Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:421

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
HD 200.134.431_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Toepassing artikel 237 lid 1 Rv. Uitsluitend beroep tegen proceskostenveroordeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 237, geldigheid: 2014-02-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/151
RBP 2014/47

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.134.431/01

arrest van 18 februari 2014

in de zaak van

De Gemeente Oss,

gevestigd te Oss,

appellante,

advocaat: mr. A.E. Klomp te Nijmegen,

tegen

[de man] hodn Zeilmakerij [Zeilmakerij],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Y.J.K. Meulemans te Eindhoven,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 september 2013 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 20 augustus 2013 tussen appellante – de Gemeente – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/264756/KG ZA 13-416)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep inhoudende tevens de grieven met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4 De beoordeling

4.1.

De door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet betwist, zodat ook het hof hiervan zal uitgaan.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

Vanaf 1 januari 1994 huurt [geïntimeerde] van de gemeente (voorheen gemeente Lith) het perceel aan het adres [perceel] te [plaats]. Uit de huurovereenkomst blijkt dat het gehuurde uitsluitend bestemd is voor activiteiten van een zeilmakerij met bewoning. De zeilmakerij met bewoning betreft één woon- en werkschip waarvoor een ligplaats is aangewezen.

Vanwege gezondheidsproblemen heeft [geïntimeerde] de ark in 2005 te koop gezet, omdat het voor hem niet meer mogelijk is zijn werkzaamheden in de zeilmakerij uit te oefenen en daarmee voldoende inkomsten te genereren.

Op het moment dat [geïntimeerde] de ark in 2005 te koop heeft gezet, was op het perceel het bestemmingsplan ‘Herziening bestemmingsplan Lithse Ham 1991’, vastgesteld op 12 maart 1992 van toepassing.

Begin 2007 heeft [geïntimeerde] bij de gemeente een verzoek ingediend om vrijstelling te verlenen voor het gebruik als watersportbedrijf van het perceel. De gemeente heeft dit verzoek geweigerd bij besluit van 6 februari 2007, waartegen eiser op 21 februari 2007 bezwaar heeft gemaakt bij de gemeente. Bij besluit van 24 juli 2007 is het bezwaar van [geïntimeerde] ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hiertegen heeft [geïntimeerde] beroep ingesteld bij de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, sector bestuursrecht. Bij vonnis van 24 juni 2008 heeft de rechtbank het beroep (voor zover thans van belang) ongegrond verklaard.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] getracht toestemming te verkrijgen van de gemeente voor verruiming van de bestemming van het perceel. Nadat er diverse voorbereidingsbesluiten tot herziening van het bestemmingsplan van het perceel zijn genomen, heeft [geïntimeerde] zich tot de Nationale Ombudsman gewend. Dit heeft geresulteerd in een overeenkomst tussen [geïntimeerde] en de gemeente die zij op 5 januari 2010 hebben gesloten. De afspraken die hierin zijn vastgelegd zijn gericht op verruiming van de bestemming van het perceel en hiermee heeft de gemeente het [geïntimeerde] mogelijk gemaakt om al activiteiten uit te voeren vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure. Een formele verruiming van de bestemming zou pas mogelijk zijn in een nieuw bestemmingsplan voor de Lithse Ham.

Het voorontwerp van het nieuwe bestemmingsplan is in februari 2012 ter inzage gelegd. Nadat de ontvangen inspraakreacties op dit voorontwerp inhoudelijk zijn behandeld, is het ontwerp van het bestemmingsplan in december 2012 ter inzage gelegd. Vervolgens zijn de ingediende zienswijzen behandeld en op 20 juni 2013 is het bestemmingsplan vastgesteld.

4.2.

[geïntimeerde] heeft in kort geding – samengevat – een veroordeling van de Gemeente gevorderd tot betaling van een voorschot op een schadevergoeding tot een bedrag van € 415.000,- alsmede de Gemeente te veroordelen in de proceskosten. [geïntimeerde] stelt daartoe dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de besluitvorming omtrent een nieuw bestemmingsplan nodeloos te vertragen, verder de verruiming van het bestemmingsplan tegen te werken en potentiële kopers van zijn ark onjuist voor te lichten en daarmee de noodgedwongen verkoop van zijn ark te hinderen. De door [geïntimeerde] becijferde schade beloopt per 1 januari 2013 volgens hem een bedrag van € 865.000,-. De waardevermindering van zijn ark bedraagt € 415.000,- en daarop is zijn vordering tot betaling van een voorschot op die schadevergoeding gebaseerd.

4.3.1.

Na gevoerd verweer van de zijde van de Gemeente heeft de rechtbank de gevraagde voorziening geweigerd. De voorzieningenrechter overwoog daartoe allereerst dat [geïntimeerde] een onvoldoende spoedeisend belang had gezien het tijdsverloop waarover de verwijten aan de Gemeente zich uitstrekken. Verder heeft de voorzieningenrechter aangegeven dat een deugdelijke onderbouwing van de schade ontbreekt, zodat het allerminst aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de Gemeente is gehouden tot betaling van de door [geïntimeerde] gestelde schade.

4.3.2.

De voorzieningenrechter heeft verder de proceskosten gecompenseerd (in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt), waartoe hij het volgende heeft overwogen:

“4.6. Ten aanzien van de proceskosten overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In de stellingen van [geïntimeerde] ligt in de kern besloten dat de gemeente in de afgelopen jaren een weinig coöperatieve houding jegens [geïntimeerde] heeft aangenomen. Ondanks dat de gemeente heeft getracht de voorzieningenrechter van het tegendeel te overtuigen, is deze houding ter zitting bevestigd. Tijdens de behandeling van het kort geding bleek dat [geïntimeerde] zijn vordering tot betaling van een voorschot wilde intrekken wanneer de gemeente bereid was hem schriftelijk te informeren over de status van de bestemming van het perceel dat hij van de gemeente heeft gehuurd opdat hij potentiële kopers op eenduidige wijze kan informeren over de stellingname van de gemeente. De gemeente heeft ter zitting om voor de voorzieningenrechter niet te doorgronden redenen geweigerd om in deze procedure die duidelijkheid te verschaffen. Hierin - en mede gelet op de onder 2.1.3. - 2.6. genoemde feiten - acht de voorzieningenrechter termen aanwezig de proceskosten te compenseren op de hierna te vermelden wijze”.

4.4.

De Gemeente komt met één grief op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter ten aanzien van de proceskosten. Zij betoogt daartoe kort samengevat dat de voorzieningenrechter een onjuist criterium heeft aangelegd met betrekking tot zijn beslissing om de proceskosten te compenseren, nu immers [geïntimeerde] volledig in het ongelijk is gesteld.

Een dergelijke beslissing verdraagt zich niet met de in artikel 237 lid 1 Rv vastgelegde regel dat de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt veroordeeld.

Aldus de Gemeente.

4.5.

Hoewel de afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] in kort geding vaststaat, nu daartegen immers niet wordt gegriefd, zodat een spoedeisend belang niet meer aan de orde is, ontleent de Gemeente een voldoende belang aan de beslissing tot compensatie van proceskosten om een beroep te kunnen rechtvaardigen. De beoordeling van het hoger beroep staat daarmee open voor en is beperkt tot de beslissing over de kosten in eerste aanleg.

4.6.1.

De grief van de Gemeente is terecht aangevoerd. De in de eerste volzin van art. 237 lid 1 Rv. neergelegde hoofdregel houdt in dat degene die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld in de kosten wordt veroordeeld. Het gaat daarbij niet om de overwegingen, maar om het dictum; als daarin het gevorderde geheel wordt afgewezen geldt de eiser als de in het ongelijk gestelde partij, ook als in de overwegingen zijn standpunten deels zouden zijn gevolgd.

Blijkens het eerste deel van de tweede volzin van genoemd artikel kunnen de kosten worden gecompenseerd als partijen familieleden zijn, doch die situatie doet zich niet voor. Blijkens het tweede deel van de tweede volzin van genoemd artikel kunnen de kosten ook worden gecompenseerd als partijen over en weer op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, doch ook daarbij is relevant of dat zijn weerslag heeft gevonden in het dictum, aldus dat op die grond een deel van de vordering is toegewezen en een ander deel afgewezen. Deze bepaling vindt geen toepassing als het gevorderde geheel is toe- of afgewezen, zoals in dit geval.

Ten slotte kunnen blijkens de derde volzin van genoemd artikel nodeloos aangewende of veroorzaakte kosten voor rekening worden gelaten van de partij welke deze veroorzaakte, doch die situatie is niet aan de orde. Voor zover [geïntimeerde] in dat verband, dan wel anderszins betoogt dat hij gezien de opstelling van de Gemeente voorafgaand aan de procedure wel gedwongen was om te gaan procederen, gaat het hof aan dat argument voorbij. De gronden voor de afwijzing van zijn vorderingen liggen immers in de eigen procesopstelling en de daarbij door hem naar voren gebrachte argumenten , terwijl bovendien niet, althans onvoldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerde] door de opstelling van de Gemeente is gedwongen de Gemeente in kort geding te dagvaarden.
Gelet op het voorgaande is de grief terecht voorgedragen.

4.6.2.

Het door de voorzieningenrechter gebezigde argument om te komen tot een kostencompensatie hierin bestaande dat naar zijn oordeel ter zitting is bevestigd dat de Gemeente jegens [geïntimeerde] een weinig coöperatieve houding heeft ingenomen, verdraagt zich niet met het kader als neergelegd in artikel 237 lid 1 Rv met betrekking tot de kostenveroordeling. Nu de vordering van [geïntimeerde] werd afgewezen, had hij als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 237 lid 1 Rv. te gelden.

4.7.

Het vonnis waarvan beroep kan daarom niet in stand blijven voor zover het betreft de beslissing om de proceskosten te compenseren (tot welke beslissing dit hoger beroep is beperkt; r.o. 4.5). [geïntimeerde] zal alsnog in de betaling van die proceskosten worden veroordeeld. Tevens dient hij de proceskosten van het beroep te dragen

5 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten in eerste aanleg tot op heden vastgesteld op € 3.715,-griffierecht en € 816,- aan salaris advocaat en voor het hoger beroep op € 94,79 aan kosten dagvaarding, € 683,- aan griffierecht en € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, Chr. M. Aarts en M.A. Wabeke en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2014.