Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
12-00652
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1279
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof doet uitspraken in negen zaken van een echtpaar, betreffende de inkomstenbelasting/premieheffing en loonheffingen. De beslissingen van het Hof betreffen onder andere de volgende onderwerpen:

Geen terugwijzing naar de rechtbank voor een openbare behandeling; inzagerecht in de bezwaarfase niet geschonden; geen recht op dwangsom; geen terugbetaling loonheffing aan de werknemer nu de loonheffing reeds aan de werkgever is terugbetaald; man is niet belasting/premieplichtig in Nederland, vrouw wel; geen immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00652

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (thans Rechtbank Zeeland-West-Brabant; hierna: de Rechtbank) van 6 september 2012, nummer AWB 11/153, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/Kantoor Buitenland,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen inhouding loonheffing.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft bij schrijven gedagtekend 27 augustus 2009, aan de Inspecteur toegezonden op 7 juni 2010, bezwaar gemaakt tegen de inhouding loonheffingen over de periode januari 2009 tot en met maart 2009. De Inspecteur heeft bij uitspraak van 28 december 2010 het bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 298.

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard, de beslissing betreffende het verzoek om een immateriële schadevergoeding aangehouden en verstaan dat de griffier aan belanghebbende het bedrag van € 257 aan te veel betaald griffierecht restitueert.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend, en wel bij schrijven van 3 juli 2013, bij het Hof ingekomen op 5 juli 2013 en bij schrijven van 18 juni 2014, bij het Hof ingekomen op 19 juni 2014, door belanghebbende aangeduid als vervangende pleitnota ter vervanging van de eerder (bij schrijven van 25 februari 2014, bij het Hof ingekomen op 27 februari 2014) door hem ingediende pleitnota. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft met open deuren plaatsgehad op 9 juli 2014 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van de heer [A], alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B], [C], [D] en mevrouw [E].
Ter dezer zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepszaken van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Breda van 6 september 2012, nummers AWB 11/2634, 11/6554, 12,584 en 12/1882, en tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 januari 2014, nummer AWB 12/7599, bij het Hof bekend onder de nummers 12/00648 tot en met 12/00652 en 14/ 00260, alsmede de zaken van belanghebbendes echtgenote, mevr. [F], Hofnummers 12/00653 tot en met 12/00655.

1.7.

De Inspecteur heeft ter dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de drie bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.9.

Het Hof heeft aan het slot van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende woont in België en is directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] BVBA, een naar Belgisch recht opgerichte en in België gevestigde vennootschap (hierna: de BVBA). De activiteiten van de BVBA bestaan uit het verzorgen van de boekhoudingen en fiscale aangelegenheden voor cliënten.

2.2.

De BVBA is door de Belastingdienst met ingang van 23 november 2006, op verzoek, aangemerkt als vrijwillig inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, lid 2, letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB).

2.3.

Aan de BVBA zijn naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken in 2007 en een aantal tijdvakken in 2008 opgelegd wegens het niet voldoen aan administratieve verplichtingen. Op 4 april 2008 is tussen de Inspecteur en de BVBA overeengekomen dat de BVBA aangiften loonheffingen per brief mag doen. Bij brief van 9 april 2008 is aan de BVBA ter voorkoming van verdere naheffingsaanslagen uitstel verleend voor alle tijdvakken na november 2007.

2.4.

In een overlegprocedure met de Belgische autoriteiten is overeengekomen dat de heffingsbevoegdheid ter zake van het loon van belanghebbende over de jaren 2007 en 2008 aan België toekomt.

2.5.

Bij brief gedagtekend 27 augustus 2009 en aan de Inspecteur toegezonden op 7 juni 2010, heeft de BVBA namens belanghebbende als werknemer van de BVBA bezwaar gemaakt tegen de inhouding van de loonheffing over de maanden januari tot en met maart 2009 van € 50.619,12, met als redengeving dat op belanghebbende gelet op een beslissing van de SVB het Nederlandse stelsel voor sociale zekerheid niet van toepassing is en dat hij op grond van artikel 2, lid 5, van de Wet LB geen werknemer is in de zin van de Wet LB.

2.6.

De BVBA heeft op 30 december 2009 een bedrag groot € 50.000 gestort op de girorekening van de Belastingdienst, onder vermelding van “Loonheffingennummer [nummer] (…) BVBA”. Het vermelde LB-nummer was een niet (meer) bestaand nummer, zodat de Belastingdienst handmatig naar een bestemming voor de betaling moest zoeken. Een aangifte loonheffingen is niet gedaan.

2.7.

Vanaf 1 juni 2010 hebben partijen gecorrespondeerd over het bovenstaande, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in de uitspraak op bezwaar van 28 december 2010, waarin de Inspecteur het standpunt heeft ingenomen dat er ten aanzien van belanghebbende geen sprake is van belastingplicht in Nederland, zodat de betaling door de BVBA onverschuldigd is gedaan. De Inspecteur heeft belanghebbende bij de uitspraak op het bezwaar niet ontvankelijk geacht in bezwaar. De Belastingdienst heeft het door de BVBA gestorte bedrag van € 50.000 in december 2010 aan de BVBA teruggestort als onverschuldigd betaald.

2.8.

In de procedure bij de Rechtbank stelde belanghebbende zich op het standpunt dat de inhouding van de loonheffing ten onrechte heeft plaatsgevonden omdat belanghebbende geen werknemer is in de zin van artikel 2, lid 5 van de Wet LB, subsidiair wegens gebrek aan bewijs dat daadwerkelijk arbeid is verricht in Nederland.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Rechtbank terecht het verzoek van belanghebbende om de openbare behandeling van de zaak geweigerd?
2. Is het inzagerecht respectievelijk het recht om te worden gehoord in de bezwaarfase geschonden, een en ander in samenhang met het verstrekken door de Inspecteur van het mandaatbesluit aan belanghebbende?
3. Is belanghebbende belasting- en premieplichtig in Nederland?
4. Heeft de Belastingdienst terecht de ingehouden loonheffing aan de BVBA terugbetaald in plaats van aan belanghebbende?
5. Waarom is het teveel in rekening gebrachte griffierecht nog niet aan belanghebbende terugbetaald?

6. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van bezwaar en de werkelijk gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep?
7. Heeft de Rechtbank terecht het verzoek om een immateriële schadevergoeding afgewezen?

Belanghebbende is van mening, naar het Hof verstaat, dat de tweede, de derde, de vijfde en de zesde vraag bevestigend en de overige vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert in zijn hoger beroepschrift tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot (primair) verwijzing naar een andere rechtbank opdat de zaak opnieuw kan worden behandeld door een eerste feitenrechter en dan openbaar; subsidiair tot afwezigheid van belastingplicht en/of premieplicht in Nederland en tot terugbetaling van de ingehouden loonheffing.
Voorts klaagt belanghebbende erover dat de Rechtbank het door hem voor de onderhavige zaak aldaar teveel betaald griffierecht nog niet aan hem heeft gerestitueerd en verzoekt hij om toekenning van een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep en van een immateriële schadevergoeding.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve, alsmede ten aanzien van het geschil



4.1. Het onderhavige geschil heeft betrekking op de loonheffing over de maanden januari tot en met maart 2009. De loonheffing had dienen te worden ingehouden telkens op het tijdstip, waarop het loon werd genoten, derhalve in de maanden januari tot en met maart 2009. Belanghebbende kon vervolgens binnen 6 weken na de inhouding hiertegen bezwaar maken, dat wil zeggen telkens binnen 6 weken na 31 januari 2009, 28 februari 2009 respectievelijk 31 maart 2009. Zijn bezwaarschrift, gedagtekend 27 augustus 2009 en, naar niet in geschil is, op 7 juni 2010 aan de Inspecteur toegezonden, is – gelet op het vorenstaande - derhalve te laat ingediend. Van de inhouding op een later tijdstip dan in de maanden, waarop het loon betrekking heeft, is niet gebleken. De Inspecteur heeft het bezwaarschrift dan ook terecht niet ontvankelijk verklaard, wat er ook zij van de door hem gebezigde gronden.
De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende terecht ongegrond verklaard. Het hoger beroep van belanghebbende moet reeds daarom worden verworpen.

4.2.

Nu belanghebbende terecht niet ontvankelijk is verklaard in zijn bezwaar, zal het Hof slechts ten overvloede ingaan op belanghebbendes overige stellingen. Voor de beantwoording van de eerste tot en met vijfde vraag verwijst het Hof naar zijn uitspraak van heden in de zaak van belanghebbende, nummer 12/00649, onder 4.3 en 4.4.
Met betrekking tot de zevende vraag overweegt het Hof, dat de Rechtbank de beslissing omtrent de immateriële schadevergoeding heeft aangehouden.

Voor de hoger beroepsfase geldt, dat het hoger beroepschrift bij het Hof is binnengekomen op 19 oktober 2012. Nu het Hof heden uitspraak doet, is in de hoger beroepsfase evenmin sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639,ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232.

Vraag zes zal worden behandeld bij ‘Ten aanzien van het griffierecht’.

Slotsom

4.3.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd, daargelaten de door de Rechtbank gebezigde gronden.

Ten aanzien van het griffierecht

4.4.

Voor het instellen van het onderhavige hoger beroep is belanghebbende geen griffierecht verschuldigd. Tussen partijen is niet in geschil dat de Rechtbank voor de onderhavige zaak een te hoog griffierecht heeft geheven (zie r.o. 2.8 van de uitspraak van de Rechtbank). Belanghebbende klaagt er in hoger beroep (kennelijk) over dat bedoeld teveel geheven griffierecht ten bedrage van € 257 nog niet aan hem is terugbetaald. Uit een door de griffier van het Hof ingesteld onderzoek bij het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) is gebleken dat de griffier van de Rechtbank op 17 september 2012, derhalve kort na de verzending van de mondelinge uitspraak van de Rechtbank in de procedure die heeft geleid tot het onderwerpelijke hoger beroep, opdracht heeft gegeven tot restitutie van genoemd bedrag van € 257 en dat het LDCR dat bedrag op 18 oktober 2012 heeft overgemaakt op dezelfde bankrekening van belanghebbende als de rekening waarvan eerder het griffierecht ook was afgeschreven ([rekeningnummer]). Ook deze grief van belanghebbende treft derhalve geen doel.

Ten aanzien van de proceskosten

4.5.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 9 oktober 2014 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.M. Brouwer-Harten, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.