Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4087

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
HD 200.145.539_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schade aan gemeubileerde woning, nieuw of oud, rechtsverwerking vordering achterstallige huur, eindafrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.145.539/01

arrest van 7 oktober 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant],

advocaat: mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.M. van de Wijnckel te Oostburg, gemeente Sluis,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 april 2014 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 januari 2014, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 2226476/13-3281)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 18 september 2013.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep met als productie B de memorie van grieven;

- de memorie van antwoord.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde] is met ingang van 21 september 2012 een gemeubileerde en gestoffeerde woning aan het [adres] te [plaats] gaan huren van [appellant] voor de duur van twee jaar met de mogelijkheid van tussentijdse opzegging, tegen een huurprijs van € 450,- per maand.

3.1.2.

Bij aangetekende brief van 18 februari 2013 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst opgezegd per 4 maart 2013. Op 6 maart 2013 heeft de eindinspectie plaatsgevonden. [geïntimeerde] heeft de woning op 7 maart 2013 ontruimd.

3.1.3.

Op 20 maart 2013 heeft [appellant] een mail gestuurd aan [geïntimeerde] over schade aan het meubilair doordat de katten van [geïntimeerde] aan de bekleding hebben gekrabd.

3.1.4.

Met een e-mail van 25 maart 2013 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] medegedeeld (samengevat) dat zij zich ervan bewust is dat de stoelen en de blauwe zetel beschadigd zijn door de katten en dat zij bereid is daar een bedrag voor te betalen, maar niet zoveel dat daarvoor nieuwe meubels kunnen worden gekocht.

3.1.5.

Op 17 mei 2013 en op 24 mei 2013 heeft [appellant] e-mails gestuurd met “een overzicht van het te betalen bedrag over de periode 30 januari tot en met 6 maart” en waarin aanspraak wordt gemaakt op:

€ 248,13 voor nutsvoorzieningen,

€ 90,- voor huur voor de periode 1 maart tot en met 7 maart 2013,

€ 16,40 voor materiaal voor reparaties,

€ 770,-, € 1.035,- en € 870,- voor de door de katten veroorzaakte schade aan het meubilair. Deze e-mails worden afgesloten met een opsomming van alle bedragen en het verzoek € 3.029,53 te storten op de bankrekening van [appellant].

3.1.6.

Met een brief van 14 juni 2013 heeft de raadsman van [appellant] [geïntimeerde] gesommeerd om in totaal € 3.389,53 te betalen. In die brief wordt onder meer vermeld dat ter zake de huur de gehele maand maart 2013 is verschuldigd, zodat het eerder gevorderde bedrag wordt verhoogd met € 360,-.

3.1.7.

[geïntimeerde] heeft daarna aan [appellant] € 248,13 voor nutsvoorzieningen, € 90,- voor huur en € 16,40 voor reparatiemateriaal betaald. De overige hiervoor in 3.1.5 en 3.1.6 genoemde bedragen heeft zij onbetaald gelaten.

3.2.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:

a. a) voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [appellant] en/of onrechtmatig heeft gehandeld;

b) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van schadevergoeding van € 2.608,76 vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.802,90 vanaf 4 maart 2013 en over € 850,86 met ingang van 15 juli 2013;

c) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 360,- aan huur over de periode 8 tot en met 31 maart 2013 met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2013;

d) [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 421,88 wegens buitengerechtelijke incassokosten;

met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

3.3.

Nadat bij tussenvonnis van 18 september 2013 een comparitie van partijen was bepaald en vervolgens gehouden, heeft de kantonrechter bij het bestreden vonnis op de volgende wijze beslist op de in de vorige rechtsoverweging weergegeven vorderingen:

a. a) toegewezen;

b) deels toegewezen, te weten tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met wettelijke rente daarover vanaf 8 maart 2013;

c) afgewezen;

d) afgewezen;

onder compensatie van proceskosten.

3.4.

[appellant] is tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft in hoger beroep geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen voor zover het de afgewezen vorderingen betreft en dat het hof deze alsnog integraal zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

3.5.

Tegen de afwijzing van de vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten heeft [appellant] geen grief gericht. Het hof kan het bestreden vonnis in dit opzicht dus niet vernietigen of bekrachtigen. Hetzelfde geldt voor de ingangsdatum van de wettelijke rente.

3.6.

Volgens grief 1 heeft de kantonrechter de gedeeltelijke afwijzing van de vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens zaakbeschadiging onvoldoende gemotiveerd. Volgens grief 2 heeft de kantonrechter die vergoeding ten onrechte gedeeltelijk afgewezen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.7.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en dat zij schade heeft veroorzaakt. Zij heeft immers erkend dat de schade aan de stoelen is veroorzaakt door haar katten. [geïntimeerde] is voor de dienaangaande door [appellant] geleden schade aansprakelijk op grond van de artikelen 6:179 BW en 7:218 BW. Het partijdebat betreft slechts de hoogte van de te vergoeden schade.

3.8.

[appellant] heeft terecht aangevoerd dat de hoofdregel bij zaaksbeschadiging is dat waardevermindering moet worden vergoed en dat in zijn algemeenheid de waardevermindering is te stellen op de kosten van herstel (vgl. HR 26 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0357). [appellant] heeft aan herstelkosten € 2.608,76 gevorderd.

3.9.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter tot uiting gebracht dat het meubilair na de reparatie een verbetering heeft ondergaan, vergeleken met de toestand voor de beschadiging, omdat de bekleding, die al was verouderd, is vernieuwd. In rov. 6.4 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen: “Afgaande op de overgelegde foto’s gaat de kantonrechter ervan uit dat het meubilair al vrij oud was (…)” en “Ook die bekleding was al vrij oud (…)”. Tegen die oordelen als zodanig heeft [appellant] geen grieven gericht, zodat dit ook voor het hof het uitgangspunt is. Dat [appellant] de stoelen zelf is blijven gebruiken, neemt niet weg dat het meubilair door reparatie in een betere toestand komt, of is komen te verkeren dan voordat de beschadiging plaats vond. Dat [appellant] als gevolg van de reparatie geen hogere huur kan vragen of meer inkomsten heeft, neemt evenmin weg dat het meubilair door reparatie in een betere toestand komt of is komen te verkeren dan voordat de beschadiging plaats vond.

3.10.

Het hof stelt voorop dat de door de reparatie ontstane waardevermeerdering op de schadevergoeding in mindering kan worden gebracht, voor zover dit redelijk is. Nu sprake is van vrij oud meubilair en een vrij oude bekleding, acht het hof het met de kantonrechter redelijk om bij de begroting van de schade rekening te houden met de ontstane waardevermeerdering als gevolg van de reparatie. De schade valt mede als gevolg van die correctie niet nauwkeurig vast te stellen. In dat geval dient de rechter de schade te schatten (art. 6:97 BW). Mede gelet op de vervanging van oud door nieuw schat het hof de schade gelet op het voorgaande op hetzelfde bedrag als de kantonrechter heeft gedaan. De verwijzing door [appellant] naar de “Aanbevelingen civiele vordering en schadevergoedingsmaatregel”, faalt reeds daarom, omdat die aanbeveling betrekking heeft op de vordering van een slachtoffer in een strafprocedure, waarbij ook de aard van de gedraging die heeft geleid tot aansprakelijkheid (veelal opzet) een rol speelt. De grieven falen dus.

3.11.

Grief 3 is gericht tegen de afwijzing van de gevorderde huurpenningen over 8 tot en met 31 maart 2013. Volgens [appellant] zijn partijen een maandelijkse huurbetaling overeengekomen zodat op grond van artikel 7:621 BW de overeenkomst tegen het einde van de maand opgezegd had moeten worden, hetgeen [geïntimeerde] niet heeft gedaan. Indien deze grief slaagt, dan dient het hof vanwege de devolutieve werking van het appel opnieuw de in eerste aanleg door [geïntimeerde] gevoerde verweren te beoordelen, waaronder het verweer dat sprake is van rechtsverwerking. De grief hoeft geen afzonderlijke bespreking want als deze al slaagt, kan het niet leiden tot het door [appellant] beoogde resultaat omdat het rechtsverwerkingsverweer dan slaagt.

3.12.

Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Het eerste geval (gerechtvaardigd vertrouwen), kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer de schuldeiser aan de wederpartij een onjuiste opgave doet van het aan hem verschuldigde bedrag (HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1509). Daarvan is in dit geval sprake waartoe het volgende redengevend is.

3.13.

Tussen partijen staat vast dat [geïntimeerde] bij brief van 18 februari 2013 de huurovereenkomst heeft opgezegd per 4 maart 2013. [appellant] heeft niet gesteld dat hij [geïntimeerde] toen erop heeft gewezen dat zij eerst per 1 april 2013 de huur kon opzeggen. Voorts staat tussen partijen vast dat de eindinspectie op 6 maart 2013 heeft plaatsgevonden. [appellant] heeft ook niet gesteld dat hij toen alsnog heeft gewezen op de te korte opzegtermijn. [geïntimeerde] heeft de woning op 7 maart 2013 ontruimd en verlaten. Op 20 en op 25 maart 2013 hebben partijen gemaild over de hiervoor besproken schade aan het meubilair. Ook toen heeft [appellant] niets geschreven over de opzegtermijn. Eerst op 17 mei 2013 heeft [appellant] een e-mail gestuurd over de huurpenningen die [geïntimeerde] nog moest voldoen. Deze e-mail vangt aan met de volgende bewoordingen: “Hierbij een overzicht van het te betalen bedrag over de periode van 30 januari tot en met 6 maart.” Vervolgens wordt melding gemaakt van het verbruik van de nutsvoorzieningen en dienaangaande alsnog te betalen bedragen. Over de huurpenningen wordt voorts vermeld: “Huur te betalen vanaf 1 maart tot en met 7 maart € 450,- gedeeld 30 maal 6 € 90,--.” Tot slot wordt vermeld wat de schade is die [appellant] vergoed wenst te krijgen wegens de beschadiging van het meubilair. De mail wordt afgesloten met een opsomming van alle bedragen die [geïntimeerde] volgens [appellant] verschuldigd is met het verzoek het totaal te storten op diens bankrekening. Het hof is van oordeel dat deze e-mail het karakter heeft van een definitieve eindafrekening. Op geen enkele wijze valt uit deze mail op te maken dat [appellant] nog een voorbehoud maakte voor nadien in rekening te brengen huur ter zake de afwikkeling van de huurovereenkomst, te minder nu ter zake de nog verschuldigde huur een duidelijke berekening is opgenomen van de nog verschuldigde huurpenningen. Op 24 mei 2013 heeft [appellant] een vergelijkbare mail gestuurd, waarin hij wederom de nog verschuldigde huurpenningen heeft berekend over de periode 1 tot en met 7 maart 2013 en een berekening heeft gemaakt van het dienaangaande nog verschuldigde bedrag. [appellant] heeft daarmee de eerdere indruk versterkt dat het een definitieve afrekening betrof. Daar komt bij dat deze e-mails ruimschoots na de eindinspectie zijn verzonden, zodat [appellant] voldoende gelegenheid heeft gehad de stand van zaken op te maken. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] vanwege dit alles en met name het tijdsverloop, in samenhang met de bewoordingen en de opzet van de berichtgeving in die e-mails erop heeft mogen vertrouwen dat [appellant] tot een finale afwikkeling wenste te komen. Al deze omstandigheden in onderling verband beschouwd, brengen mee dat [appellant] door deze handelwijze bij [geïntimeerde] het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hetgeen aan huurpenningen verschuldigd was, beperkt bleef tot een bedrag gelijk aan de periode 1 tot en met 7 maart 2013.

3.14

Reeds omdat hij geen feiten stelt of te bewijzen aanbiedt die (indien juist of bewezen) tot een ander oordeel (kunnen) leiden, wordt het bewijsaanbod van [appellant] gepasseerd.

3.15.

Grief 4 is gericht tegen de compensatie van de proceskosten. Ook deze grief faalt. De kantonrechter heeft nog niet de helft van hetgeen in eerste aanleg in hoofdsom is gevorderd, toegewezen. Evenals de kantonrechter ziet het hof daarin in dit geval aanleiding de proceskosten op de voet van artikel 237 lid 1 Rv te compenseren. De grief faalt dus.

3.16.

Het hof veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, nu hij in hoger beroep volledig in het ongelijk wordt gesteld.

3.17.

[geïntimeerde] heeft aanspraak gemaakt op € 131,- voor nakosten zonder betekening en op € 205,- voor nakosten zonder betekening voor eerste aanleg en hoger beroep tezamen. Zonder toelichting, die ontbreekt, kan het hof [geïntimeerde] niet volgen in haar vordering om € 205,- ter zake nakosten toe te wijzen. Zij heeft immers geen belang gehad bij het maken van nakosten voor de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis. De gevorderde nakosten zullen wel worden toegewezen tot € 131,- (zonder betekening) en € 191,- (met betekening) vanwege de veroordeling van [appellant] in hoger beroep om proceskosten aan [geïntimeerde] te voldoen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 308,- aan verschotten en op € 632,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M. van Ham en P.P.M. Rousseau en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2014.