Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:414

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
HD 200.122.630_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bewijsopdracht dat is betaald

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.122.630/01

arrest van 18 februari 2014

in de zaak van

[de man], v.h.o.d.n. Bloemenhandel [Bloemenhandel],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.H. Klein Hofmeijer te Leiden,

tegen

[V.O.F.] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

[geintimeerde 2.],

wonende te [woonplaats],

[geintimeerde 3.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 oktober 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Breda onder zaaknummer 255877/HA ZA 12-728 gewezen vonnis van 5 december 2012.

6 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 1 oktober 2013;

- de van de zijde van [appellant] ten behoeve van de comparitie van partijen

overgelegde stukken, producties 5 tot en met 13.

- het depot van de zijde van [appellant] van 48 originele facturen

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 2 december 2013;

Partijen hebben arrest gevraagd.

7 De verdere beoordeling

7.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof, gezien de gemotiveerde betwisting van de vordering van [appellant] door [geïntimeerden] c.s. en de omstandigheid dat [appellant] voor het eerst in hoger beroep van deze betwisting kennis heeft kunnen nemen, een comparitie van partijen gelast voor het verstrekken van informatie en het beproeven van een schikking.

7.2.

De comparitie heeft niet tot een minnelijke regeling tussen partijen geleid.

7.3.

Uit de ten behoeve van de comparitie overgelegde productie 5 blijkt dat op de [bedrijfspand 1.], [postcode] [vestigingsplaats] een bloemengroothandel is gedreven, achtereenvolgens van 1 januari 1996 tot 1 januari 2001 door de v.o.f.[V.O.F. 1. & Zn.], met als vennoten [vader van appellant] en [appellant]; van 1 januari 2001 tot 1 maart 2006 door de v.o.f. [V.O.F. 2.] met als vennoten [appellant] en [vennoot 2.] en sinds 1 maart 2006 tot 31 december 2008 door [appellant] als eenmanszaak onder de naam Bloemenhandel [Bloemenhandel].

7.4.1.

Ten behoeve van de comparitie heeft [appellant] 48 originele afleverbonnen van bloemen gedeponeerd. De totaalbedragen genoemd op deze afleverbonnen corresponderen met de facturen, genoemd onder 4.4.2. van het tussenarrest van 1 oktober 2013, waarvan [appellant] betaling vordert. Het desbetreffende factuurnummer is steeds, met de hand, op de desbetreffende afleverbon vermeld en in het als productie 1 bij memorie van grieven overgelegde grootboekoverzicht opgenomen. De afleverbonnen bestaan uit een wit en een roze vel. Aan iedere afleverbon is nog een kladpapiertje met daarop bloemen en bedragen vermeld, geniet. Boven aan de afleverbonnen staat de naam v.o.f. [Bloemenhandel]. Door [appellant] is deze naam op de afleverbonnen aldus toegelicht dat hij, [appellant], de oude bonnen, uit de tijd dat hij met [vennoot 2.] de bloemenhandel dreef, opmaakte. De naam [vennoot 2.] en diens 06-nummer op het witte vel van deze bonnen is weggelakt.

Voorts heeft [appellant] ten tijde van de comparitie betoogd dat zodra een klant betaalde, het witte vel van de desbetreffende afleverbon aan de klant werd meegegeven en dat de omstandigheid dat alle 48 gedeponeerde afleverbonnen nog uit een wit en roze vel bestaan, betekent dat de op de afleverbonnen vermelde bedragen niet zijn betaald.

7.4.2.

[geintimeerde 2.] heeft ten tijde van de comparitie betoogd dat hij iedere week op maandag en dinsdag naar de bloemenhandel, op naar het hof begrijpt het onder 7.3 genoemde adres, ging en daar bloemen kocht, welke bloemen hij direct meenam. Zo ook de op de gedeponeerde afleverbonnen genoemde bloemen. Betaling van de bloemen volgde de week daarna op woensdag en donderdag. Bij het aangaan van bedoelde koopovereenkomsten verkeerde [geintimeerde 2.], naar hij stelt, in de veronderstelling te handelen met de v.o.f. [vader van appellant]. De bedragen die op de overgelegde afleverbonnen zijn genoemd, zijn, naar [geintimeerde 2.] heeft betoogd, door hem contant voldaan aan de heer [vader van appellant], de vader van [appellant]. Dat [geintimeerde 2.] het witte vel van de afleverbonnen niet heeft meegekregen, is, zo heeft [geintimeerde 2.] betoogd, omdat het bij de v.o.f. [vader van appellant] te druk was in verband met een verbouwing, terwijl [geintimeerde 2.] al zolang zaken deed met de v.o.f. [vader van appellant] dat hij erop vertrouwde dat de witte vellen hem, zoals hem werd gezegd, later zouden worden toegezonden.

8.1.

De vraag die thans moet worden beantwoord is of ten aanzien van de op de gedeponeerde afleverbonnen vermelde bloemen een koopovereenkomst tot stand is gekomen tussen [geïntimeerden] c.s. en [appellant] en [geïntimeerden] c.s. de koopprijs daarvan, waarop de onder 4.4.2. in het tussenarrest van 1 oktober 2013 genoemde facturen zien, aan [appellant] dient te voldoen.

8.2.1.

[appellant] heeft tijdens de comparitie aangevoerd dat iedereen, waaronder [geintimeerde 2.], in de bloemenhandel wist dat hij, [appellant], de bloemenhandel op het onder 7.3 genoemde adres als eenmansbedrijf was gaan drijven. [appellant] stelt dat hij een klant zodra deze in de winkel kwam, inlichtte dat hij, [appellant], voor zichzelf was begonnen.

[geintimeerde 2.] heeft niet betwist dat aan hem op enig moment voor of bij de koop van de op de 48 afleverbonnen vermelde bloemen door [appellant] is gezegd dat de bloemenhandel op het onder 7.3. genoemde adres door [appellant] als een eenmansbedrijf werd gedreven. De gedeponeerde afleverbonnen staan niet op naam van v.o.f. [vader van appellant], maar op naam van v.o.f. [V.O.F. 2.]. [appellant] heeft ten tijde van de comparitie betoogd, dat [geintimeerde 2.] in de periode voorafgaand aan die waarop de onderhavige afleverbonnen zien wel betalingen aan [appellant] heeft gedaan inzake andere bonnen die dateren uit de periode van januari 2006 tot en met 30 augustus 2008 en die staan vermeld, in het ‘schema inzake bonnen en ontvangsten [V.O.F.]’, dat als productie 12 ten behoeve van de comparitie is overgelegd. [geintimeerde 2.] heeft dit niet betwist. [geintimeerde 2.] stelt dat hij bij het aangaan van de onder 7.4.2. bedoelde koopovereenkomsten, waaronder die ten aanzien van de op de 48 gedeponeerde afleverbonnen vermelde bloemen, in de veronderstelling verkeerde met de v.o.f. [vader van appellant] te handelen, naar het hof begrijpt mede omdat de vader van [appellant], de heer [vader van appellant], vaak in de winkel aanwezig was. Onder de hiervoor omschreven omstandigheden is dat verweer van [geintimeerde 2.], geen voldoende betwisting van de stelling van [appellant] dat bij de koop van de onderhavige bloemen, waarvan [appellant] betaling vordert, door [geintimeerde 2.] met [appellant] als eenmansbedrijf is gehandeld en dat [geintimeerde 2.] dit wist. Gezien het voorgaande moet het er voor worden gehouden dat inzake de onderhavige bloemen waarvan [appellant] betaling vordert een koopovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerden] c.s. tot stand is gekomen. Aan het voorgaande doet niet af dat, naar [geïntimeerden] c.s. bij memorie van antwoord hebben betoogd, [appellant], zoals ook blijkt uit het ten behoeve van de comparitie door [appellant] overgelegde uittreksel uit het handelsregister (productie 6), op 8 december 2008 tezamen met [vennoot 3.] de v.o.f. ARTHO bloemengroothandel en commissionairs (hierna:ARTHO) is gestart, welke bloemengroothandel van 8 december 2008 tot 31 november 2011 op de [bedrijfspand 2.], [postcode] [vestigingsplaats] werd gedreven. Naar ter comparitie is gebleken, is het verweer van [geïntimeerden] c.s. dat [appellant] niets van hem te vorderen heeft niet gebaseerd op een door [geïntimeerden] c.s. gestelde overeenkomst met/betalingsverplichting aan ARTHO, maar op de omstandigheid dat [geintimeerde 2.] in de veronderstelling verkeerde bij de koop van de onderhavige bloemen met de v.o.f. [vader van appellant] te handelen en reeds aan [vader van appellant] te hebben betaald.

8.2.2.

Overeenkomstig hun bewijsaanbod als verwoord in de memorie van antwoord zal het hof [geïntimeerden] c.s. toelaten te bewijzen dat zij hebben betaald. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, betekent dit dat [geïntimeerden] c.s. moeten bewijzen dat zij de door [appellant] geleverde bloemen, als gespecificeerd op de gedeponeerde afleverbonnen, aan [appellant] hebben betaald.

De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerden] c.s. toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [geïntimeerden] c.s. de door [appellant] geleverde bloemen, als gespecificeerd op de gedeponeerde afleverbonnen, aan [appellant] hebben betaald;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerden] c.s. bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. J.M. Brandenburg als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 4 maart 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerden] c.s. tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt dat [geïntimeerden] c.s. het schriftelijk bewijs dat zij willen bijbrengen, uiterlijk twee weken voor het verhoor aan de raadsheer-commissaris en de wederpartij zullen toezenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, M.J.H.A. Venner-Lijten en Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 februari 2014.