Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4337

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-10-2014
Datum publicatie
23-10-2014
Zaaknummer
HD 200.108.860_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

toepassing prejudiciële uitspraak HR 7 maart 2014; oproeping bewindvoerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.108.860/01

arrest van 21 oktober 2014

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. A. Verbroekken te Boxmeer,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. M. Rijnbergen te Sittard,

op het bij exploot van dagvaarding van 14 juni 2012 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, van 14 maart 2012, gewezen tussen [appellante] en [toenmalige echtgenoot van appellante] als gedaagden in conventie, eisers in voorwaardelijke reconventie en [geïntimeerde] als eiseres in conventie, verweerster in voorwaardelijke reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 446161 CV EXPL 11-4045)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord;

- het op 31 juli 2014 gehouden pleidooi, waarbij beide partijen pleitnotities hebben overgelegd en waarmee [appellante] nog een productie heeft overgelegd.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

3.1.1.

[geïntimeerde] heeft de eigendom van een woning aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). Volgens een op of omstreeks 17 juli 2010 opgestelde schriftelijke overeenkomst is de woning verhuurd voor een periode van één jaar, tegen een huurprijs van € 875,- per maand. In die overeenkomst is de afgedrukte naam ‘de heer [afgedrukte naam]’ doorgestreept en daarboven is handgeschreven vermeld: ‘[appellante met de achternaam van haar toenmalige echtgenoot]’.

3.1.2.

Op 8 april 2011 heeft de politie telefonisch aan [geïntimeerde] medegedeeld dat in de woning een hennepplantage/drogerij werd geëxploiteerd en dat deze plantage/drogerij door de politie is ontmanteld.

3.1.3.

Volgens een op 22 april 2011 opgestelde overeenkomst is de huurovereenkomst beëindigd per 1 mei 2011 en zal de huurder vóór 6 mei 2011 schade ten bedrage van € 5.450,20 aan [geïntimeerde] vergoeden. In die overeenkomst worden als huurders vermeld: ‘de heer en mevrouw [huurders]’. Deze overeenkomst is ondertekend door de toenmalige echtgenoot van [appellante], [toenmalige echtgenoot van appellante].

3.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg zowel [appellante] als [toenmalige echtgenoot van appellante] gedagvaard teneinde betaling te verkrijgen van:

a. € 5.057,50 ter zake schade volgens een factuur van 9 mei 2011 van schoonmaakbedrijf Mara;

b. € 2.438,- ter zake schade volgens een offerte van 9 augustus 2011 van schoonmaakbedrijf Mara;

c. € 392,70 en € 237,50 ter zake (schade wegens) containerhuur;

d. € 60,- ter zake (schade volgens) een factuur van een slotenmaker;

e. € 145,24 ter zake (schade aan) een vloerzeil;

f. € 875,00 ter zake de huur over april 2011;

g. € 700,- ter zake buitengerechtelijke kosten;

te vermeerderen met proceskosten.

Daartoe heeft [geïntimeerde], samengevat, gesteld dat [appellante] (naast [toenmalige echtgenoot van appellante]) is tekortgeschoten in haar verbintenissen uit de huurovereenkomst en dat zij de huur over april 2011 dient te betalen alsmede de schade aan [geïntimeerde] dient te vergoeden die is ontstaan doordat de onderhuurder in de woning een hennepplantage/drogerij heeft geëxploiteerd.

3.3.

[appellante] en [toenmalige echtgenoot van appellante] hebben verweer gevoerd en zich, onder meer, beroepen op verrekening met een betaalde waarborgsom van € 875,- en in reconventie, voorwaardelijk, voor het geval het beroep op verrekening wordt verworpen, die waarborgsom teruggevorderd.

3.4.

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering op [toenmalige echtgenoot van appellante] en, samengevat, het volgende beslist over de hiervoor genoemde gevorderde bedragen:

a. € 5.057,50: toegewezen;

b. € 2.438,-: afgewezen;

c. € 392,70: toegewezen, en € 237,50: afgewezen;

d. € 60,-: afgewezen;

e. € 145,24: afgewezen;

f. € 875,00: toegewezen, maar het beroep op verrekening met de waarborgsom van € 875,- gehonoreerd:

g. € 700,-: toegewezen;

met veroordeling van [appellante] in de proceskosten.

Aan de vordering in reconventie is de kantonrechter niet toegekomen vanwege de voorwaarde waaronder die vordering was ingesteld.

3.5.

[appellante] is tijdig in hoger beroep gekomen. Zij heeft vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en geconcludeerd dat het hof dat vonnis zal vernietigen en alsnog de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met haar veroordeling in de proceskosten.

3.6.

Vanwege het ontbreken van incidenteel appel is het hoger beroep beperkt tot de vordering tegen [appellante] tot een bedrag van in hoofdsom € 5.057,50.

3.7.

Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellante] (voor het eerst) aangevoerd dat sprake is geweest van identiteitsfraude en dat een derde zich, met behulp van [toenmalige echtgenoot van appellante], voor haar heeft uitgegeven. Zij is geen huurovereenkomst met [geïntimeerde] aangegaan en zij heeft [geïntimeerde] nimmer ontmoet, aldus [appellante]. Voorts is ter gelegenheid van het pleidooi (eveneens voor het eerst) door [appellante] medegedeeld dat zij onder bewind is gesteld.

3.8.

Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad in zijn arrest van 7 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:525) onder meer het volgende heeft overwogen:

“3.3.2. Tijdens het bewind komt het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (art. 1:438 leden 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende (…). Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt ingesteld.

(…)

3.4.2. (…)

In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing. In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt, dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.”

3.9.

Zoals hiervoor al is vermeld, is tijdens het pleidooi voor het eerst naar voren gekomen dat bewind is ingesteld over de goederen van [appellante]. Het bestreden vonnis betreft een veroordeling van [appellante] om schadevergoeding aan [geïntimeerde] te betalen (vermeerderd met kosten), zodat dit vonnis gevolgen heeft voor de onder bewind staande goederen waarover de bewindvoerder, met uitsluiting van [appellante], het beheer heeft. [appellante] is zelf in hoger beroep gekomen van het bestreden vonnis. Afhankelijk van de dag waarop het bewind is ingesteld had niet [appellante], maar haar bewindvoerder het hoger beroep dienen in te stellen, of had de bewindvoerder moeten verzoeken om het geding als procespartij van [appellante] over te nemen. Uit de processtukken blijkt in dit geval zelfs niet of de bewindvoerder op de hoogte is van, en instemt met, het door [appellante] ingestelde hoger beroep.

3.10.

Het hof is van oordeel dat de bewindvoerder in dit geding dient te verschijnen om het als formele procespartij over te nemen. Het hof ziet [appellante] als de meest gerede partij om de bewindvoerder daartoe op te roepen. De zaak zal worden verwezen naar de rol voor een akte waaruit dient te blijken of de bewindvoerder het geding van [appellante] overneemt. [geïntimeerde] mag daarna een antwoordakte nemen.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 18 november 2014 voor een akte aan de zijde van [appellante] met het in rov 3.10 genoemde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, M. van Ham en J.K. Six-Hummel en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 oktober 2014.