Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:41

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-01-2014
Datum publicatie
16-01-2014
Zaaknummer
HD 200.124.127-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Investering in onderneming. Vaststellingsovereenkomst waarbij directeur/aandeelhouder van de onderneming zich in privé verbindt tot betaling aan investeerder. Vernietiging? Bedreiging of misbruik van omstandigheden? Geen grond voor vernietiging. Vordering toegewezen. Vonnis bekrachtigd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.124.127/01

arrest van 14 januari 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.L.H. Holthuijsen te Maastricht,

tegen

Madinex B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. C.M. van der Corput te Veldhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest van 28 mei 2013 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant onder nummer C/01/243813 / HA ZA 12-197 gewezen vonnis van 27 februari 2013.

6 Het arrest van 28 mei 2013

Bij dit arrest is de door [appellant] ingestelde incidentele vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis waarvan beroep afgewezen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in het incident.

7 Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord, met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd en [appellant] een akte met producties heeft genomen.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

8 De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

9 De beoordeling

9.1.

Feiten die tussen partijen vaststaan zijn onder 2 van het vonnis waarvan beroep weergegeven. Geen grief is gericht tegen onderdeel 2 van dat vonnis. Het hof gaat dan ook uit van deze feiten en een aantal omstandigheden als gesteld en erkend of niet behoorlijk betwist. Tussen partijen staat kort samengevat het volgende vast.

a. [appellant] is directeur en enig aandeelhouder van C.A.T.S. Beheer & Findings B.V. (hierna: CATS).

b. CATS heeft een machine ontworpen.

c. Madinex (dan wel haar rechtsvoorgangers) heeft zich verbonden zorg te dragen ‘voor de noodzakelijke financiële ondersteuning zolang het project [onder meer: de ontwikkeling en productie van de machine, hof] dit rechtvaardigt’ (conclusie van antwoord in eerste aanleg, nr. 18 en productie 3). Madinex (dan wel haar rechtsvoorgangers) heeft in (de ontwikkeling en productie van) deze machine (ten minste) € 150.000,- geïnvesteerd: zij heeft € 90.000,- aan CATS geleend en zij heeft voor (ten minste) € 60.000,- risicodragend in het project deelgenomen. [appellant] heeft zich niet (samen met CATS hoofdelijk) verbonden voor de terugbetaling van de geldlening, die volgens de desbetreffende bepalingen pas opeisbaar zou zijn wanneer CATS uit de verkoop van machines voldoende liquiditeiten zou hebben voor de terugbetaling ervan.

d. Bij onderhandse akte van 29 april 2008 is een vaststellingsovereenkomst tussen Madinex, CATS en [appellant] vastgelegd (hierna: de vaststellingsovereenkomst). Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat Madinex is ontslagen uit haar hiervoor genoemde financieringsverplichting, dat Madinex aan CATS volledige kwijting heeft verleend (voor de schulden van CATS uit hoofde van voornoemde geldlening en risicodragende participatie) en dat [appellant] € 100.000,- aan Madinex is verschuldigd, jaarlijks te vermeerderen met 6% rente vanaf 1 januari 2009 en te voldoen na verkoop van het huis van [appellant] (en ontvangst van de koopprijs), dan wel na 2,5 jaar na ondertekening van deze onderhandse akte indien dit huis niet binnen die periode van 2,5 jaar zou worden verkocht.

e. Madinex heeft aanspraak gemaakt op betaling uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst.

f. [appellant] heeft bij brief van 17 februari 2012 aan Madinex verklaard de vaststellingsovereenkomst te willen vernietigen wegens bedreiging en misbruik van omstandigheden, gepleegd bij het totstandkomen van die overeenkomst.

9.2.

De vordering van Madinex en de beslissing van de rechtbank hierover zijn weergegeven onder 3.2 en 3.3 van het arrest van 28 mei 2013.

De rechtbank heeft het door Madinex gevorderde grotendeels toegewezen, in dier voege dat [appellant] is veroordeeld € 100.000,- aan Madinex te betalen, te vermeerderen met rente en de kosten van het geding. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wegens bedreiging of misbruik van omstandigheden verworpen.

9.3.

Tegen dit oordeel richten zich de grieven 3 en 5. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

9.4.

Het hof ziet aanleiding eerst de vraag te beoordelen of de stellingen van [appellant] de conclusie rechtvaardigen:

- dat hij onrechtmatig met enig nadeel in persoon of goed is bedreigd (artikel 3:44 lid 2 BW) of
- dat Madinex misbruik van omstandigheden maakt, in die zin dat sprake is van bijzondere omstandigheden die Madinex ervan hadden behoren te weerhouden het aangaan van de vaststellingsovereenkomst te bevorderen (artikel 3:44 lid 4 BW).

Anders dan [appellant] stelt, heeft Madinex (in haar memorie van antwoord) voldoende duidelijk de stelling naar voren gebracht dat het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, dat het beroep op vernietiging daarom faalt en dat het door haar gevorderde tegen deze achtergrond moet worden toegewezen.

9.5.

[appellant] stelt dat Madinex (in de persoon van haar directeur [directeur van Madinex B.V.]) hem tijdens telefoongesprekken in de periode vanaf 26 september 2007 (conclusie van antwoord in eerste aanleg onder 34 en verder) tot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst onder meer het volgende heeft gezegd:

- dat Madinex alle rechten op de machine opeiste en, indien zij deze niet zou ontvangen, onmiddellijke volledige betaling verlangde;

- dat, bij gebreke van onmiddellijke volledige betaling, het faillissement van CATS (dan wel ‘de hele rotzooi’) zou worden aangevraagd en beslag zou worden gelegd op alle bezittingen van [appellant] in privé;

- dat CATS (mede in verband met hoge vergoedingen die bij verkoop van machines aan Madinex waren verschuldigd) geen nieuwe investeerders zou vinden;

- dat [appellant] geen kant op kon en dat CATS niet verder kwam met de ontwikkeling van de machine;

- dat Madinex [appellant] ‘aan het gas zou hangen’ en te gronde zou richten als hij ook maar één verkeerde stap zou zetten of als hij (zoals hij aankondigde) zou stoppen met de ontwikkeling van de machine;

- dat Madinex veel meer mogelijkheden en middelen had dan [appellant], dat zij al met haar advocaat had gesproken en dat [appellant] altijd aan het kortste eind zou trekken;

- dat Madinex de stekker eruit zou trekken en [appellant] in privé alles zou afpakken;

- dat Madinex het huis van [appellant] zou verkopen en dat [appellant] en zijn echtgenote bij de steun zouden moeten aankloppen en in armoede verder zouden moeten leven, evenals een andere zakenrelatie was overkomen.

[appellant] voegt hieraan toe dat hij afhankelijk was van CATS voor zijn broodwinning, dat Madinex weigerde de toegezegde noodzakelijke financiering te verstrekken, dat het project daarom niet vooruit kwam en dat hij door al deze uitlatingen zeer bang was dat Madinex hem finaal kapot zou maken. Hij werd in deze periode ook behandeld voor darmkanker, zo stelt [appellant].

[appellant] verbindt aan het voorgaande de conclusie dat de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is op grond van bedreiging en misbruik van omstandigheden.

9.6.

Het hof beantwoordt de hiervoor gestelde vraag (r.o. 9.4) ontkennend. Het hof acht de gestelde uitlatingen en overige omstandigheden (r.o. 9.5) onvoldoende voor de conclusie dat Madinex [appellant] onrechtmatig heeft bedreigd, dan wel voor de conclusie dat de wetenschap van Madinex over de positie van [appellant] haar ervan had behoren te weerhouden het sluiten van de vaststellingsovereenkomst te bevorderen.

9.7.

De context en de achtergrond van de tussen [directeur van Madinex B.V.] en [appellant] gevoerde gesprekken zijn hierbij van belang.
Madinex heeft geïnvesteerd in de onderneming, die is ondergebracht in CATS, waarvan [appellant] directeur en aandeelhouder was. [appellant] heeft, zoals hij onweersproken aanvoert, deze onderneming geleid, de machine ontwikkeld en de inspanningen om de machine op de markt te brengen gestalte gegeven. Eind 2007 en begin 2008 vond Madinex, naar zij onvoldoende weersproken stelt, dat haar vertrouwen in de onderneming en in [appellant] was geschonden, onder meer doordat zij onvoldoende werd geïnformeerd, en dat het project (onder meer het testen van de machine en het aanvragen van octrooirechten) door [appellant] niet goed werd aangestuurd en geleid. Partijen zijn het erover eens dat Madinex heeft aangeboden de onderneming te kopen (waarbij CATS 10% van de bruto verkoopprijs van de machines zou ontvangen), dat Madinex en CATS hier niet uit zijn gekomen, dat Madinex vervolgens wenste terug te treden en haar geld (deels) terug te krijgen en dat [appellant] en zijn echtgenote in deze periode hun huis ten verkoop hebben aangeboden, waarbij er een verwachting was dat de verkoop een substantiële overwaarde zou kunnen opleveren. Partijen zijn het er ook over eens dat CATS nieuwe investeerders nodig had (omdat Madinex geen nadere financiering verstrekte) en dat Madinex een sterke positie had nu afgesproken was dat zij pandrecht zou krijgen op het nog te verkrijgen octrooirecht en daarnaast 12,5% van de bruto marge bij verkoop van machines zou ontvangen. De beoogde nieuwe investeerders verlangden van CATS, zo stelt Madinex onvoldoende weersproken, dat Madinex deze rechten zou opgeven om de weg vrij te maken voor de nieuwe investeringen. Partijen zijn het erover eens dat Madinex (in 2007 en 2008) betaling op afzienbare termijn eiste en dat beoogde nieuwe investeerders niet wilden dat hun investering zou worden aangewend om Madinex uit te kopen. [appellant] stelt ook dat Basalt B.V., een beoogde nieuwe investeerder in 2008, snel duidelijkheid wilde. Tegen deze achtergrond, zo valt uit de stellingen van partijen af te leiden, zijn partijen in overleg getreden, met als gevolg de vaststellingsovereenkomst en een aparte afspraak waarbij Madinex haar rechten in verband met de machine heeft prijsgegeven.

9.8.

Het hof is in dit kader van oordeel dat – volgens de stellingen van [appellant] – weliswaar bikkelharde, onbesuisde en zelfs onfatsoenlijke bewoordingen zijn gebruikt, maar dat de boodschap in redelijkheid voor [appellant] duidelijk moest zijn: Madinex zou, indien hij zich niet persoonlijk zou verbinden tot betaling van € 100.000,-, alle registers open trekken om ten laste van CATS, [appellant] in privé of anderen datgene, waarop zij aanspraak meende te mogen maken, binnen te halen. Deze benadering in de contacten tussen een (teleurgestelde) investeerder en de directeur/aandeelhouder van de onderneming is in het zakelijk verkeer, gelet op de hiervoor onder 9.7 weergegeven omstandigheden, niet onrechtmatig en de wetenschap die Madinex over de positie van [appellant] had behoefde haar niet te weerhouden van het bevorderen en het sluiten van de vaststellingsovereenkomst.

Daarbij komt dat het overleg over de vaststellingsovereenkomst, zoals Madinex onweersproken stelt, enkele weken heeft geduurd waardoor bij gebreke van feitelijke stellingen die op een andere conclusie wijzen moet worden aangenomen dat [appellant] de tijd heeft gehad voor ampel beraad. Ook van belang is dat de concept vaststellingsovereenkomst (volgens [appellant]) is opgemaakt door de jurist van Basalt (een beoogde nieuwe investeerder), derhalve iemand aan de zijde van [appellant]. Verder neemt het hof in aanmerking dat Madinex bereid was te bewilligen in een ruime termijn van 2,5 jaar voor de betaling en genoegen heeft genomen met de betaling van een bedrag gelijk aan een substantieel, maar toch beperkt deel van haar investering in de onderneming (€ 100.000,- betaling tegenover ten minste € 150.000,- investering). Tot slot is van belang dat [appellant], anders dan hij stelt, wel iets heeft gekregen door het aangaan van de vaststellingsovereenkomst: hij heeft, zoals uit de onweersproken stellingen van Madinex kan worden afgeleid, tijd en ruimte gehad om in overleg met mogelijke nieuwe investeerders verder te werken aan de ontwikkeling en de verkoop van de machine.

9.9.

Dit oordeel zou anders kunnen luiden indien Madinex op ongeoorloofde wijze CATS of [appellant] klem zou hebben gezet en daarna van die positie gebruik zou hebben gemaakt. Hiervan zou sprake kunnen zijn indien Madinex in strijd met haar verplichtingen (r.o. 9.1 onder c hiervoor) zou hebben verzuimd de ‘noodzakelijke financiële ondersteuning’ te verstrekken terwijl het project dit nog wel rechtvaardigde, of indien Madinex misbruik van recht zou hebben gemaakt doordat zij destijds redelijkerwijs moest weten dat haar standpunten (r.o. 9.7 hiervoor) over het volgens haar geschonden vertrouwen, over het project en over de rol van [appellant] daarin in rechte niet zouden worden gehonoreerd.

Dergelijke gevallen zijn echter in dit geding niet aan de orde.

[appellant] heeft weliswaar gesteld dat Madinex in gebreke is gebleven in de nakoming van de verplichtingen op het terrein van financiële ondersteuning, maar hij heeft tegenover de betwisting door Madinex niet concreet toegelicht dat en waarom (CATS in redelijkheid mocht aannemen dat) het project nadere financiering rechtvaardigde. De door partijen geschetste problemen met de aanvraag van octrooien, die volgens partijen ernstig waren en het project in gevaar brachten, wijzen erop dat nadere financiële ondersteuning mogelijk niet was gerechtvaardigd. Het lag op de weg van [appellant] zijn stellingen op dit punt nader toe te lichten, hetgeen hij heeft nagelaten. Daarom kan niet worden aangenomen dat Madinex gehouden was nadere financiering te verstrekken.

Verder heeft [appellant] weliswaar aangevoerd dat de standpunten van Madinex (r.o. 9.7 hiervoor) onjuist en ongegrond waren, maar hij heeft tegenover de betwisting door Madinex onvoldoende feitelijk onderbouwd dat Madinex, door zich op die standpunten te stellen en rechtsmaatregelen aan te kondigen, misbruik van recht maakte. [appellant] heeft niet (voldoende) betwist dat het testen van de machine niet goed is verlopen en dat de octrooiaanvragen niet goed zijn begeleid. Dit wijst erop dat de standpunten van Madinex niet geheel zonder grond zouden kunnen zijn. Het lag daarom op de weg van [appellant] nader toe te lichten dat en waarom Madinex ten tijde van het doen van de uitlatingen en het aangaan van de vaststellingsovereenkomst in redelijkheid moest weten dat haar standpunt, dat het project niet goed werd geleid en aangestuurd (waardoor Madinex een vordering op CATS en [appellant] in privé zou kunnen hebben), in rechte niet zou worden gehonoreerd. [appellant] heeft de vereiste toelichting niet gegeven.

Het moet er verder – bij gebreke van een concrete toelichting die in een andere richting wijst – voor worden gehouden dat Madinex niet verplicht was haar ‘zekerheden’ (namelijk het nog te vestigen pandrecht op de nog te verkrijgen octrooirechten en de afspraak dat zij een percentage uit de opbrengst bij verkoop van machines zou ontvangen) op te geven. Daarom kan haar, anders dan [appellant] aanvoert, zonder nadere toelichting niet worden verweten dat zij pogingen om met andere investeerders in zee te gaan heeft geblokkeerd doordat zij betaling heeft verlangd in ruil voor het prijsgeven van deze rechten.

Het hof merkt tot slot op dat niet is gesteld dat Madinex bij de gestelde uitlatingen geweldpleging voor ogen had, of dat [appellant] de uitlatingen aldus heeft opgevat of redelijkerwijs heeft kunnen opvatten.

9.10.

[appellant] heeft bewijs aangeboden, onder meer door getuigenverklaringen over en een geluidsopname van (een deel van) telefoongesprekken waarin volgens hem de onder 9.5 hiervoor weergegeven uitlatingen zijn gedaan. Het hof passeert dit bewijsaanbod omdat de gestelde uitlatingen, ook indien zij zijn gedaan, gelet op het voorgaande niet kunnen leiden tot een ander oordeel dan hierna zal worden gegeven. Dit zou anders kunnen zijn indien de toon of andere aspecten van de gesprekken, die niet in de overgelegde woordelijke transcriptie (waaraan de stellingen van [appellant] zijn ontleend) maar wel in verklaringen of een opname duidelijk kunnen worden, van belang zouden kunnen zijn, maar hierover is niets gesteld.

9.11.

De slotsom is dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van bedreiging of misbruik van omstandigheden in de zin van artikel 3:44 lid 2 en lid 4 BW. Het beroep van [appellant] op vernietiging van de vaststellingsovereenkomst wordt verworpen. De grieven 3 en 5 falen. Grief 4, die de vraag betreft of de gestelde dreigementen van zodanige aard waren dat een redelijk oordelend mens daardoor had kunnen worden beïnvloed, kan verder onbesproken blijven.

9.12.

Met grief 6 betoogt [appellant] dat de (pre)processuele gang van zaken – namelijk dat de advocaat van Madinex het toegezegde verweer van [appellant] niet heeft afgewacht, dat verweer niet in de inleidende dagvaarding heeft gemeld en die dagvaarding te snel heeft laten betekenen – gevolgen moet hebben voor de proceskostenveroordeling (die anders moet uitvallen dan in het bestreden vonnis, waarin [appellant] in de proceskosten is veroordeeld).

Deze grief faalt.

Madinex stelt onweersproken dat haar mededeling in de inleidende dagvaarding, dat haar geen verweren bekend waren, op zichzelf juist was. Madinex heeft die dagvaarding laten betekenen op vrijdag 17 februari 2012, derhalve op de negende dag na de toezegging van mr. Holthuijsen bij brief van 8 februari 2012 dat het verweer ‘in de loop van de komende week’ zou worden toegezonden. Ook indien zij hiermee het gestelde vertrouwen van [appellant] (dat hij zijn verweren bekend zou mogen maken voordat hij zou worden gedagvaard) zou hebben geschonden, is deze schending niet zo ernstig of zwaarwegend dat het hof in de proceskostenveroordeling gevolgen hieraan zou verbinden. [appellant] is in het ongelijk gesteld en moet volgens de hoofdregel van artikel 237 lid 1 Rv in de proceskosten worden veroordeeld. De handelwijze van Madinex rechtvaardigt (zonder nadere toelichting, die ontbreekt) niet de conclusie dat Madinex kosten (bijvoorbeeld de kosten van het schrijven van de dupliek, zoals [appellant] stelt) nodeloos heeft veroorzaakt (artikel 237 lid 1 slotzin Rv). De stelling van [appellant], dat het concipiëren van de conclusie van dupliek (veel) meer tijd heeft gevergd dan de voorbereiding van een comparitie na antwoord, kan in algemene zin niet als juist worden aanvaard en is niet concreet toegelicht. Daarbij komt dat het punt, waarop Madinex in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld (de berekening van de rente), bezien in het geheel van de zaak, dermate ondergeschikt is dat Madinex niet om deze reden als een deels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt (artikel 237 lid 1 tweede zin slot Rv).

9.13.

Grief 1 is ter gelegenheid van het pleidooi ingetrokken. Grief 2 betreft de mogelijke verjaring in verband met het beroep van [appellant] op misbruik van omstandigheden en kan verder onbesproken blijven.

9.14.

De slotsom is dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en dat [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld.

5 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van Madinex begroot op € 4.961,- aan vast recht en € 7.896,- (€ 2.632,- x 3 punten) voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, J.R. Sijmonsma en Th. Groenewald en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 14 januari 2014.