Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4199

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2014
Datum publicatie
27-11-2014
Zaaknummer
12-00651
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:1280
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

­Het Hof doet uitspraken in negen zaken van een echtpaar, betreffende de inkomstenbelasting/premieheffing en loonheffingen. De beslissingen van het Hof betreffen onder andere de volgende onderwerpen:

Geen terugwijzing naar de rechtbank voor een openbare behandeling; inzagerecht in de bezwaarfase niet geschonden; geen recht op dwangsom; geen terugbetaling loonheffing aan de werknemer nu de loonheffing reeds aan de werkgever is terugbetaald; man is niet belasting/premieplichtig in Nederland, vrouw wel; geen immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2799
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 12/00651

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats] (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (thans Rechtbank Zeeland-West-Brabant; hierna: de Rechtbank) van 6 september 2012, nummer AWB 12/584, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst Limburg/Kantoor Buitenland,

hierna: de Inspecteur

betreffende na te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 ambtshalve een nihil-aanslag in de inkomstenbelasting (hierna: IB) opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd. Aan belanghebbende is bij brief van 28 februari 2012 de maximale dwangsom krachtens artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) toegekend.

1.2.

Belanghebbende is hiertegen in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 42.

De Rechtbank heeft het beroep niet ontvankelijk verklaard en het verzoek om een immateriële schadevergoeding afgewezen.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5.

Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend, en wel bij schrijven van 3 juli 2013, bij het Hof ingekomen op 5 juli 2013 en bij schrijven van 18 juni 2014, bij het Hof ingekomen op 19 juni 2014, door belanghebbende aangeduid als vervangende pleitnota ter vervanging van de eerder (bij schrijven van 25 februari 2014, bij het Hof ingekomen op 27 februari 2014) door hem ingediende pleitnota. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft met open deuren plaatsgehad op 9 juli 2014 te ‘s-Hertogenbosch.
Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van de heer [A], alsmede, namens de Inspecteur, de heren [B], [C], [D] en mevrouw [E].
Ter dezer zitting zijn tevens behandeld de hoger beroepszaken van belanghebbende tegen de uitspraken van de Rechtbank Breda van 6 september 2012, nummers AWB 11/153, 11/2634, 11/6554 en 12/1882, en tegen de uitspraak van de Rechtbank van 22 januari 2014, nummer AWB 12/7599, bij het Hof bekend onder de nummers 12/00648 tot en met 12/00652 en

14/ 00260, alsmede de zaken van belanghebbendes echtgenote, mevr.[F], Hofnummers 12/00653 tot en met 12/00655.

1.7.

De Inspecteur heeft ter dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de drie bij deze pleitnota behorende bijlagen.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.9.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende woont in België en is directeur-grootaandeelhouder van [bedrijf] BVBA, een naar Belgisch recht opgerichte en in België gevestigde vennootschap (hierna: de BVBA). De activiteiten van de BVBA bestaan uit het verzorgen van de boekhoudingen en fiscale aangelegenheden voor cliënten.

2.2.

De BVBA is door de Belastingdienst met ingang van 23 november 2006, op verzoek, aangemerkt als vrijwillig inhoudingsplichtige als bedoeld in artikel 6, lid 2, letter b, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet LB).

2.3.

Aan de BVBA zijn naheffingsaanslagen loonheffingen over de tijdvakken in 2007 en een aantal tijdvakken in 2008 opgelegd wegens het niet voldoen aan administratieve verplichtingen. Op 4 april 2008 is tussen de Inspecteur en de BVBA overeengekomen dat de BVBA aangiften loonheffingen per brief mag doen. Bij brief van 9 april 2008 is aan de BVBA ter voorkoming van verdere naheffingsaanslagen uitstel verleend voor alle tijdvakken na november 2007.

2.4.

In een overlegprocedure met de Belgische autoriteiten is overeengekomen dat de heffingsbevoegdheid ter zake van het loon van belanghebbende over de jaren 2007 en 2008 aan België toekomt.

2.5.

De BVBA heeft op 30 december 2009 een bedrag groot € 50.000 gestort op de girorekening van de Belastingdienst, onder vermelding van “Loonheffingennummer [nummer] (…) BVBA”. Het vermelde LB-nummer was een niet (meer) bestaand nummer, zodat de Belastingdienst handmatig naar een bestemming voor de betaling moest zoeken. Een aangifte loonheffingen is niet gedaan.
De Inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat belanghebbendes werkzaamheden in Nederland niet van dien aard en omvang waren, dat ter zake belastingplicht in Nederland is ontstaan. In verband daarmee is de betaling van € 50.000 als onverschuldigde betaling aangemerkt en in december 2010 teruggestort aan de BVBA.
Belanghebbende is op 8 februari 2012 in beroep gekomen bij de Rechtbank ter zake van het de hier aan de orde zijnde geschil.

2.6.

Het Nederlands inkomen 2009 bestond uit een gedeeltelijke AOW-uitkering en uit belastbaar loon, volgens belanghebbende toe te rekenen aan enige in Nederland gewerkte uren in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA.

2.7.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aangiftebiljet IB uitgereikt. Belanghebbende heeft slechts het voorblad van de aangifte ondertekend en ingediend. De rest van het aangiftebiljet heeft hij niet ingezonden, ook niet na een herinnering en aanmaning. De Inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende ambtshalve de onderhavige nihil-aanslag opgelegd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de Rechtbank terecht het verzoek van belanghebbende om de openbare behandeling van de zaak geweigerd?
2. Is het inzagerecht respectievelijk het recht om te worden gehoord in de bezwaarfase geschonden, een en ander in samenhang met het verstrekken door de Inspecteur van het mandaatbesluit aan belanghebbende?
3. Is belanghebbende belasting- en premieplichtig in Nederland?
4. Heeft belanghebbende recht op een dwangsom?
5. Heeft belanghebbende recht op de teruggave van de ingehouden loonheffingen?
6. Heeft belanghebbende recht op een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van bezwaar en de werkelijk gemaakte proceskosten in beroep en hoger beroep?
7. Heeft de Rechtbank terecht het verzoek om een immateriële schadevergoeding afgewezen?

Belanghebbende is van mening, naar het Hof verstaat (belanghebbende neemt in de loop van de procedure immers steeds andere stellingen in) dat de eerste en de zevende vraag ontkennend en de overige vragen bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert in zijn hoger beroepschrift tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot (primair) verwijzing naar een andere rechtbank opdat de zaak opnieuw kan worden behandeld door een eerste feitenrechter en dan openbaar; subsidiair tot afwezigheid van belastingplicht en/of premieplicht in Nederland (in de later bij het Hof ingediende stukken komt belanghebbende op deze stelling terug en stelt zich op het standpunt dat hij wel in Nederland belastingplichtig is) en tot terugbetaling van de ingehouden loonheffingen.

Voorts verzoekt belanghebbende om toekenning van een dwangsom, een vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten van bezwaar, beroep en hoger beroep en van een immateriële schadevergoeding.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Eerste vraag

4.1.

De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om de zitting met open deuren te houden afgewezen. Daarbij wees de Rechtbank op het feit, dat belanghebbende behalve zijn beroep op artikel 47 van het Europees Handvest, geen andere argumenten, zoals de aanwezigheid van potentiële belangstellenden, naar voren heeft gebracht. De Rechtbank heeft overwogen dat de behandeling van belastingzaken in beginsel achter gesloten deuren plaatsvindt, tenzij een boete in geding is, welke omstandigheid zich in dit geval niet voordoet. De Rechtbank heeft er op gewezen dat zij kan bepalen dat het onderzoek ook in gevallen, waarin geen boete aan de orde is, openbaar is, voor zover de belangen van partijen daardoor niet worden geschaad. Nadat de Inspecteur te kennen heeft gegeven dat hij gehouden is aan zijn geheimhoudingsplicht en dat hij in geval dat derden aanwezig zijn daardoor mogelijk in zijn belangen wordt geschaad, heeft de Rechtbank aan partijen medegedeeld geen reden te zien om de zitting openbaar te houden. Deze beslissing van de Rechtbank is in overeenstemming met het vigerende wettelijke systeem. Het is aan de rechter om een afweging te maken en te beslissen of dit wettelijke systeem (“gesloten deuren, tenzij”) dient te worden toegepast, dan wel het door belanghebbende aangehaalde artikel 47 Handvest (“openbaar, tenzij”). Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank tot deze beslissing, gelet op de huidige regelgeving en de door haar gemaakte afweging, mogen komen. Het Hof ziet geen aanleiding om de zaak te verwijzen voor openbare behandeling naar een andere rechtbank.

De eerste in geschil zijnde vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

Tweede vraag

4.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep tevens verzocht om de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur, omdat de Inspecteur in een laat stadium inzage heeft verschaft in het gevraagde mandaatbesluit. Door deze gang van zaken heeft belanghebbende afgezien van zijn hoorrecht. Het Hof kan belanghebbende daarin niet volgen.
Belanghebbende bestreed, uiteindelijk, ook niet dat de Inspecteur gemandateerd is. Hij stelde slechts, dat aan hem in een te laat stadium inzage in het mandaatbesluit is verschaft. Tijdens de zitting van het Hof is hij hierop echter teruggekomen. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de stukken van het geding dat de Inspecteur rechtsgeldig gemandateerd was en is om het bezwaarschrift van belanghebbende te behandelen en de zaak voor het Hof te bepleiten. De zaak wordt dan ook niet teruggewezen naar de Inspecteur,
Wat betreft belanghebbendes stelling dat de mandatering in het Staatscourant dient te worden gepubliceerd, geldt het volgende. Op grond van artikel 3:42, lid 1 van de Awb dient de bekendmaking van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, te geschieden door kennisgeving van het besluit of van de zakelijke inhoud ervan in de Staatscourant, tenzij bij wettelijk voorschrift anders wordt bepaald. Krachtens lid 3 van het genoemde artikel 3:42 wordt, indien alleen van de zakelijke inhoud wordt kennisgegeven, het besluit tegelijkertijd ter inzage gelegd, onder vermelding waar en wanneer het besluit ter inzage ligt.
Zoals in het schrijven van het Ministerie van Financiën van 10 juni 2013, dat tot de stukken van het geding behoort als bijlage bij het verweerschrift van de Inspecteur in hoger beroep, is uiteengezet, wordt de weg van artikel 3:42, lid 3, van de Awb ook bewandeld met betrekking tot de bekendmaking van mandaatregisters. De mandaatregisters kunnen worden ingezien op elk kantoor van de Belastingdienst. Deze vorm van bekendmaking kan volgens de Parlementaire geschiedenis bij de Derde tranche Awb als een goede vorm van bekendmaking gelden (MvT, Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, blz. 173).

Belanghebbende heeft verzocht om gehoord te worden in de bezwaarfase, doch is op de expliciete uitnodiging van de Inspecteur om een afspraak te maken niet ingegaan. Het Hof ziet dan ook geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de Inspecteur. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat ook het recht tot inzage is geschonden, heeft hetzelfde te gelden: door niet op de uitnodiging voor een hoorgesprek van de Inspecteur in te gaan, heeft belanghebbende zich zelf in de positie gebracht dat hij de stukken niet heeft ingezien. Ook die grief faalt derhalve.

Derde vraag

4.3.

Voor zover belanghebbende in hoger beroep bedoelt te stellen dat hij in Nederland belasting- en premieplichtig is (hij heeft tijdens de procedure telkens andere stellingen ingenomen), faalt die stelling op de gronden, vermeld in de uitspraak van het Hof van heden, nummer 12/00649 onder 4.3 en 4.4. Belanghebbende is vanwege het ontvangen van AOW in principe belastingplichtig in Nederland doch het heffingsrecht wordt door het Belastingverdrag gesloten tussen Nederland en België toegewezen aan België.

Vierde vraag


4.4. Met betrekking tot de dwangsom heeft te gelden, dat de Inspecteur reeds het wettelijk maximaal te vergoeden bedrag van € 1.260 aan belanghebbende heeft toegekend, zodat thans geen plaats meer is voor de toekenning van een additioneel bedrag.



Vijfde vraag


4.5. Vaststaat, dat het bedrag van € 50.000 in december 2010, derhalve ruim één jaar voordat belanghebbende in beroep is gekomen bij de Rechtbank, aan de BVBA ten titel van onverschuldigde betaling is terugbetaald op haar bankrekening. Belanghebbende stelt dat de Belastingdienst ten onrechte de ingehouden loonheffingen aan de BVBA heeft terugbetaald in plaats van aan belanghebbende en dat daarom het bedrag - nogmaals - door de Belastingdienst moet worden uitbetaald, nu aan belanghebbende. Het Hof is van oordeel, dat het teruggegeven bedrag uiteindelijk, via de aandelen in de BVBA, in het vermogen van belanghebbende is teruggevloeid in zijn hoedanigheid van aandeelhouder van de BVBA. Een tweede uitbetaling van het litigieuze bedrag zou tot ongerechtvaardigde verrijking van belanghebbende leiden. Voor zover belanghebbende derhalve bedoelt te stellen dat hij wegens afwezigheid van belasting- en premieplicht in Nederland recht heeft op de – tweede - terugbetaling van de ingehouden loonheffingen, is aan die stelling feitelijke grond komen te ontvallen. Belanghebbende heeft geen financieel belang bij de procedure. De Rechtbank heeft belanghebbende derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.



Zesde vraag


4.6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten van bezwaar en de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.



Zevende vraag


4.7. Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen tot een immateriële schadevergoeding. De Rechtbank heeft in haar uitspraak met juistheid overwogen, dat de redelijke termijn tot aan de uitspraak van de Rechtbank niet is overschreden. Voor de hoger beroepsfase geldt, dat het hoger beroepschrift bij het Hof is binnengekomen op 19 oktober 2012. Nu het Hof heden uitspraak doet, is in de hoger beroepsfase evenmin sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639,ECLI:NL:HR:2011:BO5046, BNB 2011/232.

4.8.

Het hoger beroep van belanghebbende is naar het oordeel van het Hof ongegrond. Al hetgeen belanghebbende in zijn hoger beroepschrift en de overige door hem overgelegde stukken overigens nog heeft gesteld, maakt dat oordeel niet anders.

Slotsom

4.9.

De slotsom is dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 9 oktober 2014 door J. Swinkels, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en L.M. Brouwer-Harten, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.