof verwerpt het verweer.

Voor wat betreft het verweer dat geen sprake is van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht overweegt het hof het volgende. Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Het houden van een opengeklapt mes ter hoogte van de buik, zoals dit in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, levert op bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zich in de buikstreek vitale organen bevinden en dat bij het steken met een mes in de buik de dood kan intreden indien een van die organen wordt geraakt. Bij [slachtoffer 1] kon dan ook de redelijke vrees ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Daar komt nog bij dat door [slachtoffer 1] aangifte is gedaan van bedreiging en dat door hem is verklaard dat hij bang was dat verdachte hem ging steken. Met de omstandigheid dat [slachtoffer 1] ogenschijnlijk kalm is gebleven is nog niet gegeven dat hij innerlijk geen vrees heeft gevoeld.

Het hof verwerpt ook dit onderdeel van het verweer.

Parketnummer 03-218639-13

Voor het onder parketnummer 03-218639-13 ten laste gelegde is voor het verweer strekkende tot vrijspraak aangevoerd primair dat er onvoldoende overtuigend bewijs voorhanden is dat aangever [slachtoffer 2] daadwerkelijk met een riem is geraakt. Subsidiair is aan dat verweer ten grondslag gelegd dat niet bewezen kan worden verklaard dat aangever pijn heeft ondervonden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Door aangever [slachtoffer 2] is verklaard dat hij op 7 april 2013 in Maastricht door een persoon, zijnde de verdachte, tweemaal met de zilveren – het hof begrijpt zilverkleurige, metalen – gesp van een riem op de hand is geslagen. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. De verklaring vindt voldoende steun in de verklaring van getuige [getuige 2] dat een persoon met zijn riem een slaande beweging in de richting van [slachtoffer 2] heeft gemaakt.

Aangever heeft verklaard dat hij er ‘niet echt veel pijn aan [heeft] overgehouden’. Uit deze verklaring leidt het hof af dat aangever wel ten minste enige pijn heeft ondervonden, hetgeen voldoende is om tot een bewezenverklaring van mishandeling te komen.

Het hof verwerpt het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-086492-13 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het in de zaak met parketnummer 03-218639-13 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Het hof heeft bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven door een opengeklapt mes ter hoogte van de buik van het slachtoffer te houden.

Voorts is bewezen verklaard dat verdachte [slachtoffer 2] met een riem heeft geslagen. Aannemelijk is dat verdachte dit heeft gedaan omdat het slachtoffer eerder bij een ander voorval de politie had geholpen verdachte aan te houden.

Het hof is van oordeel dat bij een bewezenverklaring van dergelijke feiten onder dergelijke omstandigheden in beginsel niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Naar het oordeel van het hof doet de vordering van de advocaat-generaal dan ook onvoldoende recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten. Het hof ziet echter in de vordering van de advocaat-generaal, mede gelet op het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten en het gegeven dat het leven van verdachte in rustiger vaarwater lijkt te zijn gekomen, wel aanleiding af te zien van oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf en te volstaan met een onvoorwaardelijke taakstraf in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, zij het beide van langere duur dan door de advocaat-generaal gevorderd.

Gelet op de aard en de ernst van hetgeen is bewezen verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een taakstraf en van een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-086492-13 en in de zaak met parketnummer 03-218639-13 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 03-086492-13 en in de zaak met parketnummer 03-218639-13 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. R.R. Everaars-Katerberg, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. T. Kraniotis, griffier,

en op 22 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.N. van der Spoel is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.