Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2014:4077

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-10-2014
Datum publicatie
08-10-2014
Zaaknummer
HD 200.132.444_01 en HD 200.130.422_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

schijn van volmachtverlening; bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 6, p. 300
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer HD 200.132.444/01 en HD 200.130.422/01

arrest van 7 oktober 2014

in de gevoegde zaken van

1 [V.O.F.] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

3. [appellante 3],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellant 2] c.s. en ieder voor zich [V.O.F.], de heer [appellant 2] en mevrouw [appellante 3],

advocaat: mr. N.P.H. Vissers te Leusden,

tegen

[werkplaats] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [werkplaats]

advocaat: mr. R.G.J. Deuss te Weert,

(zaaknummer HD 200.132.444/01; hierna ook de hoofdzaak)

en

[appellant ] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant ],

advocaat: mr. H.G.M. Hilkens te Echt,

tegen


1.[V.O.F.] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.M. van Schaick te Tilburg,

(zaaknummer HD 200.130.422/01, hierna ook de vrijwaringszaak),

als vervolg op de op 25 februari 2014 (in de hoofdzaak) en 3 juni 2014 (in de vrijwaringszaak) door het hof gewezen (tussen)arresten in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 331581/ CV EXPL 12-1007 (hoofdzaak) en 332524 / CV EXPL 12-1204 (vrijwaringszaak) gewezen vonnis van 10 april 2013. In de vrijwaringszaak wordt daarnaast geappelleerd van de door de kantonrechter van de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 28 februari 2012 en 20 april 2012.

5 Het verdere verloop van de procedure

5.1.

In de hoofdzaak met nr. HD 200.132.444/01

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het (tussen)arrest van 25 februari 2014 waarbij de zaken zijn gevoegd en de zaak naar de rol is verwezen voor het nemen van memorie van antwoord.

5.2.

In de vrijwaringszaak met nr. HD 200.130.422/01

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 3 juni 2014,waarbij de zaken zijn gevoegd en de zaak naar de rol is verwezen voor beraad partijen;

5.3.

Partijen hebben arrest gevraagd.

5.4.

Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De gronden van het hoger beroep in beide zaken

Voor de tekst van de grieven wordt in beide zaken verwezen naar de memorie van grieven. In beide zaken is bij memorie van antwoord verweer gevoerd.

Uit de tekst van de memorie van grieven in de vrijwaringszaak blijkt dat ook in de vrijwaringszaak enkel grieven worden gericht tegen het vonnis van 10 april 2013.

7 Uiteenzetting van het geschil in beide zaken

7.1.

Met grief 1 in de hoofdzaak wordt de vaststelling van een feit bestreden. Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

7.1.1.

Door [werkplaats] zijn werkzaamheden verricht aan het leidingwerk van een oplegger toebehorend aan [V.O.F.].

7.1.2.

De opdracht tot het verrichten van die werkzaamheden is mondeling gegeven door [appellant ].

7.1.3.

[appellant ] was ten tijde van het geven van de opdracht en de uitvoering van de werkzaamheden in dienst als vrachtwagenchauffeur bij [V.O.F.].

7.1.4.

Mevrouw. [appellante 3] (hierna: [appellante 3]) en de heer [appellant 2] (hierna: [appellant 2]) zijn de vennoten van [V.O.F.]. [appellant ] is de zoon van [appellante 3] en stiefzoon van [appellant 2].

7.1.5.

[appellant ] heeft de oplegger na afloop van de door [werkplaats] verrichte werkzaamheden op 3 december 2009 opgehaald.

7.1.6.

Op die datum is een door [werkplaats] opgemaakte afleverbon ondertekend door [appellant ]. De tekst op die bon luidt als volgt:

Afleveringsbon voor: [appellant 2], [adres], [vestigingsplaats] datum: 3/12-09

Opgehaald goederen bestemd en werkzaamheden

voor wagen volgens uw opdracht.

factuur wordt 4/12 gemaakt
betaling volgens afspraak [appellant 2]

Contant=

per bank voor 8 dec 2009

[medewerker 1 werkplaats] Dhr [appellant 2]

Handtekening opdrachtgever

7.1.7.

[werkplaats] heeft in verband met de verrichte werkzaamheden op 4 december 2009 twee facturen verzonden aan [V.O.F.] ten bedrage van respectievelijk € 1.948,80 (materialen) en € 10.511,57 (198,5 manuren leidingwerk).

7.2.

Het geschil in eerste aanleg

7.2.1.

In de hoofdzaak in eerste aanleg vordert [werkplaats] betaling van beide facturen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 10 december 2010, incassokosten en veroordeling van [appellant 2] c.s. in de proceskosten. Zij voert daartoe aan dat zij de verrichte werkzaamheden in opdracht van en voor rekening van [V.O.F.] heeft verricht.

7.2.2.

[appellant 2] c.s. heeft -kort samengevat- als verweer gevoerd dat zij geen opdracht aan [werkplaats] heeft gegeven om de werkzaamheden te verrichten. Ook [appellant ] is door [V.O.F.] niet gemachtigd om de gefactureerde werkzaamheden namens [V.O.F.] te laten verrichten, aldus [appellant 2] c.s.

7.2.3.

Bij tussenvonnis van 20 april 2012 heeft de kantonrechter in de hoofdzaak [werkplaats] toegelaten om feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit blijkt dat door of namens [V.O.F.] op enig moment in of omstreeks oktober, november 2009 aan [werkplaats] opdracht is gegeven om het leidingwerk van de oplegger aan te passen waaruit de twee voormelde facturen zijn voortgevloeid.

7.2.4.

Bij eindvonnis van 10 april 2013 in de hoofdzaak concludeert de kantonrechter dat [werkplaats] op grond van de gedragingen van [appellant 2] en [appellant ] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. De vordering van [werkplaats] wordt toegewezen.

7.2.5.

In de vrijwaringszaak heeft [appellant 2] c.s. [appellant ] gedagvaard en vordert [appellant 2] c.s.om [appellant ] te veroordelen tot betaling aan [appellant 2] c.s. van al datgene waartoe [appellant 2] c.s. in de hoofdzaak wordt veroordeeld.

[appellant 2] voert daartoe -kort gezegd- aan dat [appellant ] nimmer opdracht of instructie heeft gehad om een overeenkomst met [werkplaats] aan te gaan. Bovendien heeft [appellant ] onrechtmatig jegens [appellant 2] c.s. gehandeld door zich jegens [werkplaats] voor te doen als eigenaar van de onderneming en als [appellant ].

[appellant ] is derhalve, aldus [appellant 2] c.s., gehouden om de door [appellant 2] te lijden schade te voldoen.

7.2.6.

[appellant ] voert in de vrijwaringszaak verweer, stellende dat de werkzaamheden met toestemming en instemming van [appellant 2] werden uitgevoerd. Subsidiair voert [appellant ] aan dat het voordeel voor [V.O.F.] als gevolg van de aanpassingen van het leidingwerk dient te worden verrekend met enige verplichting tot betaling van [appellant ].

7.2.7.

Bij eindvonnis van 10 april 2013 in de vrijwaringszaak overweegt de kantonrechter dat het alleszins aannemelijk is dat sprake is van een ontoereikende volmachtverlening en dat [appellant ] opdracht heeft gegeven zonder zich er nadrukkelijk van te vergewissen dat dit de instemming van [appellant 2] had. Vervolgens heeft de kantonrechter overwogen dat sprake is van waardevermeerdering van de oplegger. De kantonrechter komt tot de conclusie dat [appellant 2] ongerechtvaardigd is verrijkt en stelt die verrijking ex aequo et bono vast op 50% van de aanpassingskosten. De kantonrechter veroordeelt [appellant ] tot betaling van 50% van hetgeen waartoe [appellant 2] in hoofdsom (in de hoofdzaak) wordt veroordeeld. [appellant ] wordt eveneens in 50% van de proceskosten in de hoofdzaak veroordeeld, onder compensering van kosten in de vrijwaringszaak.

8 De beoordeling in de hoofdzaak

8.1.

Met grief 2 komt [appellant 2] c.s. in de kern op tegen de overweging van de kantonrechter dat [werkplaats] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht aannemen dat een toereikende volmacht door [V.O.F.] aan [appellant ] was verleend.

8.2.

Gelet op het debat van partijen, waaronder het in eerste aanleg ingenomen standpunt van [werkplaats] dat sprake was van een toereikende volmacht van [appellant ], zal het hof bezien of sprake was van een volmacht van [appellant ] om de overeenkomst namens [V.O.F.] met [werkplaats] aan te gaan dan wel of [werkplaats] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat aan [appellant ] een toereikende volmacht was verleend.

8.3.

Toereikende volmacht van [appellant ] ?

8.3.1.

Vaststaat dat [appellant ] als chauffeur in dienst was bij [V.O.F.] en in het algemeen niet bevoegd was om de onderhavige overeenkomst namens [V.O.F.] te sluiten. De verklaring van [appellant ] dat hij met medeweten van en namens [V.O.F.] de overeenkomst met [werkplaats] heeft gesloten, wordt gemotiveerd betwist door [appellant 2] en [appellante 3].

[werkplaats] voert meer specifiek aan dat [appellant ] een volmacht had omdat uit de inhoud van de getuigenverklaringen blijkt dat [appellant ] en [appellante 3] enerzijds en [staalbedrijf] anderzijds een afspraak hadden gemaakt dat deze werkzaamheden zouden worden verricht. [staalbedrijf] heeft vervolgens [werkplaats] aanbevolen om de werkzaamheden te verrichten, waarna [appellant ] de opdracht aan [werkplaats] heeft gegeven, aldus [werkplaats].

8.3.2.

Het hof overweegt hierover het volgende.

[staalbedrijf] verklaart op dit punt enkel:

…“Ik moet hier nog verklaren dat geruime tijd daarvoor, het was ongeveer augustus 2009, ik heb gesproken met [appellant ] ([appellant ], hof) en een mevrouw, waarvan ik dacht dat dat de moeder van [appellant ] was (…). Zij vroegen mij of het mogelijk was dat de leidingen van de oplegger zouden kunnen worden verlegd (…)

Ook uit de verklaring van [appellant ] blijkt niet dat er concrete afspraken zijn gemaakt tussen [V.O.F.] en [staalbedrijf]. Hij verklaart:

Op enig moment is met [staalbedrijf] (…) besproken de vraag of de leidingen van de oplegger konden worden verlegd (…) [staalbedrijf] heeft toen gereageerd met de mededeling dat hij die leidingen wel kon verleggen. Maar het was aan ons om te beslissen wanneer dat zou plaatsvinden.

[appellante 3] ontkent dat er enige opdracht in dit kader aan [staalbedrijf] of [werkplaats] is gegeven.

Uit deze verklaringen blijkt derhalve niet dat sprake was van enige overeenkomst tussen [V.O.F.] en [staalbedrijf] en er kan evenmin uit worden afgeleid dat sprake was van een toereikende volmacht voor [appellant ] om de overeenkomst namens [V.O.F.] met [werkplaats] aan te gaan.

Het hof concludeert derhalve dat niet is gebleken dat door (een van de vennoten van) [V.O.F.] aan [appellant ] een volmacht is gegeven om de overeenkomst aan te gaan.

8.4.

Beroep van [werkplaats] op de schijn van volmachtverlening

8.4.1.

Het hof stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op de schijn van volmachtverlening vereist is dat [werkplaats] op grond van een verklaring of gedraging van [V.O.F.] onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat door [V.O.F.] een toereikende volmacht aan [appellant ] was verleend. Voor toerekening van schijn van volmachtverlening kan ook plaats zijn ingeval [werkplaats] gerechtvaardigd heeft vertrouwd op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van [V.O.F.] komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.

8.4.2.

[werkplaats] beroept zich in dat kader op de volgende feiten en omstandigheden:

  1. [appellante 3] heeft met [staalbedrijf] gesproken over de aanpassing van het leidingwerk in het bijzijn van [appellant ]. Ook thuis heeft [appellant 2] met [staalbedrijf] gesproken over aanpassing van het leidingwerk;

  2. De oplegger is eerst naar [appellant 2] gebracht en toen pas voor reparatie en aanpassing naar [staalbedrijf];

  3. De oplegger is lange tijd weg geweest van het bedrijf van [V.O.F.]. [V.O.F.] heeft deze situatie laten voortduren zonder actie te ondernemen over de verblijfplaats en het werk wat er aan werd gedaan; omdat het werk lang duurde is [appellant 2] zelf bij [werkplaats] gaan kijken. Met medeweten van [appellante 3] is [appellant ] met een andere oplegger bij [werkplaats] geweest, welke oplegger diende als voorbeeld voor de uit te voeren werkzaamheden; [appellant 2] en [appellante 3] waren derhalve op de hoogte dat [werkplaats] aanpassingen aan de oplegger uitvoerde;

  4. Na het verzenden van de facturen op 4 december 2009 heeft [V.O.F.] niet binnen bekwame tijd aangegeven dat geen opdracht was verleend. De oplegger was in elk geval eind december terug op het bedrijf van [V.O.F.], terwijl pas enig protest volgde in februari of maart 2010;

  5. De verklaringen van [appellant 2] en [appellante 3] zijn feitelijk onjuist. Zij stellen dat de factuur pas kwam nadat de oplegger terug kwam. De facturen werden gestuurd op 4 december 2009. Voor kerst 2009 had [werkplaats] al contact gezocht met [appellant 2] en [appellant ] is in die periode ook langs geweest bij [werkplaats]. Het kan dan niet zijn dat [appellant 2] eerst begin februari 2010 op de hoogte kwam. Ook is er in januari 2010 gesommeerd door [werkplaats] en op 20 januari 2010 was er telefonisch contact tussen [werkplaats] en [appellant 2].

8.4.3.

Het hof acht naast de onder 7.1.1 tot en met 7.1.7. vastgestelde feiten de inhoud van de volgende getuigenverklaringen van belang.

[mede-directeur van werkplaats] (mede-directeur van [werkplaats]) verklaart onder meer:

(…)

[staalbedrijf] staalbedrijf uit [vestigingsplaats] is al jarenlang een klant van ons. Wij bouwen daar opleggers voor en doen aanpassingen.

Ik weet nog dat in oktober 2009 [medewerker staalbedrijf] ons belde met de mededeling dat daar een oplegger stond die stuk was. En hij vroeg ons of wij tijd hadden om de reparatie te doen.

Een medewerker van ons, [medewerker 2 werkplaats], is toen naar het bedrijf van [staalbedrijf] gereden en diezelfde dag is de oplegger naar ons gekomen. Dit hele verhaal heb ik vernomen van [medewerker 2 werkplaats]. Ik weet dat wij de schade aan de pomp hebben opgenomen en een offerte hebben opgemaakt. Wij hebben echter de pomp niet gemaakt. Wel hebben wij het leidingenwerk van de oplegger vernieuwd en gerepareerd. Ik weet niet wie daartoe opdracht heeft gegeven. Dat hebben de jongens op de werkplaats geregeld. Op de oplegger stond de naam [appellant 2]. Wij zijn aan het werk gegaan omdat wij al jarenlang een goede relatie hebben met [staalbedrijf]. Op enig moment hoorde ik ook van mijn personeel dat [appellant ] op de werkplaats liep en hielp met de reparatie van de oplegger. Ik vernam ook dat hij werkte bij [appellant 2]. Ik moet zeggen dat ik er pas later achterkwam dat hij [appellant ] heette, omdat ik hoorde dat hij de zoon was en ik ging er daarom van uit dat hij ook [appellant 2] heette. Hoe het nou precies gebeurd is met het geven van de opdracht, kan ik u niet zeggen. De jongens op de werkplaats regelen dat allemaal zelf. Meneer en mevrouw [appellant 2] kende ik niet (…)

Ik weet nog dat ik een zogenaamde afleverbon heb geschreven toen de oplegger bij ons klaar was en opgehaald werd door [appellant ]. Ik ging er eerst van uit dat hij [appellant 2] heette en ik heb daarom die naam op de bon geschreven. Genoemde [appellant ] heeft de bon in mijn bijzijn getekend. Hij heeft toen niet gezegd dat hij niet [appellant 2] heette. [medewerker staalbedrijf] liep vrijwel wekelijks bij ons binnen. Met hem heb ik nog overleg gehad met de vraag waar de factuur van 14.370,03 euro naartoe moest worden gestuurd. Op mededeling van [medewerker staalbedrijf] heb ik toen de factuur naar [appellant 2] gestuurd (…)

[medewerker 2 werkplaats] verklaart:

Tot vorig jaar heb ik bij [werkplaats] BV gewerkt. Dit bedrijf is overgenomen (…) Ik werk daar nog steeds, maar dan onder een andere baas.

In oktober 2009 werkten wij met vier personen in de werkplaats. [chef werkplaats] was de chef en als hij weg was, verving ik hem. Ik kan mij herinneren dat ik een telefoon kreeg van [medewerker staalbedrijf]. Hij vertelde mij dat er bij hem een oplegger stond waar iets aan moest gebeuren. Ik ben er toen naartoe gereden. Ik zag dat er op de oplegger met grote letters [appellant 2] stond. Ik heb de wagen toen bekeken en [medewerker staalbedrijf] en een zekere [appellant ] stonden daarbij. [appellant ] had ik nog nooit gezien en ik ging ervan uit dat hij de chauffeur was. Dat heb ik gewoon gezien. De pomp was kapot en die moest verplaatst worden en het leidingenwerk moest worden aangepast. Genoemde [appellant ] verzocht feitelijk om het leidingenwerk te verrichten zodat de oplegger meer capaciteit had, met minder schuimvorming. Ik heb toen gezegd dat dat mogelijk was. [appellant ] heeft toen de oplegger naar de werkplaats van [werkplaats] gebracht (…)

Ik ging er toen vanuit dat het een oplegger van [appellant 2] was.
In de werkplaats bij [werkplaats] heb ik samen met [appellant ] nog gesproken over het plan van aanpak, hoe we dat allemaal gingen doen. [appellant ] heeft vervolgens gedurende enkele dagen demontagewerkzaamheden verricht met een paar kennissen. Toen [chef werkplaats] terug was van weggeweest hebben we nog met z’n drieën gesproken over de klus. Ik weet nog dat [chef werkplaats] gezegd heeft dat er een kostenplaatje aan hing. [appellant ] heeft toen gezegd dat het geen probleem was, omdat het leidingenwerk toch aangepast moest worden (…)

Zelf heb ik twee à drie weken aan de klus gewerkt schat ik. Toen was het leidingenwerk klaar. [appellant ] zelf is daar in die tijd nog een paar keer langs geweest. Ik kan mij niet herinneren dat de heer of mevrouw [appellant 2] in de werkplaats in die tijd aanwezig zijn geweest (…)
Ik wist toen nog steeds niet hoe die ([appellant ], hof) van achteren heette. In mijn ogen is [appellant ] de opdrachtgever geweest (…)

[chef werkplaats] verklaart:

Ik ben meer dan 19 jaar chef werkplaats geweest bij de firma [werkplaats]. Op 1 juli 2012 ben ik met pensioen gegaan. Ik kan mij nog herinneren dat [medewerker 2 werkplaats] bezig was met een oplegger waar de naam [appellant 2] op stond (…)
[appellant ] stond toen ook bij de oplegger. Ik had hem al eens eerder gezien. [medewerker 2 werkplaats] was bezig met het monteren van de pomp. [appellant ] vroeg toen ook of wij de leidingen konden verleggen. Ik heb toen tegen [appellant ] gezegd dat dit een paar centen zou kosten. [appellant ] zei dat ik mij daar geen problemen over hoefde te maken, en dat alles betaald zou worden. Ik wist niet van wie de oplegger was, maar ik ging ervan uit dat die van [appellant 2] was. De naam stond immers op de oplegger. De leidingen zijn toen verlegd door [medewerker 2 werkplaats]. Precies weet ik het niet meer, maar hij is daar zeker meer dan een week mee bezig geweest. [appellant ] kwam geregeld in en uit lopen. Ik kan mij wel nog herinneren dat ik tijdens die werkzaamheden een man heb gezien, in ieder geval een 60-plusser. Op mijn vraag vertelde iemand van de werkplaats mij dat dat meneer [appellant 2] was (…)

In mijn ogen was [appellant ] de opdrachtgever. Ik ben daar telkens vanuit gegaan dat dit was in opdracht van [appellant 2] (...)

Tijdens het werk is [staalbedrijf] nog een keertje komen aanlopen en heeft mij gezegd dat het werk zo uitgebreid werd dat de rekening rechtstreeks naar [appellant 2] gestuurd moest worden (…)

Ik wist niet of [appellant ] in loondienst was of eigenaar was van [appellant 2].

[appellante 3] verklaart onder meer:

(…)

Ik blijf erbij dat ik nooit bij [werkplaats] ben geweest en dat ik nooit opdracht heb gegeven tot het verleggen van de leidingen van de oplegger. Mijn zoon [appellant ] heeft mij slechts gezegd dat het heel lang duurde voordat de pomp van de oplegger gerepareerd zou worden (…).
Mijn zoon [appellant ] heeft nooit iets verteld over het verleggen van de leidingen. Hij heeft alleen maar over de reparatie aan de pomp gesproken. Ik weet zeker dat [appellant 2] tijdens de reparatie aan de oplegger ook niet bij [werkplaats] is geweest.

Mij is niet bekend dat [appellant ] ooit met een andere vrachtauto naar [werkplaats] is gereden.

[appellant 2] verklaart onder meer:

(…)

De V.O.F. is de eigenaar van de oplegger waar het nu om gaat. Ik weet achteraf dat er aan het leidingenwerk van die oplegger is gewerkt. De chauffeur van de betreffende oplegger was toen, eind 2009, [appellant ] (…) Hij was toen bij de V.O.F. in loondienst. Wij hebben zeker geen opdracht gegeven om het leidingenwerk te vervangen. [appellant ] heeft mij toen verteld dat de oplegger bij [staalbedrijf] in [vestigingsplaats] stond. Er moest nog een kleinigheid aan gerepareerd worden (…)

Ik ben zeker niet bij [werkplaats] in de werkplaats geweest, ook niet bij hem op het erf. Als ik geweten had dat [werkplaats] doende was met die leidingen, dan was ik er zeker naartoe gegaan.(…)

8.4.4.

Op basis van deze verklaringen gaat het hof ervan uit dat de gang van zaken in grote lijnen als volgt is geweest.

[appellant ], bij [werkplaats] enkel bekend als chauffeur met een oplegger met de belettering [appellant 2], geeft opdracht aan [werkplaats] om substantiële werkzaamheden aan die oplegger (tot een gezamenlijk bedrag van € 12.460,37) te verrichten.

[werkplaats] deelt mee dat aan de werkzaamheden een prijskaartje hangt en verricht vervolgens de werkzaamheden. [werkplaats] vraagt niet wie als opdrachtgever heeft te gelden.

Naar het oordeel van het hof mocht [werkplaats] er niet zonder meer op vertrouwen dat [appellant ], als chauffeur in dienst van [V.O.F.], een toereikende volmacht had om namens [V.O.F.] een dergelijke opdracht te geven.

Er blijkt niet van enige verklaring of gedraging van [V.O.F.] waaruit [werkplaats] mocht afleiden dat [appellant ] daartoe bevoegd was. Ook zijn er geen voor risico van [V.O.F.] komende feiten of omstandigheden op grond waarvan [werkplaats] er op mocht vertrouwen dat [appellant ] namens [V.O.F.] optrad. Het enkele feit dat [appellant ] als chauffeur van [V.O.F.] de feitelijke beschikking had over de oplegger en dat deze oplegger enige tijd bij [werkplaats] is gebleven acht het hof daartoe onvoldoende.

Ook de overige door [werkplaats] aangehaalde feiten en omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel. Hiervoor is al overwogen dat uit het feit dat [appellante 3] en [appellant ] met [staalbedrijf] hebben gesproken over het aanpassen van de leidingen van de oplegger niet kan worden afgeleid dat sprake was van een toereikende volmacht; evenmin kan dat gesprek, waarvan [werkplaats] niet op de hoogte was, hebben bijgedragen aan de schijn van volmachtverlening.

[werkplaats] voert nog aan dat [appellant ] met een andere oplegger van [V.O.F.] naar [werkplaats] is gereden zodat die als voorbeeld kon dienen voor de werkzaamheden. Allereerst merkt het hof op dat de verklaring van [appellant ] dat hij ook met een andere oplegger naar [werkplaats] is gereden niet wordt bevestigd door de als getuigen gehoorde werknemers van [werkplaats]. Voor zover daar wel sprake van is geweest, acht het hof dit onvoldoende om aan te nemen dat [werkplaats] in de gegeven omstandigheden daaraan het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat [V.O.F.] de opdrachtgever was.

[werkplaats] voert nog aan dat uit het feit dat [appellant 2] zelf is komen kijken bij [werkplaats] een bekrachtiging van de opdracht volgt. [appellant 2] betwist echter [werkplaats] bezocht te hebben. [appellant ] verklaart wel dat [appellant 2] is komen kijken, maar het hof acht die verklaring erg algemeen en niet overtuigend. De verklaring van [chef werkplaats], de enige medewerker van [werkplaats] die hierover verklaart, is zodanig vaag dat geenszins als vaststaand kan worden aangenomen dat [appellant 2] is komen kijken naar de werkzaamheden. Dat [appellant 2] tijdens de reparatiewerkzaamheden bij [werkplaats] is geweest, staat derhalve niet vast. Het hof volgt het betoog van [werkplaats] derhalve niet.

Dat [appellant 2] mogelijk niet direct na ontvangst van de facturen heeft aangegeven dat sprake was van een onbevoegd gegeven opdracht door [appellant ] leidt evenmin tot een ander oordeel. Uit de inhoud van de getuigenverklaringen rijst het beeld op dat [appellant 2] aanvankelijk [appellant ] naar [werkplaats] heeft gezonden om een en ander (zelf) op te lossen. Dat is bezien tegen de achtergrond dat volgens [appellant 2] [appellant ] niet bevoegd was, in het licht van de gang van zaken niet onbegrijpelijk. [V.O.F.] heeft zich in elk geval op 8 maart 2010 op het standpunt gesteld dat sprake was van een onbevoegd gegeven opdracht. Dat [appellant 2] voordien uitdrukkelijk heeft erkend het factuurbedrag verschuldigd te zijn, is niet komen vast te staan. Dat sprake is van bekrachtiging door [V.O.F.] van de tussen [appellant ] en [werkplaats] gesloten overeenkomst is evenmin gebleken.

8.4.5.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van de schijn van volmachtverlening.

8.4.6.

Beide partijen hebben in hoger beroep bewijsaanbiedingen gedaan. Het bewijsaanbod van [appellant 2] komt voorlopig niet aan de orde, nu bij de huidige stand van zaken van toewijzing van een vordering ten laste van [appellant 2] geen sprake lijkt te zijn.
Aan [werkplaats] was in eerste aanleg bewijs opgedragen en hij heeft ten een aantal getuigen doen horen. Naar in het vorenoverwogene besloten ligt is hij daarin niet geslaagd.
Thans biedt [werkplaats] andermaal bewijs aan. Het betreft – ten aanzien van datgene wat zij zou willen bewijzen – een algemeen bewijsaanbod en ten aanzien van de te horen getuigen een opsomming van vier getuigen, welke alle vier reeds in eerste aanleg ten verzoeke van [werkplaats] zijn gehoord. Nu niet nader is toegelicht in hoeverre deze getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan, is het verzoek deze getuigen te doen horen onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat

8.5.

Er is derhalve geen overeenkomst tot stand gekomen tussen [werkplaats] en [V.O.F.]. Bij haar memorie van antwoord sub 20 en 21 heeft [werkplaats] een nadere, subsidiaire grondslag voor haar vordering naar voren gebracht, bestaande in een beroep op ongerechtvaardigde verrijking. Nu deze wijziging is ingediend bij de eerste gelegenheid in deze instantie kan deze in zoverre niet geacht worden te laat te zijn ingediend.
De wijziging van (grondslag van de) eis is evenwel in de aanhef van de memorie van antwoord niet aangekondigd zodat de wederpartij daarop ook niet bedacht heeft kunnen zijn. Dat zou betekenen dat [V.O.F.] in de gelegenheid zou moeten worden gesteld daarop te reageren.
Bovendien had van [werkplaats], overeenkomstig het bepaalde in art. 21 Rv., verwacht mogen worden dat zij haar stellingen deugdelijk met feiten (en getallen) onderbouwde en waar nodig kwantificeerde. Dat heeft zij nagelaten. Zij volstaat met op te merken dat [V.O.F.] van het werk “profijt” heeft gehad en concludeert daaruit zonder nadere toelichting dat zij is verrijkt met het bedrag van de gefactureerde werkzaamheden. Waarom dat profijt op dat bedrag moet worden gewaardeerd is niet toegelicht en ligt zonder zodanige toelichting ook niet aanstonds voor de hand. Over haar verarming is door [werkplaats] evenmin iets gesteld. Dat betekent dat [V.O.F.] ook niet gemotiveerd op deze subsidiaire grondslag zou kunnen reageren en dat zou ertoe leiden dat nog een aktewisseling zou moeten worden ingelast. Dit alles leidt tot een onaanvaardbare vertraging en daarmee tot een verstoring van de goede procesorde.
Tot slot merkt het hof op dat de kwestie van de waardevermeerdering van de oplegger kennelijk aan de orde is geweest ter comparitie van 20 april 2012, maar dat niet is gebleken dat [werkplaats] daarin toen geen aanleiding heeft gezien de grondslag van haar vordering aan te vullen. Bij deze stand van zaken kan deze aanvulling van de grondslag van de eis niet in behandeling worden genomen.

8.6.

Gelet op al het hiervoor overwogene dient de vordering tot betaling van de factuurbedragen afgewezen te worden. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en [werkplaats] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [appellant 2] c.s. in de hoofdzaak in eerste aanleg, daaronder begrepen de kosten van het vrijwaringsincident, en in hoger beroep.

9 De beoordeling in de vrijwaringszaak

9.1.

Nu de vordering in de hoofdzaak is afgewezen, heeft [werkplaats] geen belang meer bij de gevorderde veroordeling in vrijwaring. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vordering in vrijwaring zal worden afgewezen.

9.2.

[appellant 2] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [appellant ] in de vrijwaringszaak in eerste aanleg en hoger beroep.

10 De uitspraak

Het hof:

in de hoofdzaak met nr. HD 200.132.444/01

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 10 april 2013 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [werkplaats] af;

veroordeelt [werkplaats] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant 2] c.s. worden begroot op € 1.350,-- aan salaris gemachtigde voor de eerste aanleg en op € 1.949,15 aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de beslissing voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

in de vrijwaringszaak met nr. HD 200.130.422/01

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 10 april 2013 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van [appellant 2] c.s. af;

veroordeelt [appellant 2] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [appellant ] c.s. worden begroot op € 600,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 97,38 aan verschotten en € 894,-- aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart deze beslissing voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M. Brandenburg, H.A.W. Vermeulen en P.P.M. Rousseau en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 7 oktober 2014.