Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-10-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
20-003899-13
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2013:9040, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak moord/doodslag schietpartij Cadier en Keer. Op basis van met name de verklaringen van de twee Belgen, die bij het slachtoffer in de auto zaten, is de rechtbank destijds tot bewezenverklaring van moord gekomen. De advocaat-generaal was het daarmee eens. Het hof vindt deze verklaringen echter zo onbetrouwbaar dat deze niet doorslaggevend kunnen zijn voor het bewijs dat de verdachte het slachtoffer met opzet heeft willen doden. Het hof gaat daarom uit van de verklaring van verdachte dat hij het pistool niet heeft gepakt om daarmee op het slachtoffer te schieten. Volgens het hof is niet uit te sluiten dat het pistool, zoals verdachte heeft verklaard, is afgegaan doordat het slachtoffer eraan trok, terwijl verdachte de vinger op de trekker had. Ook is het denkbaar dat het pistool in de worsteling drie maal kort na elkaar is afgegaan zonder dat verdachte hierbij willens en wetens de trekker heeft overgehaald. Verdachte wordt wel veroordeeld voor andere feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2014, afl. 6, p. 230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003899-13

Uitspraak : 15 oktober 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg van

22 november 2013 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-702839-12 en 03-866020-13, tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [dag en maand] 1987,

wonende te[adres 1]

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van - kort gezegd –

parketnummer 03-702839-12

feit 1 (moord),

feit 2 (medeplegen van het vervoeren en verkopen van heroïne en medeplegen van het vervoeren van cocaïne),

feit 3 (voorhanden hebben van een pistool en munitie),

feit 4 (medeplegen van handel in heroïne en/of cocaïne, meermalen gepleegd), parketnummer 03-866020-13

feit 1 (opzettelijk aanwezig hebben van heroïne en cocaïne) en

feit 2 (voorhanden hebben van een pistool en munitie)

veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder parketnummer 03-702839-12 feit 1 (moord) is ten laste gelegd, alsmede hetgeen verdachte voor het overige onder parketnummer 03-702839-12 en onder parketnummer 03-866020-13 is ten laste gelegd en verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is vrijspraak bepleit voor het onder parketnummer 03-702839-12 feit 1 ten laste gelegde (moord/doodslag) subsidiair matiging van de gevangenisstraf.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 03-702839-12


1.
hij op of omstreeks 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, heeft doodgeschoten;

2.
hij op of omstreeks 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.
hij op of omstreeks 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pistool, althans een vuurwapen, en scherpe munitie, te weten ten minste 3, in elk geval een aantal, scherpe patronen (6.35 kaliber) voorhanden heeft gehad;


4.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 10 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

parketnummer 03-866020-13 (gevoegd)


1.
hij op of omstreeks 7 december 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12 gram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 4 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op of omstreeks 7 december 2010 in de gemeente Maastricht een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool, en/of munitie van categorie III, te weten 6 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak voor parketnummer 03-702839-12 feit 1 (moord/doodslag)

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 1 impliciet primair (moord) en subsidiair (doodslag) tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daarover het volgende.

1.

Op 11 maart 2012 vond een schietincident plaats op de Pastoor Kikkenweg te Cadier en Keer, waarbij [slachtoffer] zodanig werd getroffen dat hij korte tijd later aan zijn verwondingen is overleden.

De personenauto’s waarmee [getuige 1], [getuige 2] en het slachtoffer enerzijds en verdachte en zijn vriendin ([getuige 3]) anderzijds waren komen aanrijden, stonden vlakbij elkaar en tegenover elkaar met de voorkanten naar elkaar gericht. Nadat [slachtoffer] dodelijk was getroffen, is eerst de auto van verdachte weggereden en daarna de auto waarin het slachtoffer zich bevond. Het slachtoffer is gedurende de rit naar België komen te overlijden.

Verdachte heeft bekend dat hij het pistool in zijn hand had op het moment dat daaruit het dodelijke schot werd afgevuurd. De vraag waarvoor het hof zich gesteld ziet, is of verdachte, al dan niet met voorbedachte raad, het (al dan niet voorwaardelijk) opzet heeft gehad om het slachtoffer te doden.

2.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad heeft gedood en baseert zich daarbij met name op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], die bij het schietincident aanwezig waren.

3.

Het hof is met de verdediging van oordeel dat de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] op belangrijke punten niet worden ondersteund door het overige bewijs. Het hof is van oordeel dat daardoor hun verklaringen zo onbetrouwbaar moeten worden geacht dat deze niet doorslaggevend kunnen zijn voor het bewijs van opzet op het doden van het slachtoffer.

Het hof overweegt daartoe als volgt.

a. aantal schoten

Volgens [getuige 1] en [getuige 2] zou verdachte vier tot zes keer hebben geschoten in drie opeenvolgende fases:

Fase 1: Zij hebben verklaard dat verdachte de auto, waarin zij en het latere slachtoffer [slachtoffer] zaten, heeft klemgereden en dat verdachte al in de richting van hun auto heeft geschoten voordat zijn eigen auto tot stilstand was gekomen (1 tot 2 schoten);

Fase 2: Volgens hun verklaringen heeft verdachte vervolgens in de richting van [slachtoffer] geschoten toen [slachtoffer] uit hun auto was gestapt en in de richting van verdachte liep en zich dichtbij verdachte bevond, waarna [slachtoffer] op de oprit van Pastoor Kikkenstraat 18 neerviel terwijl hij zijn buik vasthield (2 tot 4 schoten);

Fase 3: Tenslotte zou verdachte nog richting hun auto hebben geschoten toen hij, na het fatale schot, in zijn auto wegreed (1 tot 2 schoten).

Deze verklaringen verhouden zich echter niet met de technische bevindingen. Op de plaats delict werden immers slechts drie hulzen aangetroffen (pg. 659 t/m 680) en blijkens de situatietekening (pg. 680) en foto’s (pg. 666-672) lagen deze hulzen op relatief korte afstand van elkaar. Of er hulzen in de auto van verdachte hebben gelegen, is niet komen vast te staan.

Het hof merkt daarbij nog op dat, gelet op het rapport van de wapen- en munitiedeskundige ing. M.E. Bestebreurtje (Nederlands Forensisch Instituut – NFI - te Den Haag) d.d. 15 juli 2014, uit het feit dat de slede open stond na afloop van de schietpartij (volgens de verklaring van de vriendin in de auto van verdachte, [getuige 3], pg. 614) niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat alle patronen uit het wapen van verdachte waren verschoten, aangezien er ook andere situaties zijn waarbij de slede niet of niet geheel gesloten wordt. Dit kan het geval zijn als er sprake is van een uitwerp- of aanvoerstoring en in geval de veiligheidspal ontbreekt.

Voorts stroken de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] niet met de verklaringen van buurtbewoners.

De getuige [buurtbewoner 1] (pg. 53-54), de bewoner van de [adres] te Cadier en Keer, heeft direct na het incident verklaard dat hij twee knallen hoorde alsof iemand met een ijzeren hamer een paaltje in de grond sloeg en dat hij daarna meteen via een raam naar buiten keek. Hij zag toen dat er een man op de grond lag op de oprit van de buren op [adres] ([slachtoffer]), dat de man opstond en naar zijn borstkast greep en dat deze persoon naar de weg strompelde en aan de bijrijderszijde in een personenauto stapte. Op het moment dat hij naar buiten keek, zag [buurtbewoner 1] ook dat er een tweede personenauto op de weg stilstond in tegengestelde richting van en vlakbij de eerstgenoemde auto, en dat deze tweede auto wegreed. Nadat iedereen weg was, is [buurtbewoner 1] naar buiten gelopen. [buurtbewoner 1] verklaart: ”Ik heb dus niet kunnen zien wie er nu eventueel heeft geschoten. Dit was namelijk al gebeurd toen ik naar buiten keek.” Deze getuige, die de auto van verdachte heeft zien wegrijden, spreekt niet over schoten die nadat hij naar buiten keek – en dus bij het wegrijden van verdachte - zouden zijn gelost, terwijl mag worden aangenomen dat hij dit had waargenomen als het was voorgevallen.

De getuige [buurtbewoner 2] (pg. 64), de bewoonster van de [adres], verklaarde direct na het incident dat zij vanuit haar woning buiten een geluid hoorde alsof iemand een ijzeren paal in de grond sloeg. Enkele seconden later hoorde zij het geluid weer. Zij keek via de voorruit naar buiten en zag ter hoogte van perceel 18 een auto staan, waarvan twee portieren open stonden. Ze zag dat de auto wegreed. Ook deze getuige spreekt niet over schoten die nog zouden zijn gelost na de genoemde twee schoten, terwijl ook zij is blijven kijken tot de auto waarin het slachtoffer zat, is weggereden.

De echtgenote van [buurtbewoner 1], [buurtbewoner 3], heeft op 2 april 2012 verklaard dat zij tweemaal twee keer een geluid heeft gehoord alsof iemand een paaltje in de grond sloeg met ijzer en dat tussen beide series enkele seconden zaten. Daarop keek zij naar buiten, waarbij zij een man zag liggen op de oprit van de buren en twee auto’s zag staan met de neuzen naar elkaar toe (pg. 233-234). Zij verklaart evenmin dat zij daarna nog dergelijke geluiden heeft gehoord.

Deze getuigen (omwonenden) verklaren derhalve niet over schoten die zouden gelost nadat [slachtoffer] op de oprit van Pastoor Kikkenstraat 18 was neergevallen. Deze getuigen hebben evenmin verklaard over schoten die zouden kunnen worden toegeschreven aan schoten die door verdachte zouden zijn gelost voordat zijn auto tot stilstand kwam. Weliswaar heeft de echtgenote van [buurtbewoner 1], [buurtbewoner 3], verklaard dat zij tweemaal twee schoten heeft gehoord, maar zij verklaarde dat tussen beide series enkele seconden zaten, hetgeen zich niet verhoudt met de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2].

Gelet op het bovenstaande, alsmede op de verklaring van de getuige [buurtbewoner 4] (pg. 62), die vanuit haar woning direct om de hoek van de Pastoor Kikkenstraat slechts twee knallen kort na elkaar hoorde, is het hof van oordeel dat verdachte niet heeft geschoten voordat hij met zijn auto op de Pastoor Kikkenweg tot stilstand kwam (fase 1 in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]) en evenmin toen hij daar met zijn auto wegreed (fase 3 in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]).

Hoewel de getuigen spreken over twee schoten, zijn er drie hulzen gevonden. Het hof gaat dan ook ervan uit dat er drie schoten zijn gelost. Nu er, naast de verklaring van verdachte, geen (betrouwbare) bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit kan blijken wanneer dit derde schot is gevallen, gaat het hof uit van de verklaring van verdachte dat dit vrijwel gelijktijdig is geweest met de andere schoten en dat de getuigen het eerste schot waarschijnlijk niet bewust hebben gehoord, maar daardoor wel werden geattendeerd op het gebeuren.

dodelijk schot

Over het fatale schot verklaarden de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] dat verdachte ter hoogte van het onderlichaam in de onderbuik schoot ([getuige 1]) althans dat verdachte zijn wapen richtte op de buik ([getuige 2]).

Deze verklaringen verhouden zich niet met de bevindingen van de ballistisch deskundige J. Serrano1. Deze heeft - kort gezegd - geconcludeerd dat het slachtoffer is getroffen door een schot rechtstreeks in de thorax volgens een licht dalende baan gericht van rechts naar links.

In een deskundigenrapport d.d. 31 maart 20122 stelt de deskundige dat de autopsie, verricht door dr. Renardy, oplevert dat de intredeopening van het projectiel zich bevindt in het bovenste deel van de rechterzijde tussen 118,5 en 119 cm van de hielen. In het autopsierapport van dr. Renardy wordt genoteerd dat het slachtoffer een lengte heeft van 173,5 cm en dat bij uitwendig onderzoek een intredeopening van een ballistisch projectiel wordt gezien in de borstkas rechts, tussen 118,5 en 119 cm van de hielen3.

De verklaring van de getuigen over schieten in de (onder)buik zijn niet in overeenstemming te brengen met de bevinding dat de inschotverwonding zich bevindt in het bovenste deel van de rechterzijde.

4.

Nu het hof de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] vanwege hun onbetrouwbaarheid niet voor het bewijs kan gebruiken, zal het oordeel dienen te worden gebaseerd op het overige bewijsmateriaal.

Allereerst is er het hiervoor genoemde onderzoek van de ballistisch deskundige J. Serrano, verricht aan het projectiel dat is aangetroffen in het stoffelijk overschot van [slachtoffer]. Volgens de deskundige is [slachtoffer] getroffen door een schot rechtstreeks in de thorax, afgeschoten op afstand (noch een contactschot, noch een schot van heel dichtbij), door een semi-automatisch pistool 6,35 mm Browning. Deze deskundige heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij het waarschijnlijk acht dat het schot op meer dan 2 à 3 centimeter is afgevuurd. Op grond van zijn bevindingen en wat hem is voorgehouden uit het rapport van het NFI van 23 april 2013, acht hij het logischer dat er op een afstand tussen 10 - 15 centimeter en 50 centimeter, en naar zijn mening zelfs nog iets minder dan 50 centimeter, is geschoten.4

Daarnaast heeft het NFI de sweater, die [slachtoffer] droeg ten tijde van het schietincident, onderzocht op schotresten. Het NFI heeft in zijn rapport van 23 april 2013 geconcludeerd dat het waarschijnlijker is dat de schootsafstand van het fatale schot tussen de 2,5 centimeter en 50 centimeter is geweest, dan dat deze kleiner is geweest dan 2,5 centimeter of groter dan 50 centimeter.5

Op grond van de bevindingen van deze deskundigen gaat het hof uit van een afstand van 2,5 centimeter tot 50 centimeter. Het slachtoffer bevond zich derhalve op korte tot zeer korte afstand van het wapen op het moment dat hij werd geraakt. Gelet ook op hetgeen hiervoor onder 3a is overwogen, gaat het hof ervan uit dat de drie schoten kort na elkaar zijn gevallen.

5.

Bij de vraag of verdachte het - al dan niet voorwaardelijk - opzet had op het doodschieten van het slachtoffer overweegt het hof het volgende.

Bij gebrek aan ander bewijsmateriaal moet het hof met betrekking tot deze vraag afgaan op de verklaringen van verdachte, voor zover deze aannemelijk kunnen worden geacht.

Over de toedracht van het fatale schot heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende verklaard.

Ik had een wapen bij me. Dat lag al een tijdje in de auto. Het wapen was geladen. Het was doorgeladen en stond op scherp. Ik wist ten tijde van het incident niet dat dit het geval was.

Tot mijn grote verbazing sprong [slachtoffer] uit zijn auto en kwam op mij af. Ik zat in de auto met het portier dicht en het raam open. Hij schreeuwde iets wat ik niet verstond. Ik was verbaasd, verbijsterd. Ik had van alles verwacht maar niet dit. Hij had mij namelijk net tevoren beroofd; dat hij dan agressief op mij af komt, had ik nooit verwacht. Hij probeerde het portier te openen, maar dat lukte hem niet. Toen probeerde hij het portier van de binnenkant te openen. Hij had niets in zijn handen, maar was wel verbaal agressief. Hij had een uitdrukking op zijn gezicht die mij beangstigde. Links van het stuur was een vakje. Normaal gesproken, als ik alleen ben, heb ik daarin mijn voorraad drugs liggen. Volgens mij wilde hij naar het vakje grijpen. Ik was bang dat hij meer drugs wilde hebben. Zijn handen gingen richting het vakje. Ik dacht voordat hij het wapen vindt moet ik het zelf pakken. Die man was tot alles in staat op dat moment. Ik vreesde voor wat hij zou doen als hij het wapen te pakken kreeg. Ik heb het wapen met mijn linkerhand vastgepakt. Hij wilde mij overmeesteren. Toen is het wapen een aantal keren afgegaan. Dat kwam, omdat ik het wapen vast had en hij eraan trok. Het ging in fractie van een seconde. Het hele voorval heeft hooguit 30 seconden geduurd. Hij pakte mij bij de linkerarm en toen ging het wapen af. Misschien is het een aantal keren afgegaan doordat ik in een panieksituatie was. Je bent niet helemaal helder op zo'n moment. [slachtoffer] hing voor de helft met zijn lichaam in mijn portier. Ik heb hem één keer geraakt.

Ik pakte zelf het pistool, omdat ik bang was dat [slachtoffer] het zou pakken. Ik moest daarvoor het vakje openen. Mijn reactie was dat ik dat wapen wilde hebben. Ik weet niet waarom. Ik heb het gewoon gepakt. Ik heb niet bewust op hem gericht, daar heb ik de tijd niet voor gehad. Ik had ook niet bewust mijn vinger op de trekker. Er waren meerdere knallen.

Het contact verliep snel en agressief. [slachtoffer] was met zijn armen, hoofd en bovenkant in de auto. Hoever weet ik niet precies, maar niet tot aan zijn middel. Hij was ook niet steeds op dezelfde manier met een deel van zijn lichaam in de auto; door het trekken en duwen ging dat in bewegingen. Hij had mijn arm vast en wilde mijn wapen afpakken.

Bij de politie heeft verdachte onder meer verklaard (pg. 474):

Ik zie dat [slachtoffer] gelijk uit de auto springt en op mij af kwam gerend. Ik zat op dat moment in de auto. Hij schreeuwde iets, wat weet ik niet. Ik zag dat hij mijn portier wilde openen. Dat lukte niet. Hij wilde de deur vervolgens via mijn raam dat open stond open maken. Ik duwde zijn hand terug naar buiten, althans ik duwde zijn handen weg. Hij kwam vervolgens met zijn hele lichaam in de auto. Bij het portier aan mijn zijde zit een vakje. Daar had ik het wapen opgeborgen. Het ging zo snel. Als ik alleen was en ik handel had met [slachtoffer], dan had ik mijn dope daar verborgen. Vervolgens heb ik als eerste naar dat vakje in de auto gegrepen. In dat vakje lag nu het pistool. Ik greep het wapen. [slachtoffer] was op dat moment nog steeds in het raam van het portier. Ik zag dat [slachtoffer] naar het wapen, dat ik in mijn linkerhand hield, probeerde te pakken. Ik heb toen twee of drie keer geschoten. Ik heb niet gericht geschoten. Het was ook niet mijn bedoeling om te schieten. Ik ben geen domme jongen en ik weet dat als men schiet men daar geen baat bij heeft. Het ging allemaal zo snel.

Verdachte heeft verklaard dat hij verbijsterd was dat het slachtoffer op hem af kwam lopen. Dit omdat hij het slachtoffer net had klemgereden nadat het slachtoffer hem van zijn dope had bestolen. Dit laatste wordt bevestigd door de verklaringen van [getuige 3], [getuige 1] en [getuige 2].

Verdachte heeft vervolgens verklaard dat het slachtoffer met zijn bovenlichaam door het portierraam aan de bestuurderszijde van zijn auto kwam en met zijn handen bewoog richting het vakje links van het stuur, waarin normaal gesproken zijn handelsvoorraad lag. Verdachte wist dat op dat moment zich in dat vakje een pistool bevond. Verdachte heeft het pistool gepakt, volgens verdachte niet om daarmee te schieten, maar om te voorkomen dat het slachtoffer het pistool in handen zou krijgen. Dit scenario is bij gebreke aan ander bewijsmateriaal voorstelbaar en niet uit te sluiten. Hierbij neemt het hof in aanmerking de verklaring van de vriendin van verdachte, [getuige 3]. Zij heeft hierover bij de politie het volgende verklaard (pg. 612-613 en 627):

[verdachte] bracht de auto links van de weg tot stilstand. Ik dacht om ze klem te rijden. [slachtoffer] stapte uit. [verdachte] zijn raam was open. Ik zag een vreemde blik in de ogen van [slachtoffer]. Ik werd zenuwachtig. Hij stapte heel snel uit. [slachtoffer] loopt in rechte lijn naar de bestuurderskant. Begint te schreeuwen. Ik zag ook dat [slachtoffer] aan het portier begint te rukken. Ze schreeuwden naar elkaar. Zij spraken de Franse taal. Ik hoorde aan de stem van [verdachte] dat hij niet op zijn gemak was. Ik ga dan in mezelf. Ik sla mijn ogen naar beneden. Ik sluit me dan helemaal af. Ik hoorde het wel. Ik hoorde hen nog steeds tegen elkaar schreeuwen. Ik hoorde dat [verdachte] bang was. Ik hoorde dat er fysiek contact was. Ik hoorde gewoon dat [verdachte] bang was. Dat maakte mij nog banger. Ik hoorde dan schoten. Het zijn (er, hof) niet veel. Toen ik voorzichtig opkeek, zag ik dat het niet [verdachte] was. Toen ik het wapen zag, zag ik dat het in de hand van [verdachte] was. Hij smeet het bij mij op schoot en reed toen weg. (…) [verdachte] is linkshandig. [verdachte] gebruikte het wapen voor het eerst in dat gevecht. De deur zat ertussen en alleen het raam stond open. Het was een worsteling. Ik heb zelf niets van het gevecht gezien, omdat ik niet durfde te kijken. Ik heb de schoten alleen gehoord. Ze kwamen kort na elkaar.

Deze verklaring bevestigt de lezing van verdachte dat het slachtoffer verdachte via het portierraam agressief bejegende en verdachte bang was. Terwijl verdachte dit (doorgeladen en semi-automatische) pistool in zijn hand had, is er volgens verdachte een worsteling ontstaan tussen hem en het slachtoffer, waarbij het slachtoffer heeft getracht het pistool af te

pakken. Deze worsteling heeft slechts korte tijd geduurd in welke tijd het pistool drie keer is afgegaan. Dat de schoten zijn gevallen tijdens een worsteling waarbij het slachtoffer getroffen zou zijn op het moment dat hij met een deel van zijn bovenlichaam door het raampje van de auto van verdachte hing, strookt met onder 3b en 4 weergegeven bevindingen van de deskundige J. Serrano en dr. Renardy, de onder 4 weergegeven bevindingen van het NFI en voormelde verklaring van [getuige 3]. Niet uit te sluiten is dat het pistool, zoals verdachte heeft verklaard, is afgegaan doordat het slachtoffer eraan trok, terwijl verdachte de vinger op de trekker had. Uit de enkele omstandigheid dat er drie schoten zijn gelost kan het hof niet afleiden dat verdachte op enig moment bewust de trekker over heeft gehaald. Hierbij neemt het hof in aanmerking:

  • -

    dat het voor de hand ligt dat, indien een dergelijk pistool in de hectiek van het moment wordt gegrepen ter voorkoming dat de ander het te pakken krijgt, dit, mede gelet op de vormgeving van dit pistool, op zodanige wijze gebeurt dat de vinger om de trekker ligt;

  • -

    dat een semi-automatisch pistool zich na een schot zeer snel en automatisch herlaadt;

  • -

    dat de worsteling voortduurde tot na het derde schot en het denkbaar is dat het pistool in de worsteling drie maal kort na elkaar is afgegaan zonder dat verdachte hierbij willens en wetens de trekker heeft overgehaald.

6.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die tot andere oordelen zouden moeten leiden, is het hof, op grond van bovenstaande overwegingen, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte - al dan niet met voorbedachte raad - het (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.

Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het onder parketnummer 03-702839-12 onder 1 ten laste gelegde.

Het hof merkt daarbij op dat het zich niet kan uitlaten over de vraag of er sprake is van dood door schuld, omdat dit niet ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 03-866020-13 onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

parketnummer 03-702839-12


2.
hij op 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk heeft verkocht en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en opzettelijk heeft vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.
hij op 11 maart 2012 te Cadier en Keer, in de gemeente Eijsden-Margraten, een pistool en scherpe munitie, te weten ten minste 3 scherpe patronen (6.35 kaliber), voorhanden heeft gehad;


4.
hij in de periode van 1 juli 2011 tot en met 10 maart 2012 in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft verkocht en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

parketnummer 03-866020-13 (gevoegd)


1.
hij op 7 december 2010 in de gemeente Maastricht opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12 gram heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 4 gram cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;


2.
hij op 7 december 2010 in de gemeente Maastricht een wapen van categorie III onder 1, te weten een pistool, en munitie van categorie III, te weten 6 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte onder deze feiten meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 10, vierde lid, van de Opiumwet.

Het in de zaak met parketnummer 03-866020-13 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet.

Het in de zaak met parketnummer 03-866020-13 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Dit feit is strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 55, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden:

  • -

    uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 24 juni 2014 blijkt dat verdachte, voorafgaand aan het plegen van de thans bewezenverklaarde feiten, eerder onherroepelijk gevangenisstraf is opgelegd voor Opiumwetdelicten;

  • -

    hard drugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers op, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het ‘Landelijk overleg van voorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en de rechtbanken (LOVS)’, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Volgens die oriëntatiepunten kan voor de handel in harddrugs (gedurende een periode van 6 tot 12 maanden met enige regelmaat) een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden als uitgangspunt voor de op te leggen straf worden genomen en voor het voorhanden hebben van een vuurwapen een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof echter omstandigheden naar voren gekomen die ertoe dienen te leiden dat van deze oriëntatiepunten wordt afgeweken.

Bij het voorhanden hebben van het vuurwapen op 11 maart 2012 heeft verdachte immers een groot risico genomen door het wapen geladen in zijn auto te bewaren, terwijl hij diezelfde auto gebruikte als locatie vanwaar de drugshandel plaatsvond. Verdachte was zich ook bewust van die gevaarzetting en van de gevaren die de drugshandel met zich brengen. Hij heeft dat risico nog eens vergroot door na een zogenaamde ripdeal met die auto achter het slachtoffer aan te gaan om zijn goederen terug te halen. Door deze handelwijze is door toedoen van de verdachte een persoon overleden, hetgeen het hof hem zwaar aanrekent. Verder neemt het hof in aanmerking dat dit niet de eerste keer was dat de verdachte een vuurwapen in zijn bezit had, zoals blijkt uit de bewezenverklaring ter zake van parketnummer 03/866020-13, feit 2.

Wat betreft het handelen in en aanwezig hebben van heroïne en cocaïne als hierboven bewezenverklaard, neemt het hof in aanmerking dat de verdachte eerder (2009) is veroordeeld ter zake van artikel 2 van de Opiumwet.

Het hof acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van in totaal drie jaren passend en geboden. Ter zake van de overtredingen van de Wet wapens en munitie acht het hof een gevangenisstraf van twee jaren aangewezen en ter zake van de overtredingen van de Opiumwet een gevangenisstraf van één jaar.

Artikel 72, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft, voor zover hier van belang, voor dat bij alle einduitspraken de voorlopige hechtenis wordt opgeheven indien aan de verdachte geen vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd onvoorwaardelijk is opgelegd. De voorlopige hechtenis is gestart op 28 maart 2012 en duurt op het moment van de uitspraak ruim tweeëneenhalf jaar. Nu gelet op artikel 75, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering voor de verlenging van de voorlopige hechtenis in hoger beroep de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf bepalend is, dient het hof rekening te houden met het tijdstip waarop verdachte ingevolge artikel 15, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht voorwaardelijk in vrijheid zou zijn gesteld. In dit geval zou dat zijn nadat verdachte tweederde gedeelte van zijn straf heeft ondergaan, dus na twee jaar. Nu het tijdstip van de voorwaardelijke invrijheidstelling reeds is gepasseerd, zal het hof de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 03-866020-13 onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte in de zaak met parketnummer 03-702839-12 onder 2, 3 en 4 en in de zaak met parketnummer 03-866020-13 onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Aldus gewezen door

mr. C.M. Hilverda, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. B. Stapert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 15 oktober 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Stapert is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het deskundigenrapport door J. Serrano d.d. 31 maart 2012 (pg. 224 t/m 226 van het Belgische dossier) in verband met het autopsierapport d.d. 18 januari 2013 (pg. 194 t/m 201 van dat dossier).

2 Vertaling in het Nederlands, pg. 225 van het Belgisch dossier.

3 Gerechtelijk geneeskundig rapport d.d. 18 januari 2013 van een op 11 maart 2011 uitgevoerd onderzoek, vertaling in het Nederlands, pg. 195 en 196 van het Belgisch dossier.

4 Proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris van J. Serrano d.d. 22 augustus 2013.

5 Rapport schotrestenonderzoek d.d. 23 april 2013, pg. 2258 t/m 2266.