Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4206

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
13-00990
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzuimboete bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Gebruik van openbare weg tijdens schorsing kenteken. Hof concludeert evenals de Rechtbank tot afwezigheid van alle schuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2439
V-N 2015/4.23 met annotatie van Redactie
FutD 2014-2801
NTFR 2015/327 met annotatie van Mr. W.E. Nent
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 13/00990

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 7 augustus 2013, nummer AWB 13/1518, in het geding tussen

de Inspecteur

en

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna: belanghebbende,

betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag (aanslagnummer [aanslagnummer]) motorrijtuigenbelasting en de gelijktijdig bij beschikking vastgestelde verzuimboete.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is onder aanslagnummer [aanslagnummer] over het tijdvak 29 oktober 2011 tot en met 16 oktober 2012 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd ten bedrage van € 1.573 aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van

€ 1.573.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking verminderd tot € 786.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 44. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard voor zover het de boetebeschikking betreft, de boetebeschikking vernietigd en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft geen verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 augustus 2014 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord belanghebbende, en namens de Inspecteur mevrouw [A].

1.5.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.6.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, die met deze uitspraak in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is vanaf 17 januari 1990 als houder van het motorrijtuig, een personenauto van het merk [auto], met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), ingeschreven in het kentekenregister van de RDW. In de periode van 29 oktober 2011 tot en met 28 oktober 2012 was het kenteken geschorst in de zin van hoofdstuk IV, paragraaf 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

2.2.

Belanghebbende heeft de auto laten schorsen omdat hij veel in het buitenland was. De auto is op 16 juli 2012 door [B], garagehouder te [plaats], België, met een aanhanger opgehaald bij het woonadres van belanghebbende.

2.3.

Op 18 juli 2012 om 22:06 uur, derhalve tijdens de periode van schorsing, heeft de Inspecteur geconstateerd dat de auto geparkeerd stond op de openbare weg aan de [b-straat] te [woonplaats].

2.4.

Tot de stukken van het geding behoort een verklaring die is ondertekend door de heer [B]. De verklaring luidt:

“Hierbij verklaart ondergetekende [B], garagehouder, wonende aan de [a-straat] 18 te [nummer] [plaats], België, dat de auto met kenteken [kenteken] op 16 juli 2012 door mij met een aanhanger is opgehaald bij het woonadres van de heer [belanghebbende] ter reparatie in mijn garage.

Op 18 juli 2012 heb ik het betreffende voertuig gebruikt voor een testrit naar [woonplaats] en de auto geparkeerd aan de [b-straat] te [woonplaats]. De heer [belanghebbende] heeft mij geen toestemming gegeven om de auto in Nederland te gebruiken.”

2.5.

Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende verklaard dat hij de garagist heeft verteld dat hij niet met de auto mocht rijden, ook niet in België. Tijdens de procedure in eerste aanleg heeft belanghebbende in zijn brief van 6 juni 2013 vermeld: “Ik heb de garagist duidelijk gemaakt dat er niet met de auto gereden mocht worden. (…..) en ik heb geen toestemming gegeven om erin te rijden of op de openbare weg te rijden.”

2.6.

De Inspecteur heeft naar aanleiding van de in 2.3 genoemde constatering op de voet van artikel 35 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd en op de voet van artikel 37 van de Wet jo artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de onderhavige boetebeschikking genomen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft de Rechtbank terecht de boetebeschikking op grond van afwezigheid van alle schuld vernietigd?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan tijdens de zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank tot handhaving van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking zoals deze luidt na vermindering in de bezwaarfase. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft met betrekking tot de boetebeschikking geoordeeld dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt dat met de auto gebruik is gemaakt van de openbare weg. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij tegen de garagehouder heeft gezegd dat er niet met de auto in Nederland gereden mocht worden. Voorts heeft de Rechtbank geoordeeld dat de auto buiten de invloedsfeer van belanghebbende op de openbare weg is geparkeerd en dat hij dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Op grond hiervan heeft de Rechtbank geoordeeld dat sprake is van afwezigheid van alle schuld, zodat de boetebeschikking moet worden vernietigd.

4.2.

De grieven van de Inspecteur richten zich tegen laatstvermeld oordeel. Zij strekken ten betoge dat er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld, aangezien belanghebbende door de auto ter reparatie aan te bieden bij een garagebedrijf het aanmerkelijke risico heeft aanvaard, dat gebruik van de weg kan worden gemaakt.

4.3.

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat het gebruik van de weg buiten de invloedsfeer van belanghebbende heeft plaatsgevonden en het Hof gaat daar ook van uit. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende na afgifte van de auto ter reparatie redelijkerwijs niet kunnen voorkomen, dat de auto op de openbare weg is geparkeerd. Daarvan uitgaande is relevant wat belanghebbende heeft gedaan om te bewerkstelligen dat er met de auto geen gebruik zou worden gemaakt van de openbare weg. Ofwel: heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat hij in de gegeven omstandigheden de van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht (vgl. Hoge Raad 15 juni 2007, nr. 42687, ECLI:NL:HR:2007:BA7184, BNB 2007/251)?

4.4.

Het Hof is, evenals de Rechtbank, van oordeel dat sprake is van afwezigheid van alle schuld omdat belanghebbende geen verwijt kan worden gemaakt ter zake van het gebruik van de weg op 18 juli 2012. Nadat belanghebbende de auto ter reparatie heeft afgegeven, de garagehouder duidelijk heeft meegedeeld dat niet met de auto mocht worden gereden, heeft hij redelijkerwijs niet kunnen voorkomen dat de auto op de openbare weg is geparkeerd. Anders dan de Inspecteur betoogt is het Hof van oordeel dat de enkele afgifte ter reparatie van een auto aan een garagebedrijf en het in verband daarmee ter beschikking stellen van de autosleutels, niet met zich brengt dat de houder van de desbetreffende auto het aanmerkelijke risico aanvaardt, of zelfs maar rekening moet houden met de mogelijkheid, dat die auto op de openbare weg zal worden geplaatst, indien - zoals in dit geval - de houder aan het garagebedrijf geen toestemming heeft gegeven om de auto op openbare weg te gebruiken (vgl. uitspraak van het Hof 17 mei 2006, nr. 05/00459, ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3928). De Rechtbank heeft dan ook de boete terecht vernietigd.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond moet worden verklaard. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.6.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt bevestigd, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 493.

Ten aanzien van de proceskosten

4.7.

Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.8.

Het Hof stelt de tegemoetkoming in de reiskosten van belanghebbende, op grond van artikel 1, onderdeel c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht op een bedrag van € 39 (retour [woonplaats] – ’s-Hertogenbosch, 2e klasse).

4.9.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 39;

  • -

    bepaalt dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven ten bedrage van € 493.

Aldus gedaan op 9 oktober 2014 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, J. Swinkels en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van V.G.M.P. Bouten, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de oudste raadsheer ondertekend aangezien de voorzitter en de griffier zijn verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.