Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4081

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
10-10-2014
Zaaknummer
HD 200.139.258_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strook grond langs watergang. Verjaring. Openlijk en ondubbelzinnig bezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.139.258/01

arrest van 7 oktober 2014

in de zaak van

de gemeente Sluis,

zetelend te Sluis,

appellante,

hierna aan te duiden als de Gemeente,

advocaat: mr. L.A. Broekhuysen te Middelburg,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

beiden wonende te [woonplaats], [straatnaam][huisnummer 1],

geïntimeerden,

hierna in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerden],

advocaat: mr. R.R.E. Nobus te Terneuzen,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 december 2013 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2013, gewezen tussen de Gemeente als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerden] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknr. C/12/85282/HA ZA 12-229)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep, tevens inhoudende grieven, met producties;

- de memorie van antwoord met producties;

- het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

- de bij H12-formulieren van 20 en 23 juni 2014 door de Gemeente toegezonden producties 12 en 13, die de Gemeente bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Tegelijkertijd met het pleidooi in deze zaak is pleidooi gehouden in overeenkomstige zaken van de Gemeente tegen bewoners van aangrenzende woningen ([straatnaam] nummers [huisnummer 2], [huisnummer 3] en [huisnummer 4]). In die zaken wordt eveneens heden arrest gewezen.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten, die door de rechtbank zijn vastgesteld en met de grieven noch anderszins bestreden.

  1. [geïntimeerden] is sinds 1986 eigenaar van de woning met tuin staande en gelegen aan [straatnaam][huisnummer 1] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente Oostburg, sectie [sectieletter] nummer [sectienummer 1] (verder: de woning of het perceel).

  2. Achter de woning ligt een strook grond van 220 m² (verder: de strook of de strook grond), welke deel uitmaakt van een kavel van 12 a 42 ca, kadastraal bekend gemeente Oostburg, sectie [sectieletter], nummer [sectienummer 2] (voorheen nummer [voormailig sectienummer 2]). De strook grond grenst aan de andere zijde aan een watergang.

  3. Op het moment van aankoop van de woning door [geïntimeerden] was het perceel tot aan de waterkant verwilderd. Het groen groeide vanaf de waterkant tot aan de achtergevel van het huis. [geïntimeerden] heeft daags na de aankoop het groen vanaf de achtergevel van het huis tot aan een rij populieren verwijderd. De populieren stonden 2 a 3 m vanaf de waterkant. Hij heeft het groen staande tussen de rij populieren en de waterkant uitgedund en ingekort. In 1987 heeft hij de tuin aangelegd.

  4. Op de strook grond is een tuinhuisje en een zitkuil geplaatst en zijn erfafscheidingen met de buren tot aan de waterkant aangebracht. Aan de waterkant is een steiger geplaatst en op de waterkant een heg met een poort en gras en een trap naar de steiger.

  5. De watergang is thans in eigendom bij Vakantiepark Zeebad en ligt tussen het perceel van [geïntimeerden] en de strook enerzijds en het vakantiepark anderzijds. Zowel het begin als het einde van de watergang is afgesloten.

  6. Op 24 juni 2009 heeft de Gemeente voor de bewoners van [straatnaam] een informatiebijeenkomst gehouden, waarin is uitgelegd dat het gebruik van gemeentegrond door hen jegens haar onrechtmatig is, waarbij de Gemeente – naar het hof begrijpt – zich op het standpunt heeft gesteld dat zij eigenaar is van de strook grond. Op 5 november 2009 heeft de Gemeente [geïntimeerden] aangeschreven en hem aangeboden de strook grond voor een prijs van € 35,40 per vierkante meter te kopen, dan wel de strook grond te gebruiken tegen een prijs van € 3,54 per m² per jaar, dan wel de strook grond te ontruimen.

  7. Tegelijk met de onderhavige procedure lopen de procedures in hoger beroep tussen de Gemeente enerzijds en respectievelijk de bewoners van [straatnaam] [huisnummer 2], [huisnummer 3] en [huisnummer 4]. Ook deze bewoners hebben een strook grond in gebruik, die naar de stellingen van de Gemeente haar eigendom is en die enerzijds grenst aan hun perceel en anderzijds aan de watergang.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert de Gemeente [geïntimeerden] te veroordelen tot ontruiming van de strook grond met machtiging aan de Gemeente deze zelf te ontruimen, tenzij [geïntimeerden] binnen 4 weken na dagtekening van het vonnis de Gemeente bericht dat hij deze strook per direct zou kopen tegen een bedrag van € 7.778, zulks op verbeurte van een dwangsom.
In reconventie heeft [geïntimeerden] gevorderd te verklaren voor recht dat de vordering van de Gemeente strekkend tot revindicatie is verjaard, en dat hij door middel van verjaring eigenaar is geworden van de strook grond.

3.2.2.

In haar eindvonnis van 18 september 2013 heeft de rechtbank de vordering van de Gemeente afgewezen en die van [geïntimeerden] toegewezen, in die zin dat zij voor recht heeft verklaard dat de rechtsvordering van de Gemeente tot revindicatie is verjaard en dat [geïntimeerden] door middel van verjaring eigenaar is geworden van de strook grond, alles met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten.
De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de handelingen van [geïntimeerden] kunnen worden gekwalificeerd als het uitoefenen van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn. De rechtbank is daarbij voorbij gegaan aan de stelling van de Gemeente dat deze pretentie haar niet kon worden tegengeworpen omdat die voor haar niet kenbaar kon zijn. Omdat derhalve vast staat dat [geïntimeerden] de grond in gebruik heeft sinds 1986 en de Gemeente dit wist, terwijl de wijze van gebruik eigendom pretendeerde, was op het moment van aanschrijven door de Gemeente in 2009 haar rechtsvordering al verjaard, aldus de rechtbank.

3.3.

De Gemeente heeft in hoger beroep 10 grieven aangevoerd. De Gemeente heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.4.

Het hof stelt voorop dat partijen kennelijk uitgaan van het (aanvankelijke) eigendom van de Gemeente. Voorop staat voorts dat een beroep op extinctieve verjaring ex artikel 3:105 BW als het onderhavige slaagt, indien komt vast te staan dat een niet-rechthebbende het bezit heeft verkregen van het desbetreffende goed, de rechtsvordering van de eigenaar strekkende tot beëindiging van dat bezit sindsdien is verjaard (waarbij een verjaringstermijn van twintig jaar geldt) en degene die het beroep op extinctieve verjaring doet bezitter was op het moment van verjaring van deze rechtsvordering.
Dergelijk bezit wordt verkregen door inbezitneming op zodanige wijze dat men zich de feitelijke macht over het goed verschaft met de pretentie rechthebbende te zijn.

3.5.

De grieven hebben onder meer betrekking op het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] bij de aanleg van zijn tuin de strook grond bij die tuin heeft getrokken en dat deze sinds 1987 een geheel vormt met de tuin, dat deze handelingen kunnen worden gekwalificeerd als het uitoefenen van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn, en dat dit aan de Gemeente kan worden tegengeworpen.
In dit verband heeft de Gemeente onder meer aangevoerd dat geen sprake is van openbaar en ondubbelzinnig bezit zoals vereist.

3.6.

De Gemeente betwist in deze grieven dat [geïntimeerden] – zoals de rechtbank heeft geoordeeld – bij de aanleg van zijn tuin in 1987 de strook grond bij zijn tuin heeft getrokken. Het enkel aanleggen van een tuin op eigen grond inclusief gemeentegrond, hierin bestaande dat er een aantal plantjes is geplant kan niet worden aangemerkt als bezitsdaad volgens de Gemeente. De Gemeente voert voorts aan dat de vraag of [geïntimeerden] al dan niet erfafscheidingen met de buren tot aan het water heeft aangebracht niet relevant is voor de constatering dat sprake zou zijn van een bezitsdaad. De Gemeente betwist verder dat het tuinhuisje, de zitkuil, de opgehoogde grond, de poort en de steiger door [geïntimeerden] zijn geplaatst en ook dat dit bezitsdaden zijn. Bovendien had de Gemeente geen reden aan te nemen dat [geïntimeerden] eigendomspretenties zou kunnen hebben. Voor zover de handelingen achter de struiken zijn verricht en wellicht kunnen worden gekwalificeerd als feitelijke machtsuitoefening met de pretentie rechthebbende te zijn, kan dit niet ten nadele van de Gemeente strekken, daar deze pretentie voor haar niet kenbaar was.

3.7.

[geïntimeerden] stelt echter dat hij de strook grond in bezit heeft genomen door zich (in 1987) de feitelijke macht over de strook te verschaffen, en dat die situatie meer dan twintig jaar heeft geduurd voordat de Gemeente een beroep heeft gedaan op haar eigendomsrecht; daardoor kan de Gemeente geen beroep meer doen op haar eigendomsrecht.
In die situatie is het aan [geïntimeerden] te stellen en bij voldoende weerspreking te bewijzen dat van een dergelijk bezit sprake is geweest.

3.8

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerden] voldoende onderbouwd gesteld en de Gemeente onvoldoende bestreden dat feitelijk sprake was van een tuin van [geïntimeerden] die zich mede over de strook uitstrekte. De Gemeente erkent dat [geïntimeerden] struiken heeft geplant, en bestrijdt weliswaar dat het tuinhuisje, de zitkuil, de opgehoogde grond, de poort en de steiger door [geïntimeerden] zijn geplaatst, maar niet dat deze zich in de tuin bevonden. Zij geeft niet aan op welke wijze deze – kennelijk tot de tuininrichting behorende – objecten dan in die tuin terecht zijn gekomen, terwijl zij de stelling van [geïntimeerden] dat de tuin inclusief de strook een woestenij was toen [geïntimeerden] daar kwam wonen in 1986 niet heeft ontkend. Daarmee heeft de Gemeente, gelet op deze omstandigheden van het geval, onvoldoende bestreden dat door [geïntimeerden] genoemde handelingen zijn verricht. Daar komt bij dat door [geïntimeerden] verklaringen zijn overgelegd van [getuige 1], [getuige 2], [geïntimeerde 1] en [getuige 3], als bewoners van in de buurt liggende percelen, inhoudende dat [geïntimeerden] de strook grond vanaf 1986 in gebruik en bezit heeft gehad en heeft onderhouden.
Ook uit de beperkte omvang van de achtertuin en de strook grond en de overgelegde foto's blijkt dat de strook grond en de achtertuin een geheel vormden. Gelet hierop moet worden aangenomen dat [geïntimeerden] de strook grond (van meet af aan) bij zijn achter zijn woning gelegen tuin heeft getrokken.

De grieven 1 en 6 falen.

3.9

Het feit dat – zoals de Gemeente tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft aangevoerd – de tuininrichting aan haar aandacht is ontsnapt omdat dit achter de struiken niet kenbaar was voor de Gemeente, doet hier niet aan af. Weliswaar stelt de Gemeente terecht dat voor bezit met eigendomspretenties noodzakelijk is dat dit openbaar is, maar naar het oordeel van het hof is aan dit vereiste in dit geval ook voldaan.
Het enkele feit dat van buitenaf niet onmiddellijk kenbaar was hoe de tuin van [geïntimeerden] was ingericht omdat aan de rand van de tuin bij de waterkant struiken stonden leidt niet tot de conclusie dat het bezit niet openbaar was. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] de strook grond heimelijk in bezit heeft genomen. Voor de Gemeente was het mogelijk om de strook grond te inspecteren, niet alleen vanuit de lucht (zoals vast staat dat zij heeft gedaan) maar ook vanaf het water of vanaf aangrenzende percelen met toestemming van de eigenaren daarvan. Uit de toelichting bij grief 4 van de Gemeente blijkt ook dat de Gemeente uiteindelijk ter plaatse onderzoek heeft gedaan naar de eigendomssituatie van de strook grond, zodat dat kennelijk niet onmogelijk was; zij stelt slechts dat zij niet eerder aanleiding had ervan uit te gaan dat de strook grond in bezit zou worden genomen met de pretentie van eigendom. Het feit dat de Gemeente zelf geen aanleiding heeft gezien onderzoek te doen kan er echter niet toe leiden dat het bezit van [geïntimeerden] heimelijk was.

3.10

Voorts voert de Gemeente aan dat het bezit van [geïntimeerden] niet ondubbelzinnig was. De Gemeente mocht er naar haar stellingen van uitgaan dat [geïntimeerden] geen eigendom pretendeerde. De Gemeente heeft in dit verband een beroep gedaan op een arrest van 16 februari 2010 van het hof Den Haag waarin dat hof heeft geoordeeld dat het gebruik van een gemeentelijke grondstrook door deze te beplanten, te onderhouden en een tuinpad aan te leggen geen handelingen zijn die kenmerkend zijn voor het uitoefenen van het bezit van een stuk onbebouwde grond, omdat ook de huurder van een woning met een tuin dergelijke handelingen zal (mogen) verrichten.

3.11.

Gelet op artikel 73 Overgangswet nieuw BW dient de vraag of sprake is van verjaring te worden beoordeeld naar het huidige recht.

3.12

Volgens artikel 1992 (oud) BW – de inhoud van deze bepaling geldt ook voor het huidige recht – is voor verkrijging van eigendom door verjaring onder meer openlijk en niet dubbelzinnig bezit als eigenaar vereist. Niet dubbelzinnig bezit is aanwezig wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar, tegen wie de verjaring loopt, daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn (HR 15 januari 1993, NJ 1993, 178).
De Gemeente heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat zij mocht veronderstellen dat [geïntimeerden] zich bij het gebruik van zijn tuin niet als eigenaar beschouwde maar op andere gronden meende dat hij deze grond van de Gemeente mocht gebruiken, zodat de eigendom van de Gemeente geen gevaar liep (HR 26 februari 1915, W9864). Dat de Gemeente van oordeel heeft kunnen zijn dat [geïntimeerden] zich slechts als huurder of gebruiker gedroeg (zodat van dubbelzinnigheid sprake zou kunnen zijn) is door haar niet gesteld en is ook overigens niet aannemelijk. Van een dergelijke dubbelzinnigheid is in dit geval dus geen sprake. [geïntimeerden] kan zich derhalve terecht beroepen op openbaar en ondubbelzinnig bezit.

3.13

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kunnen de door [geïntimeerden] verrichte handelingen in de tuin en op de strook dan ook worden gekwalificeerd als het uitoefenen van feitelijke macht met de pretentie rechthebbende te zijn. Ook kan deze pretentie aan de Gemeente worden tegengeworpen, omdat dit handelen van [geïntimeerden] openbaar was en daarmee voor de Gemeente kenbaar.
Daarmee falen ook de grieven 2 en 3.

3.14

Grief 4 keert zich tegen overweging van de rechtbank dat uit de foto's blijkt dat de Gemeente toegang kon krijgen tot de strook grond, en dat niet gebleken is waarom dat niet eerder had gekund, en wel voor het verstrijken van de verjaringstermijn.
Nu uit het voorgaande voortvloeit dat het gebruik van de strook grond door [geïntimeerden] in ieder geval openbaar was faalt reeds daarom de grief.

3.15

Grief 5 betreft de overweging van de rechtbank inzake het feit dat op de in 2011 gemaakte foto's alleen struiken te zien zijn en niet de tuin die daarachter is aangelegd.
De grief kan de Gemeente niet baten, omdat het enkele feit dat de struiken het zicht op de (aanleg van de) tuin wegnemen niet met zich brengt – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – dat die aanleg daarmee niet openbaar is, en dus ook niet dat het de Gemeente onmogelijk was actie te ondernemen om de verjaring te stuiten.

3.16

Grief 7 en 8 keren zich tegen de conclusie die de rechtbank heeft getrokken uit haar eerdere overwegingen. Nu de grieven tegen die eerdere overwegingen falen, falen ook de grieven tegen deze conclusie die immers uit de eerdere overwegingen voortvloeit.

3.17

Grief 9 keert zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van de Gemeente wordt afgewezen en die van [geïntimeerden] in reconventie wordt toegewezen. Nu dit oordeel berust op de eerdere overwegingen van de rechtbank, en de grieven tegen deze eerdere overwegingen falen, faalt ook deze grief.
Dit betekent dat ook grief 10, die zich richt tegen de beslissing inzake de proceskosten, faalt.

3.18

Gelet op het voorgaande zal het hof het vonnis van de rechtbank onder aanvulling van gronden bekrachtigen. De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Derhalve wordt beslist als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 18 september 2013 onder aanvulling van gronden;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 308 aan verschotten en € 2.682 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de proceskostenveroordeling betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.Th. Begheyn, E.K. Veldhuijzen van Zanten en H.R. Quint, en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2014.