Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4344

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
27-10-2014
Zaaknummer
HD 200.122.382_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellabiliteit (gedeeltelijk tussenvonnis, gedeeltelijk eindvonnis). Bewijs overeenkomst van opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.382/01

arrest van 21 oktober 2014

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats 1],

hierna aan te duiden als [appellant 1],

2. [appellante 2],

wonende te [woonplaats 2],

hierna aan te duiden als [appellante 2],

3. Headcase Holding B.V.,

gevestigd te [woonplaats 1],

hierna aan te duiden als Headcase,

appellanten,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten],

advocaat: mr. A.J.J. Kreutzkamp te Valkenburg (onttrokken bij H2-formulier van 19 augustus 2014 als advocaat van [appellant 1] en Headcase),

tegen

1 Stichting tot Behoud van Monumenten Laurentius en Petronella,

gevestigd te [woonplaats 1],

hierna aan te duiden als de Stichting,

2. Metroprop B.V.,

gevestigd te [woonplaats 1],

hierna aan te duiden als Metroprop,

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk aan te duiden als de Stichting c.s.,

procesadvocaat: mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

advocaat: mr. B. Meijer te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 februari 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 juli 2011 van de rechtbank Maastricht, gewezen tussen [appellanten] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en de Stichting c.s. als eiseressen in conventie, verweersters in reconventie en het vonnis van 16 januari 2013 van de rechtbank Limburg, gewezen tussen [appellanten] als eisers in reconventie en de Stichting c.s. als verweersters in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 145670/HAZA 09-1412)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het vonnis van 12 mei 2010 van de rechtbank Maastricht, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven met producties en eiswijziging;

- de memorie van antwoord;

- de akte uitlating van [appellanten] van 10 september 2013;

- de antwoordakte van de Stichting c.s. van 8 oktober 2013.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. De Stichting is eigenaar van het pand aan [straatnaam 1] [huisnummer 1], waarin Parkhotel Rooding is gevestigd, de villa Alpha aan de [straatnaam 2] [huisnummer 2], en het bij de villa behorende koetshuis aan de [straatnaam 2] [huisnummer 3] te [plaats].

  2. De heer [bestuurder stichting] (hierna: [bestuurder stichting]) is samen met zijn echtgenote statutair bestuurder van de Stichting.

  3. Metroprop beheert het onroerend goed van de Stichting. [bestuurder stichting] is statutair bestuurder van Metroprop. [bestuurder stichting] is bestuurder, al dan niet via een holdingconstructie, van verschillende andere vennootschappen, waaronder Metroprop Vastgoed B.V., Lumiere Beheer B.V. en Karioka B.V.

  4. Metroprop Vastgoed B.V. is enig aandeelhouder van Parkhotel Rooding B.V., de vennootschap die het hotel aan [straatnaam 1] [huisnummer 1] drijft.

  5. [bestuurder stichting], in zijn hoedanigheid van bestuurder van de verschillende vennootschappen en de Stichting, heeft met [appellant 1], in zijn hoedanigheid van bestuurder van Headcase, in april 2008 besloten tot samenwerking terzake van begeleiding en ontwikkeling van verschillende projecten, waaronder een verbouwing van de vierde verdieping van Parkhotel Rooding en een verbouwing van de villa.

  6. De Stichting, Metroprop Vastgoed B.V., Lumiere Beheer B.V. en Karioka B.V. hebben vanaf april 2008 gebruik gemaakt van de diensten van Headcase. Headcase heeft de verschillende vennootschappen voor deze werkzaamheden gefactureerd.

  7. [appellant 1] heeft per 16 juni 2008 met zijn echtgenote [appellante 2] en hun kinderen met instemming van de Stichting zijn intrek genomen in het koetshuis.

  8. [bestuurder stichting] heeft per e-mail van 6 april 2009 aan [appellant 1] onder meer meegedeeld dat het vertrouwen in de bestuurs- en ontwikkelingscapaciteiten van [appellant 1] is verdwenen en dat [bestuurder stichting] niet gelooft dat [appellant 1] en hij financieel op een lijn kunnen komen, ook niet over de verhuur van de villa aan [appellant 1] en over het hernieuwen/continueren van de relatie. [bestuurder stichting] heeft [appellant 1] in deze mail verzocht om op korte termijn om te zien naar andere huisvesting.

  9. Bij brief van 7 mei 2009 van de advocaat van [bestuurder stichting] is [appellant 1] gesommeerd het koetshuis te ontruimen op 7 juni 2009.

  10. Een vordering tot ontruiming van de zijde van de Stichting is door de voorzieningenrechter van de Rechtbank Maastricht afgewezen bij vonnis van 1 oktober 2009. Dit vonnis is bekrachtigd door dit hof bij arrest van 4 januari 2011.

  11. Het huwelijk tussen [appellant 1] en [appellante 2] is duurzaam ontwricht geraakt. In verband daarmee hebben [appellante 2] en de kinderen het koetshuis omstreeks de eerste helft van 2010 verlaten en is [appellant 1] vanaf dat moment als enige in het koetshuis blijven wonen. Op 12 augustus 2011 heeft op grond van voormeld vonnis van 20 juli 2011 de ontruiming van [appellant 1] uit het koetshuis plaatsgevonden.

3.2.1.

In de onderhavige procedure hebben de Stichting c.s. in conventie gevorderd:

a. voor recht te verklaren dat er tussen Metroprop of de Stichting en geen van geïntimeerden een huurovereenkomst is gesloten en dat zij ook geen gebruiksrecht heeft verschaft aan geïntimeerden voor het gebruik om niet, betreffende het koetshuis gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 2] [huisnummer 3],

en voor het geval rechtens moet worden geoordeeld dat Metroprop of de Stichting dit gebruiksrecht wel heeft verleend,

b. te bepalen dat het gebruiksrecht door opzegging geëindigd is en geïntimeerden het koetshuis zonder recht of titel in gebruik houden,

en voorts in dat geval,

c. geïntimeerden te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, met al de hunnen en hetgeen van hunnentwege in het koetshuis aanwezig is, tot ontruiming over te gaan,

d. kosten rechtens.

3.2.2.

Bij het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011 heeft de rechtbank in conventie:

- voor recht verklaard dat tussen Metroprop en [appellanten] geen huurovereenkomst is gesloten en dat Metroprop geen recht heeft verschaft aan [appellanten] voor het gebruik om niet, van het koetshuis gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 2] [huisnummer 3];

- voor recht verklaard dat tussen de Stichting en [appellanten] geen huurovereenkomst betreffende het koetshuis gelegen te [plaats] aan de [straatnaam 2] [huisnummer 3] is gesloten, dat de Stichting dit koetshuis tijdelijk om niet in gebruik heeft gegeven aan [appellanten] en dat [appellanten] na opzegging van het gebruiksrecht het koetshuis zonder recht of titel in gebruik houden;

- [appellanten] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al de hunnen en hetgeen hunnentwege in het koetshuis aanwezig is tot ontruiming over te gaan;

- [appellanten] in de proceskosten veroordeeld;

- dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

- het meer of anders gevorderde afgewezen.

3.3.1.

In de onderhavige procedure hebben [appellant 1] en Headcase in reconventie gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

a. hoofdelijke veroordeling van de Stichting c.s. tot betaling aan Headcase van € 267.250,00 vermeerderd met rente,

b. veroordeling van de Stichting tot betaling aan [appellant 1] van € 77.350,00, vermeerderd met rente,

c. veroordeling van de Stichting c.s. in de kosten.

3.3.2.

Bij het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011 heeft de rechtbank in reconventie:

- de hiervoor in rov. 3.3.1 sub b weergegeven vordering afgewezen;

- in verband met de hiervoor in rov. 3.3.1. sub a weergegeven vordering een bewijsopdracht gegeven, namelijk heeft de rechtbank [appellanten] opgedragen te bewijzen dat op 1 april 2008 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Headcase en de Stichting c.s. inhoudende dat gedurende 36 maanden vanaf genoemde datum [appellanten] tegen een vergoeding van maximaal € 25.000,00 per kwartaal diensten zal verrichten inhoudende dat Headcase namens Metroprop [appellant 1] zou uitsturen om de begeleiding te doen van de ontwikkeling van het KPN-terrein te Heerlen;

- iedere verdere beslissing aangehouden.

Bij het vonnis waarvan beroep van 16 januari 2013 heeft de rechtbank onder het kopje 2. De verdere beoordeling in reconventie geoordeeld dat [appellanten] er niet in zijn geslaagd om het bestaan van de door hen gestelde overeenkomst te bewijzen. Dit betekent dat de vordering (voor zover daarover nog niet bij het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011 is geoordeeld), die als grondslag alleen heeft de overeenkomst waarvan het bestaan niet is bewezen, moet worden afgewezen, aldus de rechtbank.

Vervolgens heeft de rechtbank in reconventie de vordering, voor zover daarover nog niet is geoordeeld, afgewezen, met veroordeling van [appellanten] om de kosten van de reconventionele procedure van de Stichting c.s. aan de Stichting c.s. te betalen.

3.4.1.

[appellanten] hebben in hoger beroep zestien grieven aangevoerd. [appellanten] hebben geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep in reconventie gewezen tussen [appellant 1] en Headcase als eisers en Metroprop als gedaagde, en tot het, opnieuw recht doende, geheel toewijzen van alle vorderingen zoals vermeerderd in hoger beroep, met veroordeling van Metroprop in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen het salaris van de advocaat van Headcase, zulks uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4.2.

Bij memorie van antwoord hebben de Stichting c.s. de grieven bestreden. De Stichting c.s. hebben geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van deze procedure.

3.5.1.

Het hof overweegt dat het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011 gedeeltelijk een tussenvonnis en gedeeltelijk een eindvonnis is. Het is een tussenvonnis voor zover de rechtbank in reconventie in verband met de hiervoor in rov. 3.3.1. sub a weergegeven vordering een bewijsopdracht heeft gegeven en iedere verdere beslissing heeft aangehouden. Het is een eindvonnis voor wat betreft de beslissingen in conventie en voor zover de rechtbank in reconventie de hiervoor in rov. 3.3.1 sub b weergegeven vordering heeft afgewezen. Tegen het eindvonnis kon dadelijk worden geappelleerd. Voor zover [appellanten] bij deze hoger beroep hebben ingesteld tegen de beslissingen in conventie en de afwijzing in reconventie van de hiervoor in rov. 3.3.1 sub b weergegeven vordering, kunnen zij daarin niet worden ontvangen. Ten tijde van het instellen van het onderhavige hoger beroep op 14 februari 2013, was de beroepstermijn wat betreft het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011 voor zover dat een eindvonnis is immers reeds verlopen.

Overigens is tegen dat eindvonnis dadelijk geappelleerd, gezien het als productie 7 bij de memorie van grieven overgelegde arrest van dit hof van 5 februari 2013. Het hof heeft daarbij [appellante 2] niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep, Headcase niet-ontvankelijk verklaard in het door haar ingestelde hoger beroep, het vonnis van 20 juli 2011 vernietigd maar uitsluitend voor zover bij dat vonnis voor recht is verklaard dat [appellanten] na opzegging van het gebruiksrecht het koetshuis zonder recht of titel in gebruik houden en in zoverre opnieuw recht doende voor recht verklaard dat [appellant 1] het koetshuis in elk geval vanaf 1 april 2011 zonder recht of titel in gebruik houdt, het vonnis van 20 juli 2011, voor zover door [appellant 1] aangevochten, voor het overige bekrachtigd en [appellant 1] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Stichting c.s. veroordeeld.

3.5.2.

Het vorenstaande brengt mee dat grief III, die is gericht tegen de proceskostenveroordeling van [appellante 2] in eerste aanleg in conventie in het vonnis van 20 juli 2011, niet kan slagen.

3.6.

De grieven I en II, voor zover die ten betoge strekken dat [appellante 2] ten onrechte in reconventie in de proceskosten is veroordeeld, treffen echter doel. In de toelichting bij deze grieven hebben [appellanten] erop gewezen dat in reconventie betaling wordt gevorderd aan Headcase en [appellant 1], en niet (ook) aan [appellante 2]. In de weergave van de reconventionele vordering hiervoor in rov. 3.3.1 heeft het hof dit reeds tot uitdrukking gebracht. Nergens uit blijkt dat (ook) [appellante 2] de reconventionele procedure heeft ingesteld of willen instellen. Zij kan derhalve daarin niet als in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Wat dit betreft dient het vonnis waarvan beroep van 16 januari 2013 dan ook te worden vernietigd. Voor het overige kunnen de grieven I en II niet tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep leiden, wat daar verder ook van zij.

3.7.

Gelet op hetgeen in rov. 3.5.1 is overwogen is aan de orde in dit hoger beroep verder de hiervoor in rov. 3.3.1. sub a weergegeven vordering. De grieven IV tot en met XVI hebben daarop betrekking. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling als volgt.

3.8.

Volgens [appellanten] zijn zij er, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel in geslaagd te bewijzen dat op 1 april 2008 een overeenkomst tot stand is gekomen tussen Headcase en de Stichting c.s. inhoudende dat gedurende 36 maanden vanaf genoemde datum [appellanten] tegen een vergoeding van maximaal € 25.000,00 per kwartaal diensten zal verrichten inhoudende dat Headcase namens Metroprop [appellant 1] zou uitsturen om de begeleiding te doen van de ontwikkeling van het KPN-terrein te Heerlen.

[appellanten] hebben gesteld dat [appellant 1], althans de aan [appellant 1] gelieerde rechtspersoon Headcase, reeds sedert september 2007 ten behoeve van Metroprop (een rechtspersoon waarvan [bestuurder stichting] indirect de aandelen hield) doende was met de ontwikkeling van een ontwikkelingsproject, te weten het voormalige KNP-terrein te Heerlen. Volgens [appellanten] is daarvoor op 1 april 2008 tussen Headcase en Metroprop een driejarige overeenkomst tot stand gekomen. Deze overeenkomst werd, na het uitbrengen van een eerste aanbieding d.d.

5 oktober 2007 en later de offerte d.d. 11 februari 2008 almede een bespreking hierover op

5 maart 2008 tijdens de vastgoedbeurs Mipim te Cannes (Fr.), op weg naar een afspraak met de partners van Metroprop in dit ontwikkelingsproject, Stichting Woonpunt, eerst mondeling bekrachtigd en is vervolgens door [appellant 1] per e-mail op 18 april 2008 schriftelijk bevestigd, aldus [appellanten]

3.9.

Het hof stelt vast dat de eerste aanbieding d.d. 5 oktober 2007 (productie 4, akte 23 november 2011) noch de offerte d.d. 11 februari 2008 (productie 7, akte 23 november 2011) een aanbod voor een overeenkomst met de specifieke, te bewijzen inhoud behelst. Ook de e-mail van 18 april 2008 (productie 22, akte 23 november 2011) kan niet worden beschouwd als inhoudende het aanbod dat op 1 april 2008 door [bestuurder stichting] zou zijn aanvaard, reeds omdat deze e-mail dateert van daarna (18 april 2008).

Voorts is niet gebleken dat Metroprop (of de Stichting) een overeenkomst met die specifieke inhoud heeft aanvaard. Daarbij is van belang dat de in het kader van de bewijsopdracht afgelegde getuigenverklaringen geen, althans onvoldoende steun bieden voor de stellingen van [appellanten]. Zo heeft [bestuurder stichting] in zijn getuigenverklaring verklaard, samengevat weergegeven, dat hij met [appellant 1] heeft afgesproken dat [appellant 1] vanaf april 2008 ten behoeve van alle projecten waarin zijn rechtspersonen een belang hebben voor zover betreffende Zuidelijk Limburg (dus niet alleen de ontwikkeling van het KPN-terrein te Heerlen) activiteiten zou kunnen ontplooien en dat [appellant 1] voor zijn werkzaamheden € 25.000,00 per drie maanden in rekening zou kunnen brengen en dat er in oktober 2008 een evaluatiemoment zou zijn waarop vervolgens door [bestuurder stichting] zou worden beslist of hij de relatie met [appellant 1] zou willen voortzetten.

Tot slot konden, nu niet vast kan komen te staan dat een aanbod voor een overeenkomst met die specifieke inhoud is gedaan, [appellanten] er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat een dergelijk aanbod door Metroprop (of de Stichting) is aanvaard. De e-mail van 18 april 2008 (productie 22, akte 23 november 2011) bevat niet met zoveel woorden een schriftelijke bevestiging van een mondelinge overeenkomst, zoals [appellanten] stellen. Die e-mail luidt onder het kopje Samenwerking ‘Onze overeenkomst staat nog steeds niet op papier’. Uit de e-mail komt eerder naar voren dat [appellant 1] niet voldoende zekerheid had dat een overeenkomst met de inhoud als geformuleerd in die e-mail tot stand was gekomen, daargelaten dat dit een andere inhoud is dan de te bewijzen inhoud van de overeenkomst volgens de bewijsopdracht (zie ook hierna rov. 3.11). Ook doet [appellant 1] [bestuurder stichting] nog een voorstel met betrekking tot de ‘éénmalige onderbreking’, wat zich niet laat rijmen met het standpunt dat al (volledige) overeenstemming zou zijn bereikt.

3.10.

Gelet op het voorgaande komt het hof tot hetzelfde oordeel als de rechtbank met betrekking tot de vraag of [appellanten] hebben voldaan aan de bewijsopdracht. Daarbij heeft het hof geen zwaardere dan gebruikelijke eisen gesteld aan het bewijs dat [appellanten] mochten leveren. [appellanten] klagen dat de rechtbank in het vonnis waarvan beroep van 16 januari 2013 dit wel heeft gedaan, waarbij zij doelen op hetgeen de rechtbank heeft overwogen in rov. 2.3. Het hof overweegt dat, zoals [appellanten] naar voren hebben gebracht, voor de totstandkoming van een overeenkomst als de onderhavige geen vormvoorschrift geldt, dus bijvoorbeeld de overeenkomst niet in een geschrift hoeft te worden gegoten. In deze past het hof de vrije bewijsleer toe (artikel 152 Rv).

3.11.

[appellanten] hebben ook gesteld dat de driejarige overeenkomst vanaf 1 april 2008 als uitgangspunt heeft dat deze op dat moment ook meer kan omvatten dan uitsluitend de begeleiding en ontwikkeling van het KPN-terrein in Heerlen. Voor zover deze stelling ten grondslag ligt aan de hiervoor in rov. 3.3.1. sub a weergegeven vordering, overweegt het hof als volgt.

Mede gelet op de getuigenverklaring van [bestuurder stichting] kan worden aangenomen dat [appellant 1]/Headcase enerzijds en de Stichting/Metroprop anderzijds een overeenkomst van opdracht hebben gesloten waarbij [appellant 1]/Headcase vanaf 1 april 2008 werkzaamheden zou kunnen verrichten ten behoeve van rechtspersonen van [bestuurder stichting] (niet alleen de ontwikkeling van het KPN-terrein te Heerlen).

Niet kan echter worden geoordeeld dat daarvoor een betalingsafspraak is gemaakt waardoor [appellant 1]/Headcase aanspraak kunnen maken op een vast bedrag van € 25.000,00 per kwartaal, namelijk de aanneemsom van € 300.000,00 in tien gelijke delen van € 25.000,00 nadat eerst een voorschot van € 50.000,00 is voldaan alsmede betaling van onkosten en een winstaandeel in Heerlen van 10%.

[appellanten] hebben een groot aantal schriftelijke stukken overgelegd, maar een akte, dienend tot bewijs van deze afspraak, heeft het hof daarbij niet aangetroffen. De e-mail van 18 april 2008 (productie 22, akte 23 november 2011) is slechts een e-mail afkomstig van [appellant 1]/Headcase zelf. Nergens kan hieruit worden afgeleid dat de Stichting/Metroprop heeft ingestemd met het in die e-mail geformuleerde ‘uitgangspunt’. Volgens de getuigenverklaring van [bestuurder stichting] is er een andere, afwijkende, afspraak gemaakt over de vergoeding van de werkzaamheden en de duur van de overeenkomst.

3.12.

Het vorenstaande brengt mee dat de grieven IV tot en met XVI falen; dat betekent ook dat de gevorderde eisvermeerdering met de wettelijke handelsrente in plaats van de wettelijke rente geen bespreking behoeft. Aan het door [appellanten] gedane bewijsaanbod gaat het hof voorbij als onvoldoende gespecificeerd. Zij hebben bewijs aangeboden door middel van het horen van getuigen, maar zij hebben geen namen van getuigen genoemd (ondanks de aankondiging daarvan op pagina 22, eerste zin, bovenaan van de memorie van grieven) en ook niet aangegeven wat te horen getuigen uit eigen waarneming kunnen verklaren. Niet, althans onvoldoende, duidelijk is welke feiten en omstandigheden [appellanten] aanbieden te bewijzen. Nu reeds in eerste aanleg bewijslevering heeft plaatsgevonden, mocht van hen worden verwacht dat zij hun bewijsaanbod meer zouden hebben gespecificeerd.

3.13.

Bij wijze van eisvermeerdering heeft Headcase gevorderd dat Metroprop wordt veroordeeld om € 10.000,00 aan Headcase te betalen. Deze vordering berust op de redenering van [appellanten] dat Metroprop als moedermaatschappij kan worden vereenzelvigd met Lumiere Beheer B.V. en dat Lumiere Beheer B.V. Headcase nog € 10.000,00 courtage verschuldigd is. Deze vordering komt niet voor toewijzing in aanmerking, reeds niet omdat [appellanten] onvoldoende concreet hebben onderbouwd dat deze rechtspersonen kunnen worden vereenzelvigd. Dat Metroprop moedermaatschappij is van Lumiere Beheer B.V. en [bestuurder stichting] bestuurder is van beide rechtspersonen is daartoe in elk geval onvoldoende. Bijkomende omstandigheden waardoor deze rechtspersonen niettemin kunnen worden vereenzelvigd, zijn niet gebleken.

3.14.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat voor zover [appellanten] hoger beroep hebben ingesteld tegen de beslissingen in conventie en de afwijzing in reconventie van de hiervoor in rov. 3.3.1 sub b weergegeven vordering in het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011, zij daarin niet-ontvankelijk zullen worden verklaard. Voorts zal voor zover [appellante 2] in reconventie in de proceskosten is veroordeeld, het vonnis waarvan beroep van 16 januari 2013 worden vernietigd. Voor het overige zullen de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan de orde, worden bekrachtigd. Het door Headcase in hoger beroep gevorderde (zie hiervoor rov. 3.13) zal worden afgewezen. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen zullen [appellant 1] en Headcase worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van de Stichting c.s. en omdat zij over en weer op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld, zullen de kosten van het hoger beroep tussen [appellante 2] en de Stichting c.s. worden gecompenseerd.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellanten] niet-ontvankelijk voor zover zij hoger beroep hebben ingesteld tegen de beslissingen in conventie en de afwijzing in reconventie van de hiervoor in rov. 3.3.1 sub b weergegeven vordering in het vonnis waarvan beroep van 20 juli 2011;

vernietigt het vonnis waarvan beroep van 16 januari 2013 voor zover [appellante 2] in reconventie in de proceskosten is veroordeeld;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep, voor zover aan de orde, voor het overige;

wijst het door Headcase in hoger beroep gevorderde af;

veroordeelt [appellant 1] en Headcase in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de Stichting c.s. worden begroot op € 4.961,00 aan griffierecht en op € 4.894,50 aan salaris advocaat;

compenseert de kosten van het hoger beroep tussen [appellante 2] en de Stichting c.s. aldus dat elk der partijen haar eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J.H.A. Venner-Lijten, J.P. de Haan en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2014.