Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4252

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2014
Datum publicatie
17-10-2014
Zaaknummer
F 200.139.190_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 16 oktober 2014

Zaaknummer: F 200.139.190/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/182782 / FA RK 13-1602

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. A.L.M. van Uden,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats],

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.M. van Aarsen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2013.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 december 2013, heeft de man verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen (naar het hof begrijpt: voor zover daarbij een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de hierna nader te noemen minderjarige [de zoon] is vastgesteld) en, opnieuw rechtdoende:

a. voormelde beschikking te vernietigen en de zaak te verwijzen naar de rechter in eerste aanleg;

b. het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen;

c. de op de man rustende verplichting tot betaling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] te wijzigen in nihil, met terugwerkende kracht vanaf 8 april 2013, althans vanaf een datum die het hof redelijk acht.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 februari 2014, heeft de vrouw primair verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel de door de man aangedragen grieven in hoger beroep te verwerpen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen. Subsidiair heeft de vrouw verzocht een zodanig bedrag en een zodanige ingangsdatum vast te stellen als het hof juist acht.

2.3.

De vrouw heeft bij V6-formulier d.d. 15 augustus 2014 een aanvullend verzoek gedaan, waarbij zij heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure in hoger beroep van in totaal € 586,-.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 september 2014.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Uden;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Aarsen.

2.4.1.

Het hof heeft de minderjarige [de zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 29 april 2014. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlage van de advocaat van de man d.d. 28 april 2014.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [de zoon] (hierna: [de zoon]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats];

- [de dochter] (hierna: [de dochter]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats].

3.2.

Bij beschikking van 19 april 2001 heeft de rechtbank Maastricht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 6 september 2001 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

Bij beschikking van 10 januari 2012 heeft de rechtbank Maastricht bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] en [de dochter] moet voldoen een bedrag van € 155,- per kind per maand. Bij beschikking van 2 april 2013 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, deze beschikking ten aanzien van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de zoon] gewijzigd en deze bijdrage met ingang van 23 januari 2012 op nihil bepaald.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht - met wijziging van haar eerdere beschikking van 2 april 2013 voor zover daarbij de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] op nihil is bepaald - bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] moet voldoen een bedrag van € 157,64 per maand met ingang van 8 april 2013.

3.5.

De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.6.

De man voert met de grieven 1 en 2 – samengevat – aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijdens de man geen verweer is gevoerd. Volgens de man heeft hij wel verweer gevoerd, maar is zijn verweerschrift geweigerd. De man acht dit onaanvaardbaar nu ingevolge artikel 282 Rv iedere belanghebbende tot de aanvang van de behandeling een verweerschrift kan indienen. Voorts is het indienen van een verweerschrift niet verplicht. Volgens de man is het denkbaar dat een in het verzoekschrift genoemde belanghebbende conform het bepaalde in artikel 279 Rv wordt opgeroepen en vervolgens ter terechtzitting verschijnt en aldaar van de rechter gelegenheid krijgt zijn verweer mondeling naar voren te brengen. Verder acht de man het onder de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar dat overschrijding van een termijn met één dag wordt gesanctioneerd met een weigering van het verweer.

Tot slot stelt de man dat hij, gelet op zijn inkomen, over onvoldoende draagkracht beschikt om de vastgestelde kinderalimentatie ten behoeve van [de zoon] te voldoen. Ter staving van zijn stelling heeft hij een draagkrachtberekening overgelegd.

3.7.

De vrouw betwist de stellingen van de man en voert in haar verweerschrift aan dat er geen grond aanwezig is om de bestreden beschikking te vernietigen en de zaak terug te verwijzen naar de rechtbank. Voorts betwist de vrouw dat de man geen draagkracht heeft om de eerder door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage voor [de zoon] van € 155,- per maand opnieuw te betalen.

3.8.

Het hof overweegt als volgt.

3.8.1.

Voor zover de man heeft verzocht de onderhavige zaak terug te verwijzen naar de rechtbank voor een inhoudelijke behandeling in eerste aanleg, merkt het hof op dat dit verzoek niet op de wet is gebaseerd. De man heeft nagelaten te stellen op grond waarvan in deze specifieke situatie van de wettelijke regeling afgeweken zou dienen te worden.

Voorts gaat de man er ten onrechte aan voorbij dat het hoger beroep tevens dient om in eerste aanleg begane omissies te herstellen. Het feit dat de man in eerste aanleg niet tijdig een verweerschrift heeft ingediend en niet is gehoord, heeft er niet aan in de weg gestaan dat hij thans in hoger beroep alsnog de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt naar voren te brengen en van die gelegenheid ook gebruik heeft gemaakt. Derhalve falen de grieven 1 en 2 wegens gebrek aan belang.

3.8.2.

Ook de grief van de man die ziet op zijn draagkracht slaagt niet op grond van het volgende.

De man is in hoger beroep gekomen, stellende dat hij geen draagkracht heeft om de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de zoon] te betalen. Het hof is van oordeel dat het, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw, op de weg van de man had gelegen om zijn stellingen deugdelijk, met relevante en recente financiële stukken te onderbouwen. De man heeft weliswaar gesteld dat het - eerst ter zitting van het hof en niet al in het verweerschrift - gevoerde verweer van de vrouw ten aanzien van de door de man overgelegde draagkrachtberekening en de door hem ingebrachte financiële stukken als in strijd met een goede procesorde moet worden aangemerkt, maar het hof gaat aan deze stelling als niet steunend op de wet voorbij: de vrouw mag ook op de mondelinge behandeling verweer voeren.

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [de zoon] te betalen niet heeft aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt. De door de man in het geding gebrachte stukken geven naar het oordeel van het hof onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie. Zo ontbreken recente financiële gegevens zoals de jaaropgave van de werkgever van de man over 2013. De man heeft ook geen aangiftes inkomstenbelasting en de daarbij behorende aanslagen in het geding gebracht. Dit klemt te meer, nu de man ter zitting van het hof heeft erkend al gedurende drie jaar een webwinkel te hebben, die staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De man heeft verklaard dat hij met die webwinkel goederen verkoopt en de daaruit verkregen inkomsten investeert. Het hof is van oordeel dat de man heeft nagelaten aan het hof duidelijk te maken of en in hoeverre er bij hem sprake is van inkomen uit onderneming. De man is voldoende in de gelegenheid geweest de relevante stukken in het geding te brengen. Dat hij dit onvoldoende heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico.

Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] niet kan betalen.

Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, dan ook bekrachtigen.

3.8.3.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure ziet het hof onvoldoende aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke regel die inhoudt dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 13 november 2013, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.C. van Dijkhuizen, C.D.M. Lamers en

A.P. van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2014.