Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4224

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
HD 200.099.759_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg bepaling in echtscheidingsconvenant over sparen door ouder voor kind. Derdenbeding. Opeisbaarheid vordering spaarsaldo na meerderjarigheid van dat kind

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.099.759/01

arrest van 14 oktober 2014

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante],

advocaat: mr. J.E.A.H. Verstraelen te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vader,

advocaat: mr. G. Tajjiou te Brunssum,

op het bij exploot van dagvaarding van 23 december 2011 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Maastricht van 28 september 2011, gewezen tussen [appellante] als eiseres en de vader als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 158381/HA ZA 11-109)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- de memorie van grieven

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, waarbij de vader pleitnotities heeft;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellante] is geboren op [geboortedatum] 1989 uit het huwelijk van de vader met mevrouw [de moeder] (hierna: de moeder).

3.1.2.

De vader en de moeder zijn op 2 januari 1989 met elkaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

3.1.3.

[appellante] heeft een broer, [broer van appellante], geboren op [geboortedatum] 1986 uit de toenmalige relatie tussen de vader en de moeder.

3.1.4.

Het huwelijk tussen de vader en de moeder is in of omstreeks het jaar 2000 door echtscheiding ontbonden.

3.1.5.

Op 22 maart 2000 hebben de vader en de moeder met elkaar een echtscheidingsconvenant gesloten, dat op hun verzoek was opgesteld door mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul.

In artikel 3 onder 5 van het convenant worden als tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen de vader en de moeder behorende activa genoemd:

“een tweetal spaarrekeningen bij de Deutsche Bank Köln-Weiden, onder de respectievelijke nummers [bankrekeningnummer 1] (t.b.v. zoon [broer van appellante], hof) en [bankrekeningnummer 2] (t.b.v. dochter [appellante], hof)”.

Artikel 5, getiteld “verrekening/verdeling”, aanhef en onder F, houdt in:

De verrekening/verdeling zal geschieden met inachtneming van het navolgende:

(…)

F. De man neemt de verplichting op zich om op voornoemde spaarrekeningen bij de Deutsche Bank FL. 50,- (€ 22,69, hof) per maand per rekening te blijven storten. De spaargelden worden opgebouwd ten gunste van de minderjarige kinderen en iedere rekening heeft een looptijd van in totaal 20 jaren.”.

3.1.6.

De looptijd van de op naam van de vader ten behoeve van [appellante] geopende spaarrekening (het betreft een Spaarplan met bonusrecht), bedoeld in r.o. 3.1.5, eindigde op 31 juli 2009.

Per 31 december 2000 had de vader met genoemd Spaarplan inmiddels een spaardepot van

€ 4.375,19 opgebouwd.

3.1.7.

[broer van appellante], de broer van [appellante], heeft de vader op 12 oktober 2007 voor de rechtbank Maastricht gedagvaard en daarbij onder meer gevorderd, kort samengevat, betaling door de vader van het per 30 april 2006 bij de Deutsche Bank op Spaarplan [bankrekeningnummer 1] met bonus opgebouwde totaalbedrag.

Onder meer nadat getuigen waren gehoord, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 23 december 2009 de vordering van [broer van appellante] afgewezen.

Van dit vonnis is [broer van appellante] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij tussenarrest van 30 maart 2010 is een comparitie na aanbrengen gelast, welke comparitie op 26 mei 2010 is gehouden. Tussen de vader en [broer van appellante] is daarbij een regeling van hun geschil getroffen.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante]

1. veroordeling van de vader om binnen twee weken na betekening van het vonnis met verificatoire bescheiden aan [appellante] zichtbaar te maken welk spaarsaldo, inclusief bonus, zij heeft opgebouwd per 31 juli 2009 bij de Deutsche Bank wegens het Spaarplan met bonus, geregistreerd onder nummer [bankrekeningnummer 2], op straffe van een dwangsom van € 1.000,-- per dag en voor iedere dag dat de vader aan deze veroordeling of gedeelte daarvan niet voldoet;

2. veroordeling van de vader om aan [appellante] te betalen, tegen bewijs van kwijting, het per 31 juli 2009 bij de Deutsche Bank op voornoemd Spaarplan met bonus opgebouwde totaalbedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

3. veroordeling van de vader in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellante], naast de hiervoor in r.o. 3.1 tot en met 3.6 omschreven vaststaande feiten, ten grondslag gelegd, dat zij, gezien de uitdrukkelijke afspraak in artikel 5, aanhef en sub F van het echtscheidingsconvenant tussen de vader en de moeder, rechtstreeks en zelfstandig een vorderingsrecht kan doen gelden op de vader op het totaal van spaargelden, inclusief bonus. De vader heeft geweigerd jegens [appellante] rekening en verantwoording af te leggen en haar te bevestigen dat uitbetaling aan haar zal plaatsvinden, hetgeen een toerekenbare tekortkoming van de vader uit hoofde van het convenant, althans een onrechtmatige daad jegens [appellante] oplevert.

3.2.3.

De vader heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.1.

In het tussenvonnis van 13 april 2011 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is op 20 mei 2011 gehouden; een proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken.

3.3.3.

In het eindvonnis van 28 september 2011 heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen, met veroordeling van de vader in de kosten van beide instanties.

Met grief I komt [appellante] op tegen de afwijzing door de rechtbank van haar vordering op de grond dat zij art 21 Rv heeft geschonden door niet de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

Grief II klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte het (bewijs)aanbod van [appellante] om mr. Kreutzkamp als getuige te doen horen, heeft gepasseerd.

Grief III betreft de afwijzing van de vordering van [appellante] en mist zelfstandige betekenis.

3.5.

Ten aanzien van grief I oordeelt het hof als volgt. [appellante] heeft in de inleidende dagvaarding geen melding gemaakt van het haar bij het uitbrengen van die dagvaarding bekende, voor de beslissing van belang zijnde feit dat haar broer [broer van appellante] een nagenoeg geheel gelijkluidende vordering op identieke grondslag voor dezelfde rechtbank aanhangig had gemaakt en dat de rechtbank in die procedure de vordering van [broer van appellante] had afgewezen. Het hof oordeelt evenals de rechtbank dat dit verzuim een ernstige schending van art. 21 Rv. oplevert. Dit wordt niet anders doordat, zoals [appellante] in de toelichting van grief I stelt, zij om praktische en economische redenen ervoor koos om een dagvaarding met dezelfde inhoud uit te brengen als de dagvaarding die namens haar broer is uitgebracht. Het had bepaald en in elk geval op de weg van [appellante] gelegen om in de inleidende dagvaarding melding te maken van de eerdere procedure tussen [broer van appellante] en de vader en van de afloop daarvan.

Onverminderd de ook door het hof als ernstig beschouwde schending van artikel 21 Rv, moet worden vastgesteld dat de vader bij de conclusie van antwoord het volledige procesdossier in de zaak tussen hem en [broer van appellante] heeft overgelegd, waarna ter comparitie na antwoord die eerdere procedure - waarmee de vader uiteraard geheel bekend was - ter sprake is gekomen, zoals blijkt uit het van die comparitie opgemaakte proces-verbaal. Dit brengt mee dat de rechter voldoende tijdig voordat hij vonnis wees beschikte over alle voor zijn beslissing van belang zijnde feiten, waaronder die betreffende de reeds tussen [broer van appellante] en de vader gevoerde en inmiddels voltooide procedure, en dus in redelijkheid niet kan worden gezegd dat de rechterlijke beslissing in deze zaak door het verzuim van [appellante] werd bemoeilijkt, laat staan onmogelijk werd gemaakt. Het hof oordeelt dat de rechtbank onder die omstandigheden een te zware sanctie heeft toegepast door de vordering van [appellante] af te wijzen op de enkele grond dat zij artikel 21 Rv. in ernstige mate heeft geschonden.

Grief I slaagt dus.

3.6.

Nu een van de grieven slaagt, zal het hof krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep ook acht slaan op alle stellingen en weren van partijen in de eerste aanleg. Daarbij is ook van belang dat partijen ter comparitie na antwoord eenparig hebben verklaard dat de rechtbank oordeelt (het hof leest: alsof) de getuigenverklaringen die zijn afgelegd in de zaak van [broer van appellante] mede zijn afgelegd in de zaak van [appellante].

Bij deze stand van zaken heeft de vader geen belang bij zijn verweer dat [appellante] geen afzonderlijke grief heeft gericht tegen de overweging in r.o. 3.2 van het bestreden vonnis, inhoudende dat [appellante] geen argumenten heeft aangevoerd – behalve dat zij haar stelling dat het convenant een derdenbeding bevat aanvullend kan bewijzen door het doen horen van mr. Kreutzkamp als de opsteller van het convenant – die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de beslissing van de rechtbank bij vonnis van 23 december 2009 op de vordering van [broer van appellante] onjuist was, zodat de vordering van [appellante] op dezelfde gronden als de vordering van [broer van appellante] zou zijn afgewezen, als dat niet gebeurd zou zijn op grond van de schending van artikel 21 Rv.

3.7.

Artikel 6:253 lid 1 BW, dat betrekking heeft op het derdenbeding en waarop ook [appellante] haar vordering baseert, luidt als volgt:

Een overeenkomst schept voor een derde het recht een prestatie van een der partijen te vorderen of op andere wijze jegens een van hen een beroep op de overeenkomst te doen, indien de overeenkomst een beding van die strekking inhoudt en de derde dit beding aanvaardt.Evenals de rechtbank in r.o. 3.2 van haar tussenvonnis van 18 juni 2008 in de zaak tussen [broer van appellante] en de vader, is het hof van oordeel dat louter uit de hiervoor in r.o. 3.1.5 weergegeven letterlijke tekst van artikel 5, aanhef en sub F van het echtscheidingsconvenant tussen de vader en de moeder niet zonder meer volgt dat dit artikel een derdenbeding ten gunste van [appellante] bevat. Wel is naar ’s hofs oordeel sprake van elementen in de tekst van dit artikel die kunnen bijdragen aan de vaststelling dat hierin wel een derdenbeding ten gunste van [appellante] is bedoeld en opgenomen; het hof komt hierop terug.

3.8.

Ten aanzien van de vraag of [appellante] rechtstreeks een aanspraak kan ontlenen aan hetgeen de vader en de moeder zijn overeengekomen in de hierboven onder 3.1.5. weergegeven artikelen van het echtscheidingsconvenant, in het bijzonder artikel 5 aanhef en onder F, overweegt het hof als volgt.

De opvatting dat alleen dan mag worden aangenomen dat een derdenbeding tot stand is gekomen, wanneer blijkt dat zulks door de oorspronkelijke partijen (hier: de vader en de moeder) bewust is beoogd, is onjuist.

Bij de uitleg van de overeenkomst tussen de vader en de moeder zijn alle omstandigheden van het geval van beslissende betekenis, waarbij die omstandigheden moeten worden gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen (vgl HR 1 oktober 2004, ECLI: NL:HR:2004:AO9496 (TCM/Gesink) in verbinding met HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1427).

Naar het oordeel van het hof zal een overeenkomst als de onderhavige, in het bijzonder de hierboven meerbedoelde bepalingen uit het convenant, waarbij de vader de verplichting op zich neemt om gedurende een groot aantal jaren met het doel spaargelden op te bouwen ten gunste van zijn kinderen maandelijks een bedrag per afzonderlijke rekening te blijven storten, in de regel ertoe strekken dat (op termijn) rechtstreekse (rechts)betrekkingen tussen elk van de kinderen en de vader worden bewerkstelligd.

Daarbij komt dat de moeder niet zozeer een eigen belang heeft bij nakoming door de vader. De afspraken zien op de belangen van de kinderen.

Reeds op grond van bovenstaande oordeelt het hof dat de overeenkomst tussen de vader en de moeder een derdenbeding ten gunste van [appellante] inhield. Ter nadere motivering van dit oordeel geldt nog het volgende.

3.9.

Evenals [broer van appellante] destijds, heeft thans [appellante] gesteld, dat de vader en de moeder bij het opnemen van artikel 5F in het convenant de bedoeling hebben gehad dat de spaartegoeden van de beide, in artikel 3 onder 5 van het convenant genoemde spaarrekeningen bij de Deutsche Bank (zie r.o. 3.1.5) aan het einde van de looptijd, dus na twintig jaar, door de vader aan [broer van appellante] respectievelijk [appellante] zouden worden uitbetaald.

[appellante] draagt de bewijslast met betrekking tot deze stelling. Nu ook in deze procedure de vader deze stelling heeft betwist, zou [appellante] tot het bewijs ervan dienen te worden toegelaten. Omdat, zoals hiervoor reeds is overwogen, partijen in eerste aanleg hebben verklaard dat de in de procedure tussen [broer van appellante] en de vader afgelegde getuigenverklaringen ook geacht kunnen worden te zijn afgelegd in de procedure tussen [appellante] en de vader, zal het hof thans ook aan de hand van die getuigenverklaringen, van (elementen van) de tekst van artikel 5, aanhef en onder F van het convenant en van de stellingen partijen onderzoeken in hoeverre dat artikel de strekking heeft aan [appellante] een vorderingsrecht jegens de vader toe te kennen.

3.10.

Het hof laat de verklaringen van de in enquête gehoorde getuigen [broer van appellante], [getuige 1], [getuige 2] en van de in contra-enquête gehoorde getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] vooralsnog buiten beschouwing, reeds omdat dezen niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van het convenant tussen de vader en de moeder.

3.11.

De moeder heeft op 4 december 2008 als getuige onder meer verklaard dat:

- de vader en zij kort na de geboorte van hun kinderen een spaarrekening hebben geopend;

- op deze rekening 18 jaar gespaard zou worden en de rekening vervolgens twee jaar zou rusten;

- als de kinderen 20 jaar werden, het geld zou worden uitgekeerd;

- dat de kinderen dit geld dan konden gebruiken voor bijvoorbeeld een studie, hun rijbewijs of waar ze het ook voor nodig hadden en dat het voor de ouders duidelijk was dat dit de prioriteit van het kind was;

- dat de ouders bij hun scheiding samen hebben afgesproken dat de vader de maandelijkse spaarverplichting zou blijven nakomen, zodat de kinderen als zij 20 waren hun geld zouden krijgen;

- dat tussen de ouders duidelijk was besproken en geen twistpunt was, dat zij beiden de spaarrekeningen beschouwden als geld dat voor de kinderen was;

- zij niet graag zou zien dat dit geld voor drugs gebruikt zou worden, want je staat als ouders natuurlijk wel graag achter het doel waaraan het geld besteed wordt;

- dat dat helemaal niet speelt; zij ziet wat haar kinderen doen en dat ze het geld hard nodig hebben.

3.12.

De vader heeft op 15 april 2009 als getuige onder meer verklaard dat:

- hij na de geboorte van zijn zoon (het hof begrijpt dat de vader, gezien zijn proceshouding, ook heeft bedoeld: na de geboorte van [appellante]) een spaarrekening heeft geopend waarop hij 50 DM per maand zou gaan sparen;

- hij dit deed met de bedoeling dat als (hof: [appellante]) later geld nodig zou hebben, er een bedrag voor haar zou zijn;

- hij er heel bewust voor gekozen heeft om de spaarrekening op zijn naam te openen en niet op de naam van (hof: [appellante]) zelf;

- hij dit deed op advies van een collega, die 18 jaar gespaard had voor zijn kind op een rekening op diens naam; toen zijn kind 18 jaar werd, heeft hij in 1 week al het geld opgemaakt, hetgeen hij, de vader, wilde voorkomen;

- artikel 5F van het convenant zo is opgenomen, omdat hij zich bereid had verklaard door te gaan met sparen voor beide kinderen;

- de ouders bij het opstellen van het convenant niet hebben besproken wat er na de looptijd met het geld zou gebeuren;

- hij nooit beloofd heeft dat hij dit geld na 20 jaar aan de kinderen zou betalen.

3.13.

Reeds uit de tekst van artikel 5 onder F van het convenant en de overige vaststaande feiten volgt dat de vader de verplichting op zich heeft genomen om ook na de echtscheiding met een vast bedrag per maand te blijven sparen ten gunste van [appellante], telkens door storting van dat bedrag op een reeds kort na de geboorte van [appellante] geopende rekening op naam van de vader bij de Deutsche Bank; de looptijd van het betreffende spaarplan bedroeg twintig jaar, eindigend op 31 juli 2009.

Dit brengt mee dat al hetgeen de vader krachtens deze bepaling op bedoelde bankrekening heeft gestort uitsluitend voor [appellante], en niet voor de vader of voor enig ander is bestemd.

Hoewel wellicht bij het sluiten van het convenant de vader en de moeder zich dat in feite niet of niet ten volle hebben gerealiseerd en hoewel dat niet uitdrukkelijk in de tekst van het convenant is verwoord, is het onvermijdelijk gevolg van het voorgaande dat het per 31 juli 2009 ten gunste van [appellante] gespaarde saldo, waarop zij met uitsluiting van ieder ander – in beginsel, het hof komt hierop terug - recht heeft, op enig moment na 31 juli 2009 daadwerkelijk aan haar wordt uitgekeerd. Dit brengt dus mee dat [appellante] met betrekking tot meerbedoeld spaarsaldo vanaf enig moment na 31 juli 2009 een – niet zonder meer opeisbaar (ook hierop komt het hof terug) - vorderingsrecht jegens de vader heeft. Het hof gaat uit van de juistheid van de verklaring van de als getuige gehoorde vader, dat hij er destijds, (mede) op advies van een collega, bewust voor heeft gekozen om de spaarrekening op zijn naam en niet op naam van [appellante] te openen, ten einde te voorkomen dat te zijner tijd de jong-meerderjarige het door haar van de spaarrekening opgenomen saldo in zeer korte tijd aan louter consumptieve doeleinden zou besteden, anders gezegd, zou verbrassen. De moeder onderschrijft als getuige ook min of meer de gedachte achter het laatste deel van de verklaring van de vader, waar zij verklaart dat zij niet graag zou zien dat het spaarsaldo aan drugs zou worden besteed en dat je als ouder wel graag achter het doel staat waaraan het spaargeld wordt besteed.

Over de aard van het doel waaraan het spaarsaldo wèl besteed zou moeten worden zijn de vader en de moeder het blijkbaar in grote lijnen eens. De moeder verklaart immers hierover als getuige dat [appellante] dit geld dan kon gebruiken voor bijvoorbeeld een studie, haar rijbewijs of waar ze het ook voor nodig had. De vader stelt in de derde alinea van pagina 3 van de memorie van antwoord dat de bedoeling van de spaarrekening was om [appellante], als zij volwassen was, op weg te kunnen helpen, bijvoorbeeld bij de aankoop van een huis, studie of andere noodzakelijke kosten of tegenvallers waarmee zij op volwassen leeftijd zou worden geconfronteerd.

3.14.

De tussenconclusie uit het voorgaande is, dat, hoewel dat niet rechtstreeks met zoveel woorden uit de tekst van artikel 5 onder F van het convenant kan worden afgeleid, een redelijke uitleg aan de hand van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval, waaronder ook de bedoeling van de vader en de moeder, meebrengt dat die bepaling naar haar strekking een derdenbeding ten gunste van [appellante] bevat, met dien verstande dat de met dit beding samenhangende vordering van [appellante] op de vader in de periode na 31 juli 2009 slechts dan opeisbaar wordt, als de vader er naar objectieve maatstaven op kon vertrouwen, dat [appellante] het haar uit te keren saldo niet zal besteden aan vluchtige consumptie of niet zal verbrassen, maar zal aanwenden voor doelen zoals die door of namens haar ouders zijn genoemd en zijn weergegeven aan het slot van r.o. 3.13.

3.15.

Niet gesteld of gebleken is dat [appellante] het beding niet heeft aanvaard. Bovendien kan aanvaarding in iedere vorm plaatsvinden, mits gericht tot een van de andere betrokkenen. Gelet op de door [appellante] in deze procedure jegens de vader ingestelde vordering gaat het hof uit van haar aanvaarding.

3.16

In verband met het in r.o. 3.14 bedoelde vertrouwen heeft, blijkens de aantekeningen van pleidooi, [appellante] op vragen van het hof onder meer verklaard dat zij hoopte in juni 2013 af te studeren aan de Hogeschool Zuid te [vestigingsplaats] in het vak facilitair management, dat zij van plan was om na haar opleiding een huis te kopen waar zij kon gaan samenwonen met haar vriend, die ook aan het afstuderen was, en dat het spaarsaldo dienstig zou kunnen zijn voor de eventuele aankoop van bedoeld huis.

Vervolgens heeft de vader verklaard dat hij niet kon en ook niet wilde reageren op wat [appellante] zojuist gezegd had en dat hij het doel van [appellante] mooi vond, maar dat ze daarvoor zou moeten sparen.

3.17.

Op grond van de in r.o. 3.15 weergegeven, door de vader onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaring van [appellante] stelt het hof vast dat de vader thans naar objectieve maatstaven het vertrouwen behoort te hebben dat [appellante] het haar uit te keren spaarsaldo – dat de vader begroot op rond € 6.000,--, er niet doorheen zal jagen, maar zal besteden aan een doel dat past binnen hetgeen haar ouders voor ogen staat.

Al het voorgaande brengt mee dat [appellante] een opeisbare vordering op de vader heeft ter hoogte van het saldo op de voor haar kort na haar geboorte geopende spaarrekening bij de Deutsche Bank, als resultaat van de in de periode tot 31 juli 2009 door de vader voor haar gespaarde en op die rekening gestorte bedragen. Als datum van opeisbaarheid stelt het hof 18 april 2013 vast. [appellante] heeft immers, hoewel dat in het licht van het haar bekende verweer van de vader bepaald wel op haar weg had gelegen, niet eerder dan op de op die dag gehouden pleidooizitting haar stelling, dat zij het haar uit te keren spaarsaldo zal aanwenden voor doelen die haar ouders voor ogen staan, voldoende onderbouwd.

Voor zover de vader het verweer voert dat de vordering van [appellante] ook thans niet opeisbaar is, wordt dit verweer dan ook verworpen.

Dit alles wordt niet anders doordat er, naar de vader meermalen heeft aangevoerd, sinds zeer geruime tijd niet of nauwelijks contact is tussen de vader en [appellante]. Hoe spijtig dit ook is, het kan in redelijkheid geen afbreuk doen aan het hiervoor omschreven gerechtvaardigd vertrouwen dat de vader geacht wordt te hebben in een besteding door [appellante] van het spaarsaldo zoals ook de vader voor ogen staat. Het hof merkt overigens op dat niet is gesteld of aannemelijk is geworden dat de oorzaak van het langdurig uitblijven van contact tussen [appellante] en de vader geheel of in overwegende mate een aan [appellante] toe te rekenen omstandigheid is.

Het hof verwerpt ten slotte, gelet op de vaststelling dat in het convenant naar haar strekking sprake is van een derdenbeding ten gunste van [appellante] en dat haar daarmee samenhangende vordering op de vader op 18 april 2013 opeisbaar is geworden, de stelling van de vader dat het uitsluitend aan hem, de vader, is, om te bepalen of en zo ja wanneer hij het spaarsaldo aan [appellante] zal uitbetalen.

3.18.

Uit het voorgaande volgt dat het hof de vordering van [appellante] naar haar kern heeft kunnen beoordelen, welke beoordeling ten gunste van haar is uitgevallen, zonder dat nadere bewijsvoering door middel van het horen van mr. Kreutzkamp als opsteller van het convenant, zoals door [appellante] is aangeboden, noodzakelijk is. Wat er verder zij van grief 2, bij die grief heeft [appellante] dan ook geen afzonderlijk belang.

3.19.

Het hof zal thans nog een aantal verweren van de vader bespreken.

3.19.1.

Het verweer dat de in artikel 5 onder F van het convenant genoemde looptijd van 20 jaar niet ziet op het tijdstip waarop het spaarsaldo opeisbaar voor [appellante] vrijkomt, maar op de periode dat de vader verplicht voor haar moet sparen is op zichzelf juist, maar kan de vader niet baten omdat het hof hiervoor heeft geoordeeld dat de vordering van [appellante] op de vader thans op andere gronden opeisbaar is.

3.19.2.

Het hof kan de vader in het geheel niet volgen in zijn verweer dat volgens artikel 5 onder F van het convenant de spaargelden ten gunste van de minderjarige kinderen worden opgebouwd en dat, nu [appellante] meerderjarig is, zij geen aanspraak (meer) kan maken op die gelden. Ten tijde van de totstandkoming van het convenant was [appellante] immers minderjarig, zodat het voor de hand lag dat zij in dat convenant als zodanig werd aangeduid. Bovendien geldt dat, als dat verweer doel zou treffen, dit het onaanvaardbare resultaat zou hebben dat het spaarsaldo in feite nimmer ter beschikking van [appellante] zou komen: tot 1 augustus 2009 niet omdat pas op die datum de looptijd van het spaarplan was verstreken en nog niet opeisbaar was, en vanaf [geboortedatum] 2007 niet omdat [appellante] op die datum meerderjarig is geworden. Bovendien is dit verweer onverenigbaar met de eigen stelling van de vader dat de bedoeling van het sparen nu juist was (onder meer) dat als [appellante] volwassen was, zij op weg kon worden geholpen.

3.19.3.

De vader heeft gesteld dat hij in 2001 het geld op de spaarrekening voor [broer van appellante] op een andere rekening bij de Deutsche Bank heeft gestort, dat hij wel de overeengekomen fl. 50,-- per maand is blijven sparen en dat de moeder nimmer toestemming heeft gegeven om het geld op die andere rekening uit te keren. Daargelaten dat, waar blijkbaar de vader steeds aan zijn met de moeder overeengekomen maandelijkse spaarverplichting heeft voldaan en de spaarrekening op naam van de vader – en niet (mede) op naam van de moeder of van [broer van appellante] – stond, niet valt in te zien dat voor het overhevelen naar een andere rekening de toestemming van de moeder nodig was, heeft dit verweer van de vader kennelijk uitsluitend betrekking op [broer van appellante], zodat het het hof ontgaat wat de relevantie van dit verweer in het geding tussen [appellante] en de vader is.

3.19.4.

Omdat het hof heeft vastgesteld dat de vordering van [appellante] niet eerder dan op 18 april 2013 opeisbaar is geworden, wordt het beroep van de vader op verjaring van de vordering van [appellante] en op schending van haar klachtplicht verworpen.

3.20.

Al het voorgaande brengt mee dat de vordering van [appellante] tot uitbetaling van het actuele spaarsaldo op de voor haar kort na haar geboorte geopende spaarrekening bij de Deutsche Bank opeisbaar en toewijsbaar is. Grief 3 slaagt dus.

3.21.

Over de hoogte van het toe te wijzen bedrag overweegt het hof als volgt.

3.21.1.

Het gehele actuele saldo van spaarrekening nr. [bankrekeningnummer 2] bij de Deutsche Bank Köln-Weiden, inclusief alle daarop gekweekte rente en alle eventuele (spaar)bonussen is toewijsbaar. Nu zonneklaar is dat het gehele saldo van genoemde spaarrekening, inclusief met de spaarinleg samenhangende bonussen en rente, uitsluitend bestemd is voor [appellante], valt niet in te zien dat, zoals de vader onderaan pagina 6 van de conclusie van antwoord heeft aangevoerd, bonus en rente van toewijzing dienen te worden uitgezonderd. Dat in het convenant niets is opgenomen over de aanspraak van [appellante] hierop, maakt dat niet anders, in tegendeel: als de ouders bij het sluiten van hun convenant, in afwijking van hetgeen naar verkeersopvattingen voor de hand ligt, zouden zijn overeengekomen dat bonus en rente te zijner tijd niet voor [appellante] bestemd zouden zijn, zouden zij dat uitdrukkelijk in het convenant hebben moeten opnemen.

Als productie 2 bij inleidende dagvaarding is overgelegd een afschrift van 2 januari 2001 betreffende genoemde spaarrekening, waaruit blijkt dat het saldo per 31 december 2000

€ 4.375,19 (DM 8.557,13) bedroeg. De bonus aan het einde van de looptijd van de spaarregeling op 31 juli 2009 op basis van de inleg tot eind 2000 zou volgens dat afschrift

€ 1.058,37 (DM 2.070,--) bedragen.

3.21.2.

De vader dient thans bij akte na tussenarrest kopieën van alle jaarafschriften van genoemde spaarrekeningen (zoals het als productie 2 bij inleidende dagvaarding overgelegde jaarafschrift over 2000) over de jaren 2001 tot en met 2013, gevolgd door een afschrift dat het meest actuele saldo in 2014 vermeldt, in het geding te brengen. Voor het geval de vader – zoals hiervoor is overwogen heeft hij dat ten aanzien van [appellante] niet gesteld – vanaf enig moment het saldo op genoemde spaarrekening naar een andere rekening zou hebben overgeheveld, dient hij ten aanzien van die andere rekening alle (jaar)afschriften van het jaar van overheveling tot en met 2013, gevolgd door een afschrift dat het meest actuele saldo in 2014 vermeldt, in het geding te brengen.

Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van de vader. [appellante] kan desgewenst bij antwoordakte reageren.

3.22.

In afwachting van de aktewisseling wordt iedere beslissing aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

verwijst de zaak naar de rol van 11 november 2014 voor akte aan de zijde van de vader met een in r.o. 3.21.2 omschreven inhoud;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.Th. Gründemann, A.P. Zweers-van Vollenhoven en J.H. Hubben en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 oktober 2014.