Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4233

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
16-10-2014
Zaaknummer
HD 200.134.951_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanneming van werk. Oplevering. Stilzwijgende aanvaarding van een werk door de opdrachtgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2015/4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: HD 200.134.951

arrest van 14 oktober 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. J.L.E. Marechal te Maastricht,

tegen

M.B.E. Detachering B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als MBE,

advocaat: mr. S.J.H.S. Kloots te Nijmegen,

als vervolg op het arrest van 4 maart 2014.

5 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep

- een arrest in het incident van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch d.d. 4 maart 2014;

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep;

- het pleidooi, waarbij zowel [appellant] als MBE pleitnotities hebben overgelegd;

- de op 12 juni 2014 ter griffie ingekomen producties, die [appellant] bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

- de bij brief van 27 mei 2014 toegezonden producties, die MBE bij het pleidooi bij akte in het geding heeft gebracht.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Bij de beoordeling van deze zaak zal het hof achtereenvolgens stilstaan bij de navolgende punten:

  • -

    de vaststelling van de relevante feiten;

  • -

    het beroep op ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst (grieven I tot en met VI);

  • -

    de omvang van de door [appellant] voor de oorspronkelijke opdracht verschuldigde vergoeding (grief VII in appel en grief in incidenteel appel);

  • -

    de door MBE gezonden nota’s voor meerwerk (grief VIII in appel en grief in incidenteel appel);

  • -

    de vorderingen van [appellant] in reconventie (grief XII tot en met XV);

  • -

    de buitengerechtelijke incassokosten (grief in het incidenteel appel);

  • -

    de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep.

De grieven IX tot en met XI, vloeien direct voort uit de eerdere grieven en hebben verder geen zelfstandige betekenis. Voor zover aan de orde, zal het hof daar bij de beoordeling van de overige grieven nader op ingaan.

De feiten.

3.2.1

In dit hoger beroep kan – voor zover relevant - worden uitgegaan van de volgende feiten.

[appellant] heeft een systeem ontwikkeld waarmee de verlichting en de temperatuur in winkelruimtes kan worden aangestuurd. Dit gebouwbeheersysteem (verder te noemen “GBS”) kan bijdragen aan een besparing van energie en kan automatisch meldingen geven van storingen en onderhoud. [appellant] heeft dit systeem verkocht aan de winkelketen Lidl, die opdracht heeft gegeven tot plaatsing van deze systemen in haar filialen in Nederland. Voor de feitelijke installatiewerkzaamheden heeft [appellant] MBE benaderd. Nadat MBE bij e-mail van 11 november 2010 een offerte had uitgebracht, zijn partijen op 10 of 15 februari 2011 een overeenkomst aangegaan waarbij [appellant] MBE opdracht heeft gegeven tot het plaatsen van GBS systemen in 341 filialen tegen een aanneemsom van € 286.200,= exclusief BTW.

Blijkens de tussen partijen in de opdrachtbevestiging van 15 februari 2011 neergelegde overeenkomst hebben zij afgesproken dat MBE voor [appellant] werkzaamheden zou gaan uitvoeren als omschreven in die opdrachtbevestiging en de daarbij gevoegde bijlage onder het hoofd “Projectbeschrijving GebouwBeheersSysteem (GBS / GLT) (CvA, prod. 1). Omtrent de uitvoering, oplevering en afrekening van de werkzaamheden vermeldt de opdrachtbevestiging de navolgende regels:

“De montage werkzaamheden houden het volgende in,

Voor het bekabelen en bedrijfsklaar opleveren van een KX installatie, (…)

Voor het bekabelen en bedrijfsklaar opleveren van een FD installatie, (…)

De montage zal geheel volgens,

NEN 1010; Veiligheidsbepalingen voor laagspanningsinstallaties (ontwerp);

NEN 3140; Veiligheidseisen voor laagspanningsinstallaties (gebruik);

ARBO; Arbeidsomstandighedenbesluit/AL-bladen.

De standaard materialen zullen door EBA worden aangeleverd, op boven genoemde adres. (extra materialen zullen apart worden aangegeven)

De totale aanneemsom is 204 x FD en 137 x KX (zie bijlage) € 286.200 excl. Btw.

Facturen zal wekelijks gebeuren met opleverbonnen van de gefactureerde winkels.

Betalingstermijn is 30 dagen.

De laatste 10% zal betaalt worden na dat de gehele installatie getest is via het netwerk.

De test zal binnen de betalingstermijn gebeuren.

Bij gebreke of niet correct uitvoeren van boven genoemde installatie zal een hersteltermijn van 7 dagen worden aangehouden.

Tevens zal de planning aangehouden moeten worden, zonder getekende bonnen van winkels met redenen van vertraging zal er niet van de eind datum mogen afgeweken worden. (zie bijlage)

Wordt hier niet aan gehouden zal deze door derde worden opgelost/ uitgevoerd en de koste is voor aannemer boven genoemd.”

MBE heeft vervolgens in de periode van 15 februari 2011 tot juni 2011 in een groot aantal filialen van Lidl installatiewerkzaamheden uitgevoerd, waarvoor [appellant] bij wijze van voorschotten in totaal € 255.000,= heeft betaald. Bij factuur van 28 juni 2011 heeft MBE een bedrag van € 299.950,= in rekening gebracht bij de besloten vennootschap EBA B.V., te verminderen met hetgeen bij wijze van voorschotten reeds was voldaan. Het oordeel van de rechtbank dat [appellant] in persoon als opdrachtgever heeft te gelden (r.o. 3.1 tot en met 3.4 van het vonnis van 24 juli 2013) wordt in hoger beroep niet bestreden, zodat aangenomen moet worden dat [appellant] als wederpartij van MBE gehouden was tot betaling van de overeengekomen aanneemsom.

In juni 2011 is tussen partijen een geschil gerezen omtrent de aanlevering van benodigde materialen. Vervolgens is tevens discussie ontstaan over de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, over de wijze waarop de werkzaamheden waren opgeleverd en over de betaling.

Bij brief van 9 september 2011 (prod. 16 bij inleidende dagvaarding) sommeert [appellant] MBE om in overleg met [appellant] binnen 7 dagen over te gaan tot herstel van “de geconstateerde gebreken”. MBE reageert daarop bij brief, waarna [appellant] nogmaals sommeert tot het uitvoeren van herstelwerk bij brief van 21 september 2011 (prod. 18 bij inleidende dagvaarding). Bij brief van mr. Kloots d.d. 5 oktober 2011 neemt MBE het standpunt in dat zij tot medio juli 2011 alle klachten van de zijde van [appellant] heeft verholpen, dat zij de verlangde herstelwerkzaamheden, voor zover reëel, wel wil beoordelen en uitvoeren, maar dat [appellant] dan betalingen dient te verrichten. Daarop reageert [appellant] bij brief van zijn raadsman d.d. 25 oktober 2011 (inleidende dagvaarding prod. 20), waarin deze MBE sommeert om binnen veertien dagen de geplaatste systemen op te leveren, bij gebreke waarvan [appellant] aankondigt de tussen partijen gesloten overeenkomst te zullen ontbinden. MBE doet vervolgens bij brief van 5 november 2011 (inleidende dagvaarding prod 21) onder meer een voorstel ter zake de oplevering aan [appellant]. Voorts biedt MBE aan de nog niet voltooide installaties af te maken na levering van de daartoe benodigde materialen en sommeert MBE [appellant] om bestaande storingen en hun oorzaak binnen één week aan haar te melden. [appellant] verwerpt vervolgens in een brief van zijn raadsman d.d. 14 november 2011 (inleidende dagvaarding, prod. 22) de door MBE voorgestelde opleveringsprocedures en ontbindt daarbij tevens de tussen partijen bestaande overeenkomst.

3.2.2.

In de onderhavige procedure vordert MBE voor zover nog van belang in conventie van [appellant], zakelijk weergegeven, betaling van het onbetaald gebleven deel van de aanneemsom en gedeeltelijke betaling van meerwerkfacturen, alles vermeerderd met rente, buitengerechtelijke en proceskosten en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Voor een nadere omschrijving van de vorderingen en hetgeen MBE daaraan ten grondslag legt zij verwezen naar de rechtsoverwegingen 2.3 tot en met 2.6 van het vonnis van 23 juli 2013.

3.2.3.

[appellant] heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 27 juni 2012 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012 en een kopie van het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken van de eerste aanleg.

3.2.5.

[appellant] heeft in hoger beroep geen grieven aangevoerd tegen het tussenvonnis. Dat brengt met zich mee dat hij niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, voor zover dit blijkens de dagvaarding in appel ook is gericht tegen dit tussenvonnis.

[appellant] heeft tegen het eindvonnis van 24 juli 2013 vijftien grieven aangevoerd en heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beroepen vonnissen, tot afwijzing van de vorderingen in conventie en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen, zoals vermeerderd of gewijzigd bij memorie van grieven.

3.2.6.

MBE heeft bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing in conventie voor wat betreft de toegewezen hoofdsom en de beslissing tot afwijzing van de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [appellant] tot betaling van de gecorrigeerde hoofdsom, één en ander als onderbouwd in de memorie van grieven in het incidenteel appel, en tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Voor het overige heeft MBE geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de grieven van [appellant].

De ontbinding van de overeenkomst

3.3.1.

Het hof zal eerst de grieven in het appel zijdens [appellant] behandelen. De grieven I tot en met VI beogen, zo begrijpt het hof, het oordeel van de rechtbank aan te vechten dat geen gronden hebben bestaan om de tussen partijen gesloten overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Het hof zal deze grieven – gelet op hun onderlinge samenhang – tezamen behandelen.

3.3.2.

Als onweersproken staat vast dat MBE uitvoering is gaan geven aan de opdracht. Voorts staat vast dat daarbij niet de planning in acht is genomen zoals was voorzien in de opdrachtbevestiging. MBE heeft in elk geval vanaf medio februari 2011 niet wekelijks gefactureerd en evenmin is in rechte komen vast te staan dat MBE de werkzaamheden volgens de bij de overeenkomst gevoegde planning (filiaallijst, bijlage bij de opdracht-bevestiging en onderdeel van prod. 1 bij CvA) heeft uitgevoerd en wekelijks heeft opgeleverd. Evenmin is echter in rechte komen vast te staan dat [appellant] tegen de feitelijke gang van zaken bezwaar heeft gemaakt of MBE in de periode van uitvoering van de werkzaamheden ooit heeft gemaand om de afgesproken planning aan te houden. Blijkens de stukken in eerste aanleg, meer in het bijzonder productie 10 bij dagvaarding, is [appellant] pas eind juli 2011 bezwaar gaan maken over de wijze van opleveren en factureren, nadat MBE eind juni 2011 had gefactureerd (28 juni 2011, productie 4 CvA) en een tweetal ordners met bonnen betreffende de uitgevoerde werkzaamheden aan [appellant] had doen toekomen.

3.3.3.

Een eerste ingebrekestelling van MBE vindt vervolgens plaats bij brief van de accountant van [appellant] d.d. 9 september 2011 (dv1, prod. 16). In deze brief betwist [appellant] het beroep van MBE op opschorting van haar werkzaamheden in afwachting van de betaling van (een) meerwerknota(‘s) en sommeert [appellant] MBE om binnen zeven dagen over te gaan tot herstel van “de geconstateerde gebreken”, overigens zonder nader te omschrijven welke werkzaamheden op welke locatie of locaties het betreft.

3.3.4.

Bij brief van zijn accountant d.d. 21 september 2011 (inleidende dagvaarding productie 18) herhaalt [appellant] de ingebrekestelling, waarbij dit keer wel concrete werkzaamheden worden genoemd:

“het herstellen van alle winkels waarvan de foto’s nu al enige weken oud zijn en die niet volgens de NEN-normen gemaakt zijn,

Kabels door roosters / luchtkanalen;

Losse bekabeling op plafond;

Losse bekabeling in kast;

Losse bekabeling aan voelers;

Losse bekabeling aan GBS kast;

Soepele bekabeling in MK zonder adereindhulzen;

Open kabeldozen;

Lassen in MK enz. enz.”

Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden geeft [appellant] MBE in deze brief een termijn van veertien dagen. Noch deze ingebrekestelling, noch de bij brief van 9 september 2011 gedane sommatie leiden tot een ontbindingsverklaring. Vervolgens vindt dan de verdere briefwisseling plaats zoals hiervoor omschreven onder 3.2.1.

3.4.

In de brief waarbij de overeenkomst is ontbonden noemt [appellant] vijf concrete punten waarop MBE jegens hem zou zijn tekortgeschoten: er is (a) niet opgeleverd conform afspraak in de opdrachtbevestiging, (b) in geen enkele winkel heeft MBE de voelers geijkt, (c) er is sprake van niet werkende airco’s omdat printplaten onder spanning zijn aangesloten, (d) er ligt bekabeling los over de plafonds wat in strijd is met de voorschriften en (e) niet aangesloten bediendelen zouden door slordigheid van personeel van MBE verloren zijn gegaan, waardoor [appellant] nieuwe bediendelen heeft moeten aanschaffen. Ter beoordeling staat dan dus of deze punten aanleiding kunnen vormen om de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden.

3.5.

Bij de beoordeling van de vraag of gronden bestaan om een overeenkomst te ontbinden geldt als uitgangspunt dat elke tekortkoming in de nakoming van een contractuele verbintenis de bevoegdheid geeft aan de wederpartij om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Daarbij geldt echter de restrictie dat in geval de nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is – zoals in de onderhavige casus - deze bevoegdheid pas ontstaat indien de wederpartij in verzuim is geraakt. Dat geval doet zich hier dan ook pas voor wanneer MBE nalaat om gehoor te geven aan een schriftelijke ingebrekestelling.

3.6.1.

Ten aanzien van de klachtpunten b., c. en e. stelt het hof vast dat in geen van de aanschrijvingen van [appellant] aan MBE gewag wordt gemaakt van deze klachten, laat staan dat een ingebrekestelling heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van deze punten is dan ook nimmer een situatie van verzuim ontstaan en zij kunnen om die reden niet dienen als gronden voor een ontbinding van de overeenkomst. Dat geldt ook voor het eerst bij memorie van grieven aangevoerde verwijt dat de overeengekomen planning niet zou zijn gevolgd.

Ten aanzien van punt b. zij daarbij nog opgemerkt dat de overeenkomst bij de uitvoering vermeldt “het eventuele bij-ijken van de voelers”. Daaruit volgt dat dit “bij-ijken” niet onder alle omstandigheden noodzakelijk werd geacht. MBE heeft gemotiveerd betwist dat het ijken van de voelers noodzakelijk was. In dat geval kan de enkele omstandigheid dat een voeler niet is geijkt op zich geen grond opleveren om te oordelen dat MBE tekort is geschoten, maar had het op de weg van [appellant] gelegen om (zo nodig: per filiaal) nader te stellen waarom de voelers wel geijkt hadden moeten worden.

3.6.2.

Ten aanzien van alle uitvoeringsklachten, dus ook punt d., heeft MBE bovendien onweersproken gesteld dat zij deze tot 14 juli 2011 heeft verholpen. In dat geval had het op de weg van [appellant] gelegen om in de onderhavige procedure nader te concretiseren in welke filialen de installaties na 14 juli 2014 niet hebben voldaan aan de tussen partijen overeengekomen normen. Dat klemt te meer nu het hier om een zeer groot aantal filialen gaat en specificatie op dit punt in de rede ligt. Een verwijzing naar de algemene klacht zoals die is geformuleerd in de brieven van 21 september 2011 of 25 oktober 2011 is in dat geval niet voldoende. Dat geldt te meer nu MBE bij brief van 5 november 2011 (productie 21 inleidende dagvaarding) nog eens haar bereidheid had betoond om klachten te herstellen en zij [appellant] had verzocht (en gesommeerd) om nader aan te geven welke concrete storingen zich op dat moment nog voordeden. [appellant] is niet meer inhoudelijk op die vraag ingegaan.

3.6.3.

Daarbij zij nog overwogen dat MBE bij antwoord in reconventie (punt 36) heeft opgemerkt dat haar niets bekend is van enige schadeclaim zijdens Lidl. Bij gelegenheid van de vervolgens gehouden comparitie heeft [appellant] dienaangaande niets aangevoerd. Voor zover hij verwijst naar storingsmeldingen van Lidl (producties 35 tot en met 58 CnC), betreft het allemaal klachten van maart en april 2011, derhalve klachten die volgens onweer-sproken stellingname van MBE allemaal (en voor zover terug te voeren op installatiegebre-ken: kosteloos) zouden zijn hersteld.

Dat Lidl [appellant] schriftelijk aansprakelijk of in gebreke heeft gesteld is door hem niet gesteld. Stukken die daar op zouden kunnen wijzen zijn door hem niet geproduceerd. Evenmin is zijdens [appellant] gesteld dat Lidl een deel van de door haar aan hem verschuldigde betaling heeft opgeschort of verrekend vanwege gebreken aan de geleverde systemen. Bij gelegenheid van het gehouden pleidooi heeft het hof nog specifiek bij [appellant] geïnformeerd of Lidl een procedure aanhangig heeft gemaakt vanwege tekortschieten bij de installatie van GBS-systemen, waarop hij heeft geantwoord dat dat niet het geval is. Het hof merkt op dat inmiddels een periode van drie jaar is verstreken sinds het installeren van de systemen zonder dat is gebleken van (rechts)maatregelen van de gebruiker van die systemen tegen [appellant] als leverancier daarvan.

3.6.4.

Bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat [appellant] ten aanzien van klachtpunt d. na betwisting door MBE niet voldoende feitelijk en concreet heeft onderbouwd welke gebreken op welke locatie zich na 14 juli 2011 nog hebben voorgedaan met betrekking tot het door MBE verrichte installatiewerk. Dat dergelijke gebreken na 14 juli 2011 nog bestonden is dan ook in rechte niet aangetoond. Het voorgaande brengt het hof dan ook tot het oordeel dat de rechtbank in haar eindvonnis op goede gronden heeft overwogen dat [appellant] niet heeft aangetoond dat MBE zodanig ondeugdelijk werk heeft geleverd dat dit de volledige ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.

3.7.1. Rest als grond voor de ontbinding de klacht over het uitblijven van een oplevering van het aangenomen werk. Op grond van artikel 7:758 lid 1 BW wordt het werk als opgeleverd beschouwd na de aanvaarding daarvan door de opdrachtgever. Onder oplevering moet worden verstaan het in overeenstemming met de inhoud en strekking van de overeenkomst ter beschikking stellen van het werk aan de opdrachtgever. De vorm en het tijdstip van de aanvaarding, evenals de termijn waarbinnen de opdrachtgever het werk - al dan niet onder voorbehoud - dient te aanvaarden dan wel te weigeren, variëren naar gelang hetgeen daaromtrent is overeengekomen, met inachtneming van de aard van het werk, het gebruik en de overige omstandigheden van het geval (zie Hof ’s-Hertogenbosch 12 februari 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ1394 en Hof Amsterdam, 9 februari 2010, ECLI:NL: GHAMS:2010:BL4878). De oplevering kent dus twee elementen: de aannemer dient een werk gereed te melden, waarna de opdrachtgever het (al dan niet voorwaardelijk) moet aanvaarden, dan wel weigeren. Artikel 7:758, lid 1 BW legt daarbij de verantwoordelijkheid voor het controleren van de deugdelijkheid van het werk bij de opdrachtgever. Indien deze het werk niet binnen redelijke termijn keurt, wordt het geacht stilzwijgend te zijn aanvaard.

3.7.2.

In de tussen partijen gesloten overeenkomst is met betrekking tot de oplevering van het door MBE te verrichten werk overeengekomen dat [appellant] bij facturatie voor een winkel een schriftelijk bewijs dient te voegen, in de overeenkomst aangeduid als “opleverbon”. De overeenkomst omschrijft verder niet wat moet worden verstaan onder een “opleverbon”. Er is bij de overeenkomst geen model voor een dergelijke bon bijgevoegd. De overeenkomst bevat ook geen voorwaarden waaraan de opleverbon moet voldoen, met name niet voor wat betreft de feiten waaromtrent de opleverbon tot bewijs zou moeten dienen. Uit de overeenkomst volgt dus niet expliciet dat, zoals [appellant] stelt, uit de opleverbon moet blijken dat het systeem is geïnstalleerd, getest en door de vertegenwoordiger ter plekke van Lidl voor akkoord is bevonden. Evenmin stelt de overeenkomst als voorwaarde voor oplevering dat MBE gehouden zou zijn om, al dan niet tezamen met de opleverbon, foto’s van de aangelegde installatie te produceren.

Voorts vermeldt de overeenkomst ten aanzien van de opeisbaarheid van de voor het werk verschuldigde vergoeding dat de laatste 10% pas verschuldigd wordt na een test van de gehele installatie via het netwerk, uit te voeren binnen de betalingstermijn voor de door MBE gezonden factuur.

3.7.3.

Met de rechtbank stelt het hof vast dat de overeenkomst niet helder omschrijft hoe nu de oplevering van het werk dient plaats te vinden. Bij een redelijke uitleg van de inhoud van de overeenkomst dient op dit punt enerzijds rekening gehouden te worden met de aard van het werk (een groot aantal relatief kleine werkzaamheden, uit te voeren in filialen van een winkelbedrijf die verspreid over heel Nederland zijn gelegen), anderzijds met de inhoud van de overeenkomst, alles bezien tegen het licht van de wettelijke regeling omtrent oplevering en aanvaarding.

3.7.4.

Onder de gegeven omstandigheden, waaronder in het bijzonder de omstandigheid dat het aangenomen werk bestaat uit een groot aantal relatief kleine werkzaamheden in over het hele land verspreid gevestigde filialen van een winkelbedrijf, brengt een redelijke uitleg van de overeenkomst het navolgende met zich mee. Het moet partijen voor ogen hebben gestaan dat na gereedmelding door MBE de aanvaarding niet zou plaatsvinden na een fysieke keuring ter plekke door [appellant], maar stilzwijgend en voorwaardelijk, namelijk onder de opschortende voorwaarden dat een opleverbon wordt overgelegd, dat bij een door [appellant] binnen 30 dagen na facturatie uit te voeren test blijkt dat het systeem inderdaad gebruiksklaar is en, mocht dat laatste niet het geval blijken te zijn, dat MBE binnen zeven dagen na constatering van dat feit de geconstateerde gebreken zal hebben verholpen. Een dergelijke uitleg is in lijn met de verschillende contractuele bepalingen omtrent de oplevering en het verschuldigd worden van vergoedingen, één en ander als aangehaald in r.o. 3.2.1 van dit arrest. Deze uitleg sluit ook aan bij de wettelijke bepalingen, meer in het bijzonder die waarin de verantwoordelijkheid voor een keuring van het werk bij de opdrachtgever wordt gelegd.

3.7.5.

Feitelijk staat vast dat MBE voor de winkels waarin zij haar werkzaamheden heeft afgerond bonnen aan [appellant] heeft doen toekomen. Partijen verschillen met elkaar van mening over de vraag wanneer voor welk filiaal een bon is afgegeven aan [appellant], maar zijdens MBE is gesteld dat zij op enig moment, tussentijds of in een tweetal ordners, alle relevante bonnen aan [appellant] heeft gegeven. [appellant] heeft niet gesteld dat voor bepaalde filialen die door MBE als gereed zijn aangemerkt geen bon of bonnen aan hem zijn afgegeven. In rechte staat daarom vast dat voor de filialen waarin het werk volgens MBE af was ook (uiteindelijk) een bon aan [appellant] is gegeven.

3.7.6.

De vraag die vervolgens aan de orde is gesteld is of deze bonnen ook voldeden aan de eisen die [appellant] daar redelijkerwijs aan mocht stellen. Dienaangaande is hiervoor al vastgesteld dat de opdrachtbevestiging op dit punt geen eisen bevat. Evenmin is daarbij een model voor een opleverbon voorgeschreven of anderszins overeengekomen. Anders dan [appellant] aanvoert, is het hof van oordeel dat uit de bon in beginsel niet hoefde te blijken dat een geïnstalleerd systeem door MBE was getest en dat een medewerker van Lidl had vastgesteld dat het systeem conform de daaraan in de overeenkomst gestelde eisen was geïnstalleerd en gebruiksklaar was. Het hof komt tot dit oordeel, omdat het in beginsel niet de aannemer is die moet bewijzen dat hij deugdelijk heeft gepresteerd. Het is de verantwoordelijkheid van de opdrachtgever zelf om een gereed gemeld werk te controleren en in de overeenkomst ook is opgenomen dat [appellant] een dergelijke controle via het netwerk zou uitvoeren. In de overeenkomst is geen regeling opgenomen die erop neerkomt dat de in beginsel door [appellant] uit te voeren keuring volledig in handen wordt gelegd van een daartoe bevoegde medewerker van Lidl, maar uit de bepaling omtrent het opeisbaar worden van de verschuldigde vergoeding volgt dat juist [appellant] uiteindelijk de deugdelijkheid van de installatie zou testen. In dat geval kan – bij gebrek aan meer specifieke bedingen ten aanzien van de inhoud van de “opleverbon” - niet worden geoordeeld dat daaraan de strikte eisen mogen worden gesteld zoals door [appellant] is betoogd. Het had op de weg van [appellant] gelegen, die de eindverantwoordelijkheid draagt voor de keuring van het gereed gemelde werk, om die eisen te benoemen en in de overeenkomst of in een model-opleverbon vast te leggen. Uit de overeenkomst, zoals hiervoor in r.o. 3.7.4 uitgelegd, volgt dan dat de bon tot niet meer dient dan als bewijs van het feit dat MBE ter plekke is geweest en de installatie van het systeem heeft voltooid, zodat zij gerechtigd is daarvoor een vergoeding in rekening te brengen.

3.7.7.

Feitelijk staat vast dat [appellant] in elk geval bij het zenden van de slotfactuur op 28 juni 2011 in het bezit was van de opleverbonnen voor de filialen waarin het installatie-werk was voltooid. In de opdrachtbevestiging/overeenkomst is bepaald dat [appellant] vervolgens binnen de betaaltermijn van 30 dagen een test van de systemen zal uitvoeren. Gesteld noch gebleken is dat dat voor elk systeem is gebeurd. Uit productie 10 bij inleidende dagvaarding blijkt dat [appellant] vervolgens heeft nagelaten om tijdig (op afstand) te testen of de systemen deugdelijk functioneerden. Dit stuk is weliswaar ongedateerd, maar uit een verwijzing naar 24 juli (pagina 1) en 27 juli (voorlaatste alinea tweede pagina) leidt het hof af dat dit dateert van eind juli. Uit deze productie, waarin [appellant] aankondigt dat hij een vijftigtal winkels zal gaan bezoeken om het uitgevoerde werk te controleren, volgt dat eind juli 2011 nog geen keuring van de gereed gemelde winkels had plaatsgevonden. Dat dat daarna nog wel zou zijn gebeurd, is door [appellant] ook niet gesteld, noch anderszins gebleken.

3.7.8.

Het hof verwijst naar hetgeen zij hiervoor onder 3.7.4 heeft overwogen ten aanzien van het karakter van de opleveringsregeling en stelt vast dat in elk geval aan één van de opschortende voorwaarden niet is voldaan. Niet is binnen 30 dagen na facturering door het uitvoeren van een test vastgesteld of de geïnstalleerde systemen deugdelijk functioneerden. Dat deze voorwaarde niet in vervulling is gegaan dient echter te worden toegerekend aan [appellant], die volgens de opdrachtbevestiging verantwoordelijk was voor het uitvoeren van die tests. Een partij verspeelt het recht om zich te beroepen op de omstandigheid dat een voorwaarde niet in vervulling is gegaan, wanneer het niet in vervulling gaan daarvan volledig aan die partij moet worden toegerekend. Zo’n geval doet zich naar het oordeel van het hof hier voor.

3.7.9.

Zou nog kunnen worden overwogen dat uit productie 10 bij inleidende dagvaarding volgt dat [appellant] het resultaat van de werkzaamheden van MBE heeft geweigerd in afwachting van een verder onderzoek naar de kwaliteit ervan, dan stelt het hof vast dat in rechte niet is gebleken dat [appellant] vervolgens ook een vijftigtal winkels (of enige winkel) heeft bezocht en gecontroleerd, zoals in die productie werd aangekondigd. Voorts stelt het hof vast dat [appellant] bij brief van 14 november 2011 weigert om in te gaan op het voorstel van MBE om gezamenlijk de winkels of een aantal daarvan (bij wijze van steekproef) te bezoeken om het werk te keuren. Aldus heeft [appellant] geen medewerking verleend aan het uitvoeren van een keuring van het werk, hoewel de verantwoordelijkheid daarvoor bij hem ligt. In dat geval heeft [appellant] ook nagelaten om gevolg te geven aan de bepaling van artikel 7:758 BW om het gereed gemelde werk binnen een redelijke termijn te keuren. Daaraan verbindt deze bepaling de consequentie dat het werk als stilzwijgend aanvaard – en daarmee als opgeleverd - heeft te gelden. Dit voert tot de slotsom dat in de discussie rondom het uitblijven van een oplevering ook geen grond voor een ontbinding kan zijn gelegen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat MBE erkent dat niet in alle filialen het installatiewerk gereed was, waarbij MBE overigens stelt dat dit door toedoen van [appellant] was die onvoldoende materialen ter beschikking stelde, omdat die “tekortkoming” in de opzegging kennelijk in het geheel geen rol heeft gespeeld.

3.8.

De conclusie met betrekking tot het beroep op de ontbinding van de overeenkomst is dan dat in rechte niet is gebleken dat is voldaan aan de voorwaarden om met succes een beroep op een dergelijke ontbinding te doen. Daarmee staat vast dat de namens [appellant] ingeroepen ontbinding van de overeenkomst geen doel heeft getroffen. De grieven I tot en met VI kunnen dan ook niet slagen.

De factuur van 28 juni 2011

3.9.

Grief VII in appel en het tweede onderdeel van de eerste grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de openstaande hoofdsom toe-wijsbaar zou zijn tot een bedrag van € 44.500,=. Blijkens de toelichting van [appellant]

op zijn grief ziet deze klacht op het bedrag dat bij factuur van 28 juni 2011 in rekening is gebracht. De klacht komt erop neer dat de rechtbank bij de vaststelling van het verschul-digde factuurbedrag ten onrechte is voorbijgegaan aan de stellingname zijdens [appellant] dat werkzaamheden aan de bestaande proefopstelling niet zouden zijn overeengekomen. MBE beklaagt zich over het feit dat de rechtbank is uitgegaan van het bedrag dat staat vermeld in de factuur van 28 juni 2011 en niet van het bedrag dat op grond van het aantal systemen verschuldigd zou zijn geworden. Deze grieven slagen naar het oordeel van het hof ten dele.

3.10.1.

MBE is met [appellant] een overeenkomst aangegaan waarvan de inhoud is vastgelegd in een opdrachtbevestiging. Daaruit blijkt dat partijen voor de uitvoering van de opgedragen werkzaamheden een aanneemsom zijn overeengekomen die is berekend door per te installeren systeem een vast bedrag in aanmerking te nemen, voor de installatie van een FD-systeem € 1.000,= en voor de installatie van een KX-systeem € 600,=. De overeenkomst ziet op de plaatsing van 204 FD-systemen en 137 KX-systemen en aldus komt de aanneem-som uit op € 286.200,= voor 341 systemen, alles exclusief BTW.

In de hieraan voorafgaande offerte voor het uitvoeren van werkzaamheden in 340 winkels van Lidl heeft [appellant] voor de winkels waarin al een proefsysteem was geplaatst (Mertens-systeem) een aanneemsom aangeboden van € 1.500,=. Deze som is echter niet overgenomen in de opdrachtbevestiging, die ziet op een vrijwel gelijk aantal winkels als voorzien in de offerte.

3.10.2.

Bepalend voor de omvang van de betalingsverplichting voor [appellant] is hetgeen partijen daaromtrent zijn overeengekomen. Het hof stelt vast dat de extra kosten voor het plaatsen van systemen in winkels waar reeds een Mertens-syteem was geplaatst in de uiteindelijke overeenkomst niet zijn opgenomen. De overeenkomst ziet op hetzelfde aantal winkels als de offerte, dus aangenomen moet worden dat in de overeenkomst ook de winkels waren inbegrepen die al voorzien waren van een Mertens-systeem. Dat betekent dat het standpunt van [appellant] dat voor vervanging van dat systeem geen opdracht is gegeven niet juist is: de opdracht was om in alle winkels van Lidl een FD- of KX-systeem te plaatsen, dus ook in die winkels waarin al een Mertens-systeem was geplaatst. Wel juist is het standpunt van [appellant] dat tussen partijen niet is overeengekomen dat voor de desbetreffende winkels een bedrag van € 1.500,= verschuldigd zou zijn. MBE kan [appellant] geen hogere vergoeding in rekening brengen dan de overeengekomen aanneemsom, vermeerderd met de kosten voor een aantal winkels waar MBE het installatiewerk twee maal heeft moeten uitvoeren.

3.10.3.

Blijkens de als bijlage bij de overeenkomst gevoegde filiaallijst (onderdeel van productie 1 bij CvA) zag de opdracht op 344 winkels, waarvan 201 winkels waren te voorzien van een FD-systeem en de overige (143 winkels) van een KX-systeem. Voor zover de bijlage afwijkt van de inhoud van de overeenkomst houdt het hof de bijlage aan, nu daar in de overeenkomst naar wordt verwezen en het kennelijk de bedoeling van partijen is geweest dat die bijlage zou dienen tot vastlegging van de omvang van de te verrichten werkzaamheden. MBE heeft daarom aanspraak op een vergoeding van 201 maal € 1.000,= en 143 maal € 600,=, zijnde € 286.800,= exclusief BTW. Na aftrek van de betaalde voorschotten (€ 255.000,=) resteert daarom een door [appellant] aan MBE te betalen vergoeding van € 31.800,= exclusief BTW. Voor zover MBE in juni 2011 meer aan [appellant] heeft gefactureerd, is dat ten onrechte gebeurd en dient het in dit geding gevorderde afgewezen te worden.

De meerwerknota’s

3.11.

Grief VIII in appel en het eerste onderdeel van de eerste grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat MBE in totaal voor een bedrag van € 41.141,87 aanspraak heeft op betaling van vergoedingen wegens meerwerk.

Blijkens zijn toelichting op de grief neemt [appellant] primair het standpunt in dat nimmer opdracht is gegeven tot het uitvoeren van meerwerk en, subsidiair, dat bij gebreke aan deugdelijke verslaglegging in het kader van de oplevering nu niet meer valt vast te stellen welk deel van het in rekening gebrachte meerwerk terecht is gefactureerd als meerwerk en welk deel van de gefactureerde werkzaamheden onder de oorspronkelijke opdracht valt.

MBE heeft in het desbetreffende onderdeel van haar eerste grief gewezen op een door de rechtbank in het vonnis gemaakte rekenfout.

3.12.1

Het totaal aan meerwerknota’s sluit op € 74.141,87. Van het meerwerk heeft de rechtbank een deel, groot € 30.000,=, niet toewijsbaar geoordeeld. Tegen dat oordeel is niet gegriefd, zodat het hof daar verder ook niet meer op in zal gaan. De rechtbank heeft vervolgens, na aftrek van € 30.000,=, een bedrag van € 71.141,87 toegewezen. Met MBE stelt het hof vast dat daarbij kennelijk sprake is van een verschrijving of een rekenfout, want na aftrek van € 30.000,= resteert een bedrag van € 44.171,87 aan berekend meerwerk. De rechtbank heeft ter motivering van de toewijzing van dit bedrag slechts aangevoerd dat dit onvoldoende is weersproken.

3.12.2

Voor zover [appellant] een beroep doet op het bepaalde in artikel 7:755 BW merkt het hof op dat over het algemeen mag worden aangenomen dat een opdrachtgever zich moet realiseren dat aan het geven van een opdracht tot uitvoering van werkzaamheden kosten verbonden zullen zijn. Uit de gedingstukken blijkt dat [appellant] MBE veelvuldig heeft benaderd met het verzoek om in één van de filialen van Lidl werkzaamheden uit te voeren, ook nadat de installatie van systemen daar al was voltooid. Volgens stellingname van MBE betrof dit werkzaamheden die los stonden van het installatiewerk zoals dat door haar was aangenomen en geen toevoegingen of veranderingen in de zin van artikel 7:755 BW die vallen binnen het kader van de installatie-overeenkomst. In dat geval ligt het op de weg van [appellant] om dit te betwisten en die betwisting te onderbouwen door concreet aan te geven waarom de als “meerwerk” in rekening gebrachte kosten wel zouden vallen onder de werking van artikel 7:755 BW. Hij heeft dat echter niet, althans niet voldoende onderbouwd, gedaan en daarom gaat het hof aan dit verweer voorbij.

3.12.3.

Voor wat betreft de factuur voor het instellen van zomer- en winterstanden (€ 8.316, productie 25 bij inleidende dagvaarding) heeft MBE bij pleidooi aangevoerd dat deze werkzaamheden voortvloeiden uit het feit dat [appellant] in de software van het GBS-systeem verzuimd had rekening te houden met het verspringen van de tijd bij het ingaan van de zomer- en wintertijd en dat MBE daarom de aangepaste software heeft moeten installeren. Dit is door [appellant] niet ontkend of weersproken. In dat geval staat naar het oordeel voldoende vast dat de voor dit bedrag gefactureerde werkzaamheden niet het gevolg zijn geweest van een gebrekkige uitvoering van de opgedragen werkzaamheden en de opdracht tot installeren van software – die op zich niet is betwist - als meerwerk in rekening gebracht kon worden. De omvang van het factuurbedrag is verder ook niet betwist.

3.12.4.

Resteren de factuur van 1 augustus 2011 (productie 24 bij inleidende dagvaarding) en de meerwerkoverzichten die als producties 27 en 28 bij inleidende dagvaarding in het geding zijn gebracht, inclusief onderbouwing met werkbonnen waaruit blijkt voor welk werk op welke datum en in welk filiaal van Lidl een vergoeding uit hoofde van meerwerk wordt verlangd. MBE heeft daarmee in eerste aanleg ruimschoots voldaan aan haar stelplicht. Aan de hand van de genoemde overzichten kan [appellant] beoordelen of een post terecht als meerwerk wordt bestempeld of niet. Desalniettemin gaat [appellant] op pagina 13 van de CvA slechts zijdelings en in algemene bewoordingen in op de vordering ter zake meerwerk, zonder nader concreet in te gaan op de door MBE geproduceerde overzichten. Ook in de conclusie van antwoord (randnummer 13, pagina 16) gaat [appellant] niet inhoudelijk in op de door MBE geproduceerde meerwerkspecificaties. Bij gelegenheid van de in eerste aanleg gehouden comparitie is de kwestie van het meerwerk niet besproken, dus ook niet door [appellant] ter sprake gebracht (proces-verbaal van comparitie in eerste aanleg).

Pas bij conclusie na comparitie (pagina 17 en 18) gaat [appellant] inhoudelijk in op een aantal van de door MBE als meerwerk gevorderde werkzaamheden, met name die die zijn opgesomd in productie 24 bij inleidende dagvaarding. De verwijzingen naar filiaalnummers 118 en 243 in productie 27 bij inleidende dagvaarding heeft het hof in die productie niet terug kunnen vinden (118), dan wel luidt anders dan door [appellant] op pagina 18 van de conclusie na comparitie geciteerd. Noch in productie 24, noch in productie 28 heeft het hof de door [appellant] genoemde verwijzingen naar deze filialen aangetroffen.

3.12.5.

In elk geval volgt uit de verwijzing naar specifieke posten in zijn conclusie na comparitie wel dat [appellant] kennis heeft genomen van de inhoud van de door MBE geproduceerde specificaties en deze ook op deugdelijkheid heeft bekeken. In dat geval had het op de weg van [appellant] gelegen om zijn betwisting van het meerwerk te onderbouwen door ten minste in een overzicht van betwiste posten concreet aan te geven welke door MBE in de specificaties opgenomen posten ten onrechte als meerwerk werden aangemerkt. [appellant] heeft dat echter niet gedaan, ook niet bij pleidooi in eerste aanleg en evenmin bij memorie van grieven of bij gelegenheid van het in hoger beroep gehouden pleidooi. In dat geval deelt het hof het oordeel van de rechtbank dat [appellant], behoudens ten aanzien van de wel concreet genoemde posten, de vordering ter zake een vergoeding wegens meerwerk onvoldoende, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft weersproken.

3.12.6.

Voor zover [appellant] bij conclusie na comparitie bezwaar heeft gemaakt, ziet dat op de werkzaamheden in filiaal 197 (productie 24, overzicht pagina 6), in filiaal 297 (idem), in filiaal 246 (idem, pagina 4), in filiaal 140 (idem, pagina 11) en in filiaal 288 (idem, ook pagina 11). Deze posten omvatten een bedrag van tezamen € 570,=. MBE heeft bij conclusie na comparitie (pagina 13) nog eens nader gemotiveerd waarom op deze punten wel sprake zou zijn van meerwerk. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van deze punten onvoldoende duidelijk is of het meerwerk betreft, dan wel of zij onderdeel uitmaakten van de oorspronkelijke opdracht. In elk geval is voor wat deze posten betreft het oordeel van de rechtbank onjuist dat het meerwerk onvoldoende zou zijn weersproken. Nu in rechte de vraag omstreden blijft of op deze punten sprake is geweest van meerwerk en MBE niet specifiek op dit punt bewijs heeft aangeboden, zal het hof de meerwerkpost met een bedrag van € 570,= verminderen.

3.12.7.

Met inachtneming van het voorgaande is het hof van oordeel dat wegens meerwerk een bedrag verschuldigd is geworden van € 74.141,87, minus € 30.000,= en minus € 570,=, derhalve in totaal € 43.571,87. In totaal stelt het hof het door [appellant] nog aan MBE verschuldigde bedrag dan vast op € 31.800,= uit de hoofdovereenkomst, te vermeerderen met de post meerwerk tot een bedrag van € 75.371,87. Voor zover grief IX in appel aanvoert dat de rechtbank ten onrechte een hoger bedrag heeft toegewezen, slaagt de grief. Voor zover deze strekt ten betoge dat ten onrechte de wettelijke handelsrente is toegewezen, faalt de grief omdat niet nader is toegelicht waarom de rechtbank had moeten afzien van die veroordeling.

De vorderingen van [appellant] in reconventie

3.13.

Met de grieven XII en XIII beoogt [appellant] de beslissing van de rechtbank in reconventie aan te vechten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door [appellant] ingeroepen ontbinding van de tussen partijen gesloten overeenkomst volgt dat de rechtbank de in reconventie verlangde verklaring voor recht en (subsidiair) gevorderde ontbinding van die overeenkomst terecht heeft afgewezen. Voorts volgt daaruit genoegzaam dat de door [appellant] betaalde voorschotten niet onverschuldigd zijn betaald. Ten slotte volgt daaruit dat in rechte niet is komen vast te staan dat MBE jegens [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten, zodat daarin ook geen grond voor toekenning van enige schadevergoeding kan worden gevonden. De verlangde verwijzing naar een schadestaatprocedure is dan ook terecht afgewezen.

De slotsom luidt dat de grieven tegen de beslissing in reconventie niet kunnen slagen.

Buitengerechtelijke incassokosten

3.14.1.

In incidenteel appel heeft MBE een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank om een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten af te wijzen. Dit oordeel is gemotiveerd door erop te wijzen dat MBE onvoldoende had gesteld dat voorafgaand aan de procedure werkzaamheden waren verricht die niet vielen onder de werkzaamheden waarvoor een proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te houden. MBE heeft haar grief onderbouwd door bij memorie van antwoord, tevens memorie van eis in incidenteel appel, te wijzen op de door haar raadsman gevoerde correspondentie. [appellant] heeft vervolgens bij memorie van antwoord in incidenteel appel het door MBE gestelde niet weersproken. Gelet op de inhoud van de correspondentie is het hof van oordeel dat MBE inmiddels in afdoende mate heeft aangetoond dat haar raadsman in de aanloop naar deze procedure meer en andere werkzaamheden heeft verricht om [appellant] tot betalen te bewegen dan het enkel sturen van één of meer eenvoudige (standaard) sommatiebrieven. Thans is dan ook wel voldoende gebleken dat meer en andere werkzaamheden zijn verricht dan die waarvoor een vergoeding pleegt te zijn inbegrepen in de proceskostenvergoeding.

3.14.2.

MBE heeft dienaangaande in eerste aanleg een bedrag gevorderd van € 2.500,=. In hoger beroep vordert MBE de toewijzing van een naar redelijkheid door het hof vast te stellen vergoeding. Het hof zal voor wat betreft de omvang van de vergoeding aansluiting zoeken bij de in 2011 gebruikelijke vaststelling van deze kosten en conform de staffel bij het rapport Voorwerk II een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toekennen van € 1.500,=. Hierover is geen BTW verschuldigd, nu aangenomen moet worden dat MBE die kan verrekenen, zodat de BTW voor haar geen schadepost vormt.

De proceskosten

3.15.1

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellant] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in overwegende mate in het ongelijk is gesteld. Als zodanig dient hij te worden verwezen in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Grief X in appel, waarbij overigens geen bijzondere toelichting is gegeven, faalt derhalve. Ook in het incidenteel appel heeft [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij te gelden, nu de door MBE opgeworpen grieven grotendeels slagen. Gelet op de beperkte omvang van het incidenteel appel zal hiervoor het tarief worden gehanteerd dat is gerelateerd aan de omvang van het financieel belang dat in het incidenteel appel aan de orde is.

3.15.2

Voorts dient nog beslist te worden over de kosten van het incident tot zekerheid-stelling. In het arrest in incident d.d. 4 maart 2014 is een beslissing over die kosten aangehouden. In het incident is de vordering van [appellant] toegewezen. In dat geval heeft in het incident MBE als de in het ongelijk gestelde partij te gelden, op grond waarvan zij zal worden veroordeeld in de kosten van het incident, waarbij het hof bij de toepassing van het liquidatietarief zal uitgaan van een belang met een omvang tot het bedrag waarvoor de zekerheid is verlangd.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn beroep, voor zover dit is gericht tegen het tussenvonnis van de rechtbank Limburg d.d. 27 juni 2012;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Limburg van 24 juli 2013, voor zover [appellant] daarbij in conventie is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 85.641,87 exclusief omzetbelasting aan de besloten vennootschap M.B.E. Detachering B.V. en voor zover daarbij de in conventie gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is afgewezen;

veroordeelt [appellant] om tegen aan de besloten vennootschap M.B.E. Detachering B.V. te betalen het bedrag van € 75.371,87 exclusief omzetbelasting, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf de vervaldata van de afzonderlijke facturen tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [appellant] om aan de besloten vennootschap M.B.E. Detachering B.V. te betalen het bedrag van € 1.500,= wegens buitengerechtelijke incassokosten;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal en incidenteel hoger beroep en begroot deze kosten aan de zijde van de besloten vennootschap M.B.E. Detachering B.V. op € 10.170,=, waarvan € 4.961,= aan verschotten, € 4.893,= aan salaris advocaat in het principaal appel en € 1.341,= aan salaris advocaat in het incidenteel appel;

veroordeelt de besloten vennootschap M.B.E. Detachering B.V. in de kosten van het incident en begroot deze kosten aan de zijde van [appellant] op € 2.632,= aan salaris advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af

Dit arrest is gewezen door mrs. Chr. M. Aarts, E.H. Pijnacker-Hordijk en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2014.