Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4240

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
HD 200.152.312_01
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding gericht op werkhervatting na onvoldoende re-integratie-inspanningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/771
GZR-Updates.nl 2014-0421
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.152.312/01

arrest van 14 oktober 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe te Arnhem,

tegen

Stichting Kempenhaeghe,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Kempenhaeghe,

advocaat: mr. D.B. Muller te Breda,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 juli 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis in kort geding van de rechtbank Oost-Brabant, kanton Eindhoven van 6 juni 2014, gewezen tussen [appellant] als eiser en Kempenhaeghe als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 3028887 rolnummer 14-5276)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met grieven en producties;

- de memorie van antwoord met producties.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten. Hierbij gaat het hof uit van de feiten zoals deze door de kantonrechter in kort geding zijn vastgesteld en voor zover deze niet zijn bestreden door de grieven. Waar nodig zal het hof de feiten aanvullen.

3.1.1.

[appellant], geboren op [geboortedatum] 1955, is sinds mei 2008 in dienst bij Kempenhaeghe in de functie van medisch specialist in het specialisme neurologie. De omvang van het dienstverband is 80% en op de arbeidsovereenkomst is de CAO Ziekenhuizen en de daarvan deel uitmakende Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten (hierna: AMS) van toepassing. Het salaris van [appellant] bedraagt laatstelijk € 8.656,-- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag en toeslagen.
Kempenhaeghe is het leidend expertisecentrum in Nederland binnen onder andere de vakgebieden slaapgeneeskunde en neurologische leer- en ontwikkelingsstoornissen. Kempenhaeghe is aldus een derdelijns gezondheidscentrum waar cliënten naartoe worden verwezen op het moment dat de eerste- of tweedelijns gezondheidszorg niet toereikend is.
is sinds 10 juni 2012 in verband met arbeidsongeschiktheid als gevolg van ziekte niet in staat de bedongen arbeid te verrichten. Hij is die dag op straat gevallen en heeft een hersenkneuzing opgelopen, hetgeen heeft geleid tot een zogenaamde niet-aangeboren hersenafwijking. [appellant] is vanaf 15 oktober 2012 begonnen met re-integreren.

3.1.2.

De door Kempenhaeghe benaderde arbeidsdeskundige van Verzuimconsult (hierna: Verzuimconsult) heeft in een rapportage van 25 oktober 2013 geconcludeerd dat ten aanzien van [appellant] sprake is van medische klachten welke leiden tot ongeschiktheid voor de bedongen arbeid in volle omvang, dat aanpassingen en/of voorzieningen dit niet afwenden, dat binnen de eigen organisatie geen ander passend werk structureel beschikbaar is en dat partijen voor duurzame re-integratie mede zijn aangewezen op het tweede spoor (ander werk bij andere werkgever). Zolang twijfel bestaat aan volledige inzetbaarheid van [appellant], met name met betrekking tot patiëntencontact/-onderzoek dan wel diagnostiek, neemt inzet van voorzieningen en/of aanpassingen het potentiële afbreukrisico niet weg. Een voortdurende controle, dan wel monitoring zal noodzakelijk blijken te zijn zodat potentiële risico’s worden ondervangen. Functies binnen de eigen beroepsgroep (arts met patiëntencontact) zijn volgens Verzuimconsult niet passend te achten en Kempenhaeghe beschikt verder niet over andere voor [appellant] passende arbeid (aanvullende productie 16 van Kempenhaeghe).

3.1.3.

Het UWV heeft in een deskundigenoordeel van 10 februari 2014 (productie 17 bij memorie van grieven) aan [appellant] bericht dat hij op medische gronden vanaf 22 april 2013 in staat was onder supervisie patiëntencontacten te hebben en deze op geleide van de geconstateerde prestaties in frequentie uit te bereiden, dat Kempenhaeghe hem vanaf genoemde datum hiertoe in de gelegenheid had dienen te stellen en dat Kempenhaeghe, door dit te weigeren, heeft veroorzaakt dat re-integratiemogelijkheden onbenut zijn gebleven.

3.1.4.

De arbeidsdeskundige van het UWV heeft in een rapportage van 28 januari 2014 aangegeven dat de inspanningen van werkgever (hier: Kempenhaeghe) en cliënt (hier: [appellant]) er op gericht moeten zijn om cliënt in die omvang en zwaarte (aard en complexiteit van werkzaamheden) te herplaatsen naar gelang de mogelijkheden van cliënt toestaan, dat dit laatste tot op heden niet is gebeurd omdat cliënt geen verdere kans is geboden het werken met patiëntcontact uit te proberen en (middels planmatige begeleiding) eigen te maken onder gegeven beperkingen en mogelijkheden. De conclusie van de arbeidsdeskundige is dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie inspanningen niet voldoende zijn (bijlage bij brief van het UWV van 10 februari 2014).

3.1.5.

De heer prof. dr. [medisch hoofd (MH) CSG] (hierna: [medisch hoofd (MH) CSG]), medisch hoofd (MH) CSG heeft in een rapportage van 30 december 2013 geconcludeerd dat de globale beoordeling van [appellant] negatief is op het vlak van klinische vaardigheden en medisch-specialistische deskundigheid en dat op basis van de vastgestelde foutenlast de patiëntveiligheid niet kan worden geborgd. Volgens [medisch hoofd (MH) CSG] is de re-integratie van [appellant] in zijn functie als medisch specialist, na een intensief begeleidingstraject over een periode van mei tot en met december 2013, niet gelukt en zijn de basisvoorwaarden voor veilige zorg niet geborgd (inleidende dagvaarding, productie 12).

3.1.6.

Kempenhaeghe heeft in een brief van 4 maart 2014 aan [appellant] geschreven dat de door haar ingeschakelde arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat [appellant] niet langer geschikt was voor het eigen werk en dat Kempenhaeghe ook geen passend werk voor hem had, zodat de slotsom was dat Kempenhaeghe geen re-integratiemogelijkheden in spoor 1 zag en dit spoor dus afsloot, en de re-integratie inspanningen vanaf 20 februari 2014 volledig gericht zouden zijn op het al ingezette spoor 2 (inleidende dagvaarding, productie 14).

3.1.7.

Het UWV heeft in een beslissing van 4 april 2014 aan [appellant] aangegeven dat zij van oordeel is dat Kempenhaeghe niet alle verplichtingen is nagekomen voor zijn re-integratie, als gevolg waarvan de periode waarin [appellant] tijdens ziekte recht heeft op loon is verlengd tot 6 juni 2015 zodat Kempenhaeghe de tijd heeft om de tekortkomingen te herstellen. In het bijbehorende samenvatting bij het rapport van de arbeidsdeskundige van 31 maart 2014 is aangegeven (inleidende dagvaarding, productie 15):


(…) De ondernomen re-integratie inspanningen zijn onvoldoende want werknemer (hier: [appellant]) werkt niet terwijl hij wel arbeidsmogelijkheden heeft. Er zijn mogelijkheden in spoor één aangegeven, zoals reeds beschreven in het deskundigen oordeel van begin 2014, die werkgever (hier: Kempenhaeghe) na interne overwegingen niet verder wenste te onderzoeken. Verder zijn er te laat activiteiten ondernomen in het 2e spoor. In april 2013 wordt in een memo (19-04-2013) al gesproken over twijfel over de haalbaarheid maar pas in januari 2014 (14-01-2014) wordt een offerte door een re-integratiebureau gedaan die op 30-01-2014 wordt bevestigd. Het traject spoor twee zal eind maart 2014 gaan starten.

Heeft de werkgever hiervoor een deugdelijke grond? Nee, want er is geen reden geweest om geen nader onderzoek te doen naar de verdere mogelijkheden binnen spoor één. Ook is er geen grond geweest om spoor twee laat op te starten. Immers werknemer had mogelijkheden tot verrichten van werkzaamheden binnen zijn beperkingen. Deugdelijke grond voor de late inzet van spoor twee werd niet aangegeven vanuit de werkgever. Er zijn wel vele gesprekken geweest in kader van de re-integratie echter feitelijke inzet van spoor twee, inzet van een re-integratiebedrijf, is pas begin 2014 gedaan.

De loondoorbetalingsverplichting van de werkgever moet daarom worden verlengd met maximaal 52 weken.

Hoe te repareren:
Continuering re-integratie in spoor 1 en in spoor 2 een adequaat spoor 2 traject opzetten. (…)”.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] (voor zover in hoger beroep nog van belang) Kempenhaeghe te veroordelen hem wederom toe te laten tot het werk en hem te re-integreren in zijn eigen (aangepaste) bedongen arbeid door hem voor ten minste 24 uren per week, althans voor zoveel uren als waartoe hij in staat is, onder meer slaaponderzoeken en patiëntencontacten te laten verrichten, een en ander overeenkomstig de aanwijzingen van de bedrijfsarts en hetgeen bepaald door het UWV bij deskundigenoordeel (10 februari 2014) en besluit loonsanctie (4 april 2014), alles op last van een dwangsom van € 1.000,- per dag of gedeelte van een dag en Kempenhaeghe te veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant], kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Kempenhaeghe is nalatig gebleven om hem na zijn arbeidsongeschiktheid in juni 2012 in voldoende mate te re-integreren, ondanks aanwijzingen daartoe van de zijde van de bedrijfsarts en deskundigen van het UWV. Het UWV heeft Kempenhaeghe daarom ook een loonsanctie als bedoeld in artikel 7:629 lid 11 BW opgelegd van één jaar tot juni 2015. Sedert 20 februari 2014 zit [appellant] noodgedwongen thuis omdat Kempenhaeghe niet bereid is hem nog werk aan te bieden (hij is vrijgesteld van werk).

3.2.3.

Kempenhaeghe heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij stelt zich kort samengevat op het standpunt dat het voor [appellant] na anderhalf jaar arbeidsongeschiktheid en ondanks een langdurig revalidatietraject, niet haalbaar en niet mogelijk was om te re-integreren in de eigen functie en dat het ook niet mogelijk was om diens eigen functie aan te passen, waarmee wat Kempenhaeghe betreft re-integratie in het eerste spoor afgesloten is. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het vonnis van 6 juni 2014 heeft de kantonrechter de door [appellant] gevorderde voorziening geweigerd en daartoe kort samengevat het volgende overwogen. Kempenhaeghe heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat in de gegeven omstandigheden van haar niet kan worden gevergd om [appellant] te laten re-integreren in het eigen (aangepaste) werk. Een hervatting van patiëntencontact medio 2013 is (opnieuw) niet goed verlopen terwijl bij het verrichten van uitsluitend slaaponderzoeken nadien (waarbij geen patiëntencontact bestaat), niet alleen onvoldoende tempo kon worden betracht, maar bovendien in een relatief (te) hoog aantal gevallen, misslagen zijn begaan. Dat wordt bevestigd in een rapport van 25 oktober 2013 van Verzuimconsult. Over het functioneren van [appellant] is in december 2013 verder nog een rapport uitgebracht door het medisch hoofd van Kempenhaeghe, prof. [medisch hoofd (MH) CSG], waarin is neergelegd dat het functioneren van [appellant] niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen. Aan de rapportage en het oordeel van het UWV is de kantonrechter voorbij gegaan, omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat Kempenhaeghe een verplichting heeft om [appellant] verder te laten re-integreren in de eigen functie.

Op grond daarvan heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering als hiervoor geformuleerd. Hierna zal bij de bespreking van de grieven blijken in hoeverre de vordering van [appellant] toewijsbaar is. Daarbij stelt het hof voorop dat de vordering van [appellant], gericht op wedertewerkstelling in de bedongen arbeid, naar haar aard nog immer spoedeisend is te noemen.

3.5.1.

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven betoogt [appellant] immers in wezen dat Kempenhaeghe ten onrechte en veel te voorbarig de re-integratie in de eigen werkzaamheden na zijn arbeidsongeschiktheid als gevolg van een val in juni 2012 en het daaruit voortvloeiend hersenletsel heeft stopgezet. [appellant] voelt zich in die stelling gesteund door rapportages van de bedrijfsarts en de deskundigen van het UWV.

3.5.2.

Het hof stelt voorop dat de door [appellant] verzochte voorziening zich slechts dan voor toewijzing leent indien in een daartoe aan te spannen bodemprocedure een daarop gerichte vordering naar verwachting een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing thans gerechtvaardigd is te achten. Meer in het bijzonder is daarbij in deze zaak van belang of Kempenhaeghe op voldoende dragende gronden geen gevolg behoeft te geven aan de wens van [appellant] om overeenkomstig zijn arbeidsovereenkomst wederom zijn beroep als medisch gespecialiseerde neuroloog in enigerlei vorm uit te oefenen. Kempenhaeghe twijfelt in ernstige mate aan de inzetbaarheid van [appellant] meer in het bijzonder op het terrein van het patiëntencontact/onderzoek en de diagnostiek. Partijen zijn het erover eens dat deze beide onderdelen van het werk van [appellant] essentieel zijn voor zijn beroep als neuroloog. De vordering van [appellant] is er naar het hof begrijpt daarom op gericht om met behoud van deze essentialia van zijn werk wederom voor Kempenhaeghe werkzaam te zijn (ook wel spoor 1 genoemd).

3.5.3.

Ingevolge artikel 7:658a BW rust op de werkgever een actieve inspannings-verplichting om te bevorderen dat een werknemer die als gevolg van arbeidsongeschiktheid niet in staat is de bedongen arbeid te verrichten in staat wordt gesteld om zoveel mogelijk de eigen dan wel andere passende arbeid te verrichten. Daartoe dient in overleg tussen werkgever en werknemer op grond van lid 3 van dat artikel tevens een plan van aanpak te worden gemaakt waarbij ingevolge artikel 4 van de Regeling procesgang eerste en tweede jaar een wezenlijke rol is weggelegd voor de door de werkgever aangewezen bedrijfsarts dan wel de door hem ingeschakelde Arbodienst. Laatgenoemden dienen niet alleen betrokken te worden bij het opstellen van een dergelijk plan, maar ook bij een regelmatige tussentijds evaluatie (leden 3, 4 en 5 van voornoemd artikel).

3.5.4.

Partijen hebben niet of nauwelijks (gegevens omtrent) het standpunt van de bedrijfsarts ingebracht. Als producties 6 en 7 bij dagvaarding in eerste aanleg zijn overgelegd e-mails van respectievelijk de heer [hoofd P&O van Kempenhaeghe] van 1 augustus 2013 en de bedrijfsarts mevrouw [bedrijfarts] gericht aan [appellant], waaruit valt af te leiden dat de negatieve beoordeling door prof. [medisch hoofd (MH) CSG] van het (op video vastgelegde) patiëntencontact niet wordt onderschreven door de bedrijfsarts. Standpunten van de bedrijfsarts van nadien zijn het hof niet bekend.

Wel liggen gegevens voor in de vorm van een door de bedrijfsarts op 22 augustus 2013 opgestelde lijst van functionele mogelijkheden als opgenomen in een rapport van een door [appellant] en Kempenhaeghe in onderling overleg met de bedrijfsarts ingeschakelde arbeidsdeskundige van Verzuimconsult (de heer [arbeidsdeskundige van verzuimconsult]) van 25 oktober 2013 (productie 16 van Kempenhaeghe in eerste aanleg). De conclusie van deze arbeidsdeskundige luidt kort samengevat dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid in de volle omvang en dat aanpassingen of voorzieningen dit niet kunnen afwenden. Als reden hiervoor geeft [arbeidsdeskundige van verzuimconsult] het volgende aan: (..) Zolang er twijfel bestaat aan volledige inzetbaarheid van cliënt, met name met betrekking tot patiëntcontact/-onderzoek, dan wel diagnostiek, op basis van bovenstaande beperkingen, ook inzet van voorzieningen en/of aanpassingen het potentiële afbreukrisico niet wegnemen. Een voortdurende controle, dan wel monitoring zal noodzakelijk blijken te zijn zodat potentiële risico’s worden ondervangen.”

Niet duidelijk is of de bedrijfsarts dit standpunt al dan niet geheel of gedeeltelijk onderschrijft. Kennelijk is er een brief van 28 november 2013 van de bedrijfsarts aan het UWV (?), nu daarvan in een rapportage van de verzekeringsarts van 4 december 2013 wordt gerept, maar bedoelde brief is het hof niet bekend.

3.5.5.

Nadat duidelijk was geworden dat er tussen de bedrijfsarts enerzijds en Kempenhaeghe anderzijds een verschil van inzicht bestond over de evaluatie van het patiëntencontact en/of de beoordeling van de slaaponderzoeken, heeft [appellant] – naar als onbestreden vaststaat –, het UWV op 19 november 2013 verzocht om een deskundigen-oordeel als bedoeld in artikel 7:658b lid 1 BW. Een (eerste) oordeel is gegeven op 4 december 2013, maar nadat Kempenhaeghe bij het UWV een klacht had ingediend omdat zij bij de totstandkoming daarvan niet was betrokken, heeft het UWV een nader oordeel gegeven op 10 februari 2014. Dit oordeel luidt dat Kempenhaeghe onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft geleverd. Daarbij is betrokken zowel het oordeel van de verzekeringsarts [verzekeringsarts] als dat van de arbeidskundige [arbeidskundige].

[verzekeringsarts] geeft als zijn conclusie dat [appellant] onder supervisie in staat is om patiëntencontacten te hebben en deze op geleide van de geconstateerde prestaties in frequentie uit te breiden (productie 10 bij inleidende dagvaarding).

[arbeidskundige] komt in zijn rapportage (onderdeel van productie 17 bij appeldagvaarding) tot de volgende conclusie: “(..) Re-integratie inspanningen dienen zich te richten op het in beeld krijgen van de (eigen) mogelijkheden van een individuele werknemer waarbij ook het hervinden van zelfvertrouwen over de eigen mogelijkheden prominente aandacht moet krijgen. Bij deze re-integratie inspanningen kan evengoed patiënten belang gewaarborgd worden door patiëntencontacten te beginnen alleen middels supervisie en/of video opname, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd. Werkgever heeft twijfel over de leerbaarheid dat van cliënt. Op grond van laatste neuropsychologisch onderzoek is vastgesteld dat “geen verder herstel is opgetreden en dat er thans vanuit gegaan kan worden dat het gaat om blijvende restverschijnselen.

Dat er wellicht geen verder herstel verwacht kan worden wil echter niet zeggen dat cliënt met huidige wel aanwezige mogelijkheden niet toch delen van het eigen werk zich nog kan eigen maken.

Het functioneren van cliënt zal in dit stadium dan ook niet afgemeten moeten worden aan volledige hervatting in eigen werk in omvang en zwaarte. Zoals de Wet Verbetering Poortwachter voorschrijft zullen inspanningen van werkgever en cliënt er op gericht moeten zijn om cliënt in die omvang en zwaarte (aard en complexiteit van werkzaamheden) te herplaatsen naar gelang de mogelijkheden van cliënt toe staan.

Dit laatste is tot nu toe niet gebeurd omdat cliënt geen verdere kans is geboden het werken met patiëntencontact uit te proberen en (middels planmatige begeleiding) eigen te maken onder gegeven beperkingen en mogelijkheden.

In arbeidskundig onderzoek van de Arbodienst wordt gesteld dat het eigen werk op aantal zaken niet aan te passen is aan de huidige mogelijkheden van cliënt. Ik ben het hier nadrukkelijk niet mee eens omdat mijns inziens het werk op zaken zoals handelingstempo, urenomvang aangepast kunnen worden door andere afspraken te maken ten aanzien van taakstelling en te werken uren.”.

Uit voornoemde rapportage blijkt tevens dat [arbeidskundige] kennelijk zijn advies op 5 februari 2014 telefonisch heeft doorgegeven aan de heer [hoofd P&O van Kempenhaeghe] (hoofd P&O) van Kempenhaeghe.

Het hof leest in dit deskundigenoordeel als conclusie dat Kempenhaeghe tekort is geschoten in haar re-integratieverplichtingen en tevens op welke wijze zij daar volgens het UWV wel aan zou kunnen voldoen. Dit oordeel is ook gevolgd in het arbeidsdeskundig rapport van 31 maart 2014 dat ten grondslag is gelegd aan de beslissing van het UWV van 4 april 2014 om een loonsanctie op te leggen aan Kempenhaeghe voor de duur van één jaar.

3.5.6.

Deze sanctie en het daaraan ten grondslag gelegde oordeel is door Kempenhaeghe in het kader van een bezwaar tegen de opgelegde loonsanctie aangevochten bij het UWV, blijkens de brief van de heer [hoofd P&O van Kempenhaeghe] van 8 mei 2014. In voornoemde brief wordt onderstreept dat [appellant] gedurende een langere periode en zonder resultaat is begeleid door een collega (monitoring en feed back), dat een hervatting van patiëntencontacten in juli 2013 door het medisch hoofd van Kempenhaeghe niet verder verantwoord werd geacht met het oog op kwaliteit van zorg, terwijl een beoordeling van de door [appellant] verrichte slaaponderzoeken een aanzienlijk en aantoonbaar risico tot beoordelingsfouten gaf te zien.

Ter ondersteuning van dit ook in deze procedure uitgedragen standpunt heeft Kempenhaeghe zich voorts nog beroepen op een tweetal stukken afkomstig van collega’s van [appellant], te weten een “verslag” getiteld “Werkzaamheden van [appellant] in de slaapdiagnostiek als onderdeel van zijn reïntegratietraject” van 28 april 2014 afkomstig van drs. [collega 1] en een “rapportage” van prof. dr. [medisch hoofd (MH) CSG] van 8 mei 2014, in welk laatste stuk op eerste pagina staat dat het is “Gelezen en goedgekeurd” door dr. [collega 2], drs. [collega 1], drs. [collega 3] en drs. [collega 4].

In het verslag van drs. [collega 1] valt als algemene conclusie het volgende te lezen:

“Ondanks zeer intensieve begeleiding is de re-integratie van [initialen appellant] ([appellant], hof) niet succesvol geweest. Na 8 maanden van zorgvuldige begeleiding door [initialen collega 1] ([collega 1]) is er nauwelijks sprake van enige vooruitgang. Formele evaluatie van de werkzaamheden over de periode september t.e.m. december 2013 toont dat het tempo van werken abnormaal blijft, terwijl de foutenlast niet verbetert.

Er is onvoldoende kwaliteit voor betrouwbare slaapdiagnostiek op tweede lijns-niveau, laat staan om een taak op te nemen in een derde-lijns centrum waar onder andere innovatie, onderzoek en onderwijs essentiële onderdelen van het takenpakket zijn. Verderzetting van de re-integratie met dergelijke povere resultaten lijkt niet zinvol”.

De conclusie uit voornoemd rapport van prof. dr. [medisch hoofd (MH) CSG] luidt als volgt:

“In tegenstelling met de premorbide situatie zien we dat [initialen appellant] ([appellant]) thans disfunctioneert in zijn rol als staflid van het GSG (Centrum voor Slaapgeneeskunde, hof). Hij aarzelt opvallend, heeft veel tijd nodig, loopt vast in de casuspresentaties, raakt de weg kwijt. Zowel verbaal als performaal zijn er duidelijke tekortkomingen, die lijken toe te nemen onder tijdsdruk. Hij is zich van deze problematiek niet bewust of geeft niet te kennen dat hij dit vervelend vindt. Bij gebrek aan zelfreflectie, cq ziekte-inzicht heeft MH (medisch hoofd=[medisch hoofd (MH) CSG], hof) gevraagd om het casusoverleg niet meer te presenteren. Omdat er geen merkbare progressie is in de loop van de tijd, is hervatting van deze activiteit niet verantwoorden.

Adequate patiëntenzorg is gebaseerd op communicatieve vaardigheden, inzicht, zelfkritiek en doelmatige collegiale interactie. De huidige bevindingen wijzen erop dat [initialen appellant] niet voldoende meer over deze eigenschappen beschikt. Na zijn ongeval met verworven hersenletsel is het disfunctioneren op stafniveau duidelijk geworden. De re-integratie procedure heeft niet geleid tot voldoende recuperatie van kennis, kunde en communicatief vermogen. Kennelijk is sprake van structureel cognitieve problematiek, die niet door interventies van de werkgever kan worden hersteld. Verderzetting van re-integratie in het GSG van Kempenhaeghe strookt niet met vigerende regels voor veilige patiëntenzorg.”

Het hof trekt uit de stukken van de hand van [collega 1] en [medisch hoofd (MH) CSG] de conclusie dat Kempenhaeghe, meer in het bijzonder het medisch hoofd en een aantal directe collega’s geen vertrouwen meer hebben in een goede afloop van verdere re-integratie-inspanningen, omdat de daarop gerichte acties van de zijde van Kempenhaeghe in de loop van de tijd geen positieve resultaten in de groei van de mogelijkheden van [appellant] hebben laten zien.

3.5.7.

Het is niet aan het hof om een al dan niet voorlopig oordeel te geven met betrekking tot de vraag of het UWV al dan niet terecht een loonsanctie heeft opgelegd vanwege tekortschietende re-integratieactiviteiten van Kempenhaeghe jegens [appellant]. Naar het voorshands oordeel van het hof kan in ieder geval niet gezegd worden dat Kempenhaeghe zich niets gelegen heeft laten liggen aan haar verplichting als werkgever om een actieve rol te spelen bij de re-integratie van [appellant]. Natuurlijk valt het nodige af te dingen op de beslissing van prof. dr. [medisch hoofd (MH) CSG] om in juli 2013 reeds na één patiëntencontact (na een eerdere poging enige maanden daarvoor) die re-integratiepoging dadelijk af te breken, zonder enige blijk van voldoende professionele distantie om zich bij zijn beslissing daartoe mede te leiden door een onafhankelijke derde of zelfs maar door de bedrijfsarts, omdat op dit oordeel blijkens de bedrijfsarts nogal wat valt af te dingen en [appellant] door deze actie onnodig werd geschaad. Datzelfde heeft te gelden voor de beoordeling door directe collega’s en werknemers van Kempenhaeghe van de kwaliteit van de door [appellant] verrichte slaaponderzoeken. Een derde deskundige was daar niet bij betrokken, hetgeen mogelijk tot een andere discussie zoal niet tot een acceptatie door [appellant] zou hebben kunnen leiden. Anderzijds valt moeilijk te ontkennen dat in het functioneren van [appellant] (ook volgens de directe collega’s) in de loop van de tijd weinig of geen verbetering valt te bespeuren, ook niet op die taken die hij nog wel onder supervisie heeft kunnen verrichten. Kortom, de discussie tussen partijen spitst zich vooral toe op de effectiviteit van de re-integratie-activiteiten.

3.5.8.

Wat er verder ook daar nog over valt op te merken of af te dingen, naar het voorshands oordeel van het hof bestaat er op dit moment in ieder geval zoveel gerede twijfel aan de nog aanwezige capaciteiten van [appellant] om als medisch specialist te functioneren én aan de mogelijkheid de nog aanwezige capaciteiten alsnog verder te ontwikkelen door re-integratie-activiteiten gericht op diens kerntaken, dat dit aan een toewijzing van de vordering (gericht op patiëntencontact en diagnose bij slaaponderzoeken) in de weg staat. Van een concreet uitzicht op een wezenlijke verbetering op afzienbare termijn is niet gebleken. Weliswaar heeft [appellant] serieus te nemen professionele en persoonlijke belangen om weer aan het werk te gaan, maar daar staat tegenover dat Kempenhaeghe een eigen verantwoordelijkheid heeft om bij haar aangemelde patiënten naar behoren dienen te worden behandeld en daarvoor is nodig dat er geen twijfels bestaan over het functioneren van [appellant]. Aan dat belang van Kempenhaeghe komt een doorslaggevende betekenis toe. Tenslotte realiseert het hof zich tevens dat toewijzing van de vordering, die er in beginsel toe zou leiden dat ook weer de nodige supervisie door de directe collega’s zou dienen te worden gegeven, mogelijk al snel tot een onwerkbare situatie zou leiden, nu een aantal van die collega’s en het medisch hoofd er blijk van hebben gegeven het vertrouwen in een goede afloop te hebben verloren.

3.6.

Gezien het vorenstaande kan verdere bespreking van de grieven als voor de beslissing niet meer van belang, achterwege blijven. Aan verdere bewijslevering, als door [appellant] aangeboden, komt het hof niet toe gezien het karakter van een kort geding. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het beroep tot op heden vastgesteld op € 1.902,- aan griffierechten en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, J.P. de Haan en I. Bouter en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2014.